Boris Giltburg: razendknap in pianotranscriptie van Sjostakovitsj

  

Gehoord: Muziekgebouw Frits Philips, Eindhoven, 15 november 2022

Door Willem Boone

Aan het begin van zijn recital kondigde pianist Boris Giltburg aan dat hij zijn recital niet met zijn aangekondigde bewerking van het Derde strijkkwartet van Sjostakovitsj zou beginnen. Hij was van mening dat het moeilijk zou zijn om de daarna geprogrammeerde Appassionata van Beethoven te spelen. Daarmee had hij zeker een punt, maar het is evenmin gebruikelijk om met laatstgenoemde sonate een recital te openen. Door het koortsachtige karakter ervan bestaat het gevaar dat een pianist te snel zijn kruit verschiet, maar Giltburg slaagde er juist heel goed in om het vuur niet direct te hoog op te laten laaien. Zijn spel had energie, was gaaf en gedetailleerd en hij bouwde de climax aan het eind van het eerste deel mooi op. Ook in het tweede deel had zijn spel spankracht en het laatste deel deed alle recht aan Beethovens tempovoorschrift: allegro ma non troppo. Bij nogal wat collega’s ontaardt dit deel in een race tegen de klok, waardoor het niet meer mogelijk is om in de laatste bladzijden, presto, te versnellen, zoals de componist dat vraagt. Overigens speelde de pianist niet de herhaling in het derde deel, maar dat maakte zijn vertolking er niet minder overrompelend op. Het slot was ronduit furieus.

 

 

Daarna volgde een vreemde eend in de bijt van dit verder aan Beethoven gewijde programma: een bewerking die de pianist maakte van het Derde strijkkwartet van Sjostakovitsj. De vraag is hoe zoiets klinkt: kaal of pianistisch? Het knappe van deze transcriptie was dat dit kwartet overal pianistisch klonk, met een beetje fantasie had het een ‘echt’ pianostuk kunnen zijn. De quasi-argeloze melodie van het eerste deel, allegretto, deed denken aan het laatste deel van de Cellosonate van dezelfde componist. Giltburg wist de sfeer van het kwartet raak te treffen en suggereerde op zijn piano knap de diverse stemmen. Zeker aan het eind van dit begindeel werd de muziek steeds complexer van structuur. In het tweede deel imponeerden de meerstemmigheid en de pianissimo’s aan het eind, het allegro non troppo was daarentegen weerbarstig en fel van karakter. Misschien waren de laatste twee delen het indrukwekkendst: in het adagio wist hij goed de desolate sfeer neer te zetten, in de bas ‘hoorde’ je als het ware de partij van de cello. In de programmatoelichting stond dat Sjostakovitsj voordat hij de gangbare Italiaanse benamingen als ‘allegro’ en ‘adagio’ gebruikte titels aan de diverse delen gaf. Die van het adagio luidt ‘Ter nagedachtenis van de doden’ en daardoor begrijp je als luisteraar beter waarom deze muziek schuurt. Hetzelfde geldt voor het afsluitende Moderato, waarvan de titel luidt ‘De eeuwige vraag: Waarom? En waarvoor?’. Het zijn raadselachtige woorden die Sjostakovitsj heel goed in muziek weergeeft: het deel begint met de voor deze componist zo typische ongrijpbare, vluchtige muziek.

De pianist durfde bij vlagen een lelijke toon te produceren. Vooral het eind was memorabel: daar klonk een heel tere, schuchtere melodie die ook op de piano een hypnotische effect had: de pianissimo-akkoorden in de linkerhand gecombineerd met droge akkoorden in de rechterhand.  De pianist leverde een razendknappe prestatie met deze transcriptie en zijn vertolking ervan was al even bewonderenswaardig.

Na de pauze maakte hij het zich al evenmin gemakkelijk met de laatste twee Pianosonates, nr 31 in AS opus 110 en nr 32 in C opus 111. Muziek die spiritueel hoog reikt, maar het gaat om een hele andere ‘sound world’ als bij Sjostakovitsj. Giltburgs vertolking van opus 110 was zeker in het eerste deel ingetogen. Misschien toonde hij zich hier niet de meest uitgesproken Beethoven-vertolker, maar zijn spel was wel een toonbeeld van integriteit. Bij de laatste Pianosonate deed hij aan het begin alle recht aan wat Beethoven van zijn vertolkers vraagt: con brio ed appassionato. Het eerste deel was stormachtig, het ontroerende tweede deel, de arietta: adagio molto semplice e cantabile nam hij gelukkig niet in een al te langzaam tempo, met uitzondering van de ‘jazzy’ variatie met syncopen die nu juist iets te snel klonk. Dat was jammer, want nu kwam niet helemaal naar voren wat deze variatie zo bijzonder maakt: Beethoven was hier zijn tijd ver vooruit door bijna ‘boogiewoogie-muziek’ te schrijven. De fluisterzachte pianissimo’s die daarna volgden maakten veel goed. Hoe vaak je deze muziek ook gehoord mag hebben, ze mist haar uitwerking nooit. Je kan niet anders dan diep geroerd zijn door de menselijkheid en warmte die Beethoven erin gelegd heeft, soms zelfs in een enkel akkoord. Dat deze muziek die alle aardsheid ver ontstijgt, geschreven is door iemand die volledig doof was, blijft een wonder. Het was enigszins spijtig dat er na de laatste akkoorden direct applaus losbarstte. Het publiek toonde zich zo enthousiast dat de pianist uiteindelijk een toegift speelde, de Mazurka opus 17 nr 2 van Chopin. Hij speelde het prachtig, maar eigenlijk had er na een monumentaal stuk als opus 111 geen toegift meer hoeven klinken, omdat bijna alles dan – al is het maar tijdelijk – als ‘minder’ overkomt.

Willem Boone

You May Also Like

Klaus Mäkelä – een grote maestro met meer in petto

De soundtrack van een circusvoorstelling

Debussy van Jean Yves Thibaudet mist warmte

Verfijnd spel door koor en orkest Les Arts Florissants