Broers Jussen besluiten VriendenLoterij Zomerconcerten met dynamisch samenspel

Gehoord: 25, 26 en 27 augustus, Grote Zaal Concertgebouw, Amsterdam

Door Wenneke Savenije

 

In het Concertgebouw is de zomer voorbij. Traditiegetrouw trok de serie VriendenLoterij Zomerconcerten met maar liefst 77 concerten 80.000 bezoekers, waarvan bijna de helft voor het eerst naar het Concertgebouw was gekomen. De toverformule is, in elk geval volgens de organisatie, de toegankelijke programmering. Van klassieke tot pop, jazz tot filmmuziek, jong talent en bekende topmusici, popsterren als Maan, Racoon en Jean Macreau, maar liefst zeven jeugdorkesten en bijzondere ‘rising stars’ als de Zweedse violist Daniel Lozakovich en het Spaanse vioolwonder María Dueñas. Kortom, voor elk wat wils in deze populaire serie, die in de maanden juli en augustus hele hordes toeristen naar het Concertgebouw lokt.

 

 

 

 

Zelf hoorde ik in de laatste week nog drie klassieke concerten, die allemaal de moeite waard bleken en soms de zaal zelfs tot extase brachten. Met terugwerkende kracht hoorde ik op 27 augustus Lucas en Arthur Jussen, gekleed in roomwitte getailleerde colbers en als altijd goed geluimd, met flair, finesse en aanstekelijk enthousiasme het zelden gespeelde Dubbelconcert in E van Mendelssohn onder het stof vandaan halen. Het is in zoverre een eigenaardig werk, dat Mendelssohn in het lyrische Adagio non troppo de beide solisten één voor een opvoert, zodat Arthur minutenlang moest wachten op de mooie en ontwapend gespeelde solo van zijn broer Lucas, voordat hij zich met enorme geestdrift op zijn eigen solo kon storten. Eraan vooraf ging een briljant vertolkt openingsdeel, het bruisende Allegro vivace, waarin de broers opnieuw lieten horen muzikaal en instrumentaal uit één hout gesneden te zijn en elkaar niet alleen feilloos aan te voelen, maar ook alle ruimte te gunnen voor kleine vrijheden in hun persoonlijke interpretaties. Het slotdeel klonk al even onderhoudend en blijmoedig als het eerste deel, waarna de broers in reactie op het daverende applaus nog een grappige en virtuoze bewerking van Die Fledermaus speelden, die op naam staat van Igor Roma. De derde ster in dit programma met het (als altijd) uitstekend musicerende Radio Filharmonisch Orkest was de hoogzwangere Finse dirigente Dalia Stasevska (1984), een geweldige dirigente van het kaliber Elim Chan, die voor het orkest stond te springen en dansen om haar muzikale enthousiasme over te brengen. Maar tegelijkertijd wist ze precies wat ze deed, gaf ze de kleinste details glashelder aan en inspireerde ze het orkest tot extreem beweeglijke, fraai uitgebalanceerde en geanimeerde vertolkingen van Mendelssohns Eins Sommernachtstraum, op. 21 en Dvoraks Symfonie nr. 8 in G, op 88. 

 

 

 

 

Op 26 augustus was ik getuige van een werkelijk bewonderenswaardig goed geslaagde uitvoering van Mahlers Negende symfonie door het op hoog niveau musicerende Gustave Mahler Jugendochester, in 1986 opgericht door Claudio Abbado om jonge musici relevante podiumervaringen te bezorgen. De uitvoering stond onder leiding van de Tsjechische dirigent Jakub Hrůša, die Mahlers laatste voltooide symfonie omschrijft als ‘een reeks gedachten over de betekenis van ons bestaan.’ Hrůša, die vanaf 2025 de nieuwe chef-dirigent van de Royal Opera House in Londen wordt, heeft Mahlers symfonische zwanenzang al vaak gedirigeerd en dat was te horen aan de intelligente en daadkrachtige manier waarop hij dit diepgravende en soms existentieel vervreemdende stuk uiteenzette in heldere lijnen en overtuigende spanningsbogen. ‘Ik denk dat het een van de meest persoonlijke en diepste symfonische werken is die ooit geschreven zijn’, aldus Hrůša, die er op bewonderenswaardige wijze in slaagde van alle jonge musici in het groot bezette Gustave Mahler Jugendorchester het uiterste te vergen, zonder ze daarmee al te veel onder druk te zetten. Want doe je dat als dirigent, dan stopt de muziek met ademen en slaat uiteindelijk alles dood. Hrůša benaderde de complexiteiten en frivoliteiten in Mahlers Negende intelligent en met liefde, zodat hij het orkest meevoerde naar hemelse momenten van bezwerende samenklanken met zinderende strijkersklanken, gevolgd door quasi vrolijke boerse dansen en delicatere momenten die werden opgelicht door opmerkelijk fraai gespeelde solopassages, o.a. van de fluit en de cello. Alleen het openingsdeel verliep aanvankelijk een beetje stroef, maar daarna kwam de muziek als het ware los van de aarde en wist Hrůša het orkest en het publiek mee te voeren op een adembenemende reis door de metafysische wereld, die zich ergens tussen leven en dood schijnt op te houden. Het klinkende resultaat was indrukwekkend.

 

 

 

 

Nog een dag eerder, op 25 augustus, hoorde ik de sympathieke Tsjechische meesterviolist Josef Špaček (1986), die het komend seizoen artist in residence is bij het Residentie Orkest in Den Haag, op zijn schitterende Guarneri del Gesù-viool een ijzersterke uitvoering geven van zijn muzikale ‘warhorse’: het Vioolconcert van zijn voormalige landgenoot Dvořák, dat hij met een aanstekelijke mix van nationale trots en universele muzikale bevlogenheid ten gehore bracht. Instrumentaal gezien is Špaček, die onder meer bij Itzhak Perlman studeerde, een bijna atletische violist, die de meest lastige technische hindernissen schijnbaar moeiteloos overwint met het air van een goed getrainde sportsman. Maar daarnaast is Špaček ook een gevoelige musicus die met integriteit, stijlgevoel en diep doorleefde toewijding probeert door te dringen tot het hart van een compositie. Zo slaagde hij erin Dvořáks concert uiteen te zetten in een spannende verhaaltrant, waarin soms heftige explosies werden afgewisseld met lyrische passages in de mooiste klankkleuren. Jammer genoeg bleek chef-dirigente Anja Bihlmaier wat minder gevoel voor de muziek van Dvořák te hebben, zodat er ondanks het meesterlijke spel van Špaček geen inspirerende dialoog met het orkest op gang kwam. De in blauw geklede Bihlmaier wijdde zich in de rest van het programma aan ‘waterwerken’ van Wagner, Smetana en Debussy, waarmee ze de zaal een vriendelijk kabbelende, onstuimig golvende of soms verstilde ‘waterbeleving’ bezorgde. Špaček speelt nogmaals Dvořák met het Residentie Orkest op 19 september in Amare, Den Haag. Op 8 en 10 december speelt hij daar Beethovens Vioolconcert, en op 3 mei 2024 het Vioolconcert van Alban Berg

Wenneke Savenije

 

Info:

www.concertgebouw.nl

You May Also Like

Een korte impressie van de Dag van de Franse barok

Hamelin: onopvallende pianoreus

Surinaamse opera uit 1906 herklinkt in uitverkocht Concertgebouw

Een piano, contrabas, blokfluiten en een wedstrijd: Alba Rosa Viva!