De onnavolgbare toewijding van Grigory Sokolov

  

Gehoord:

8 juni 2022, Muziekcentrum Frits Philips, Eindhoven

12 juni 2022, Het Concertgebouw, Amsterdam

Door Willem Boone

De afgelopen week had ik het voorrecht om meesterpianist Grigory Sokolov twee keer kort achter elkaar te horen. Dat is op zich al een buitenkans, maar na twee artistiek gezien rampzalige jaren waarbij veel concertzalen maanden gesloten waren is het weinig minder dan een geschenk uit de hemel. Sokolov was meer dan twintig jaar een vaste gast in de Serie Meesterpianisten van impresario Marco Riaskoff en zijn optredens behoorden steevast tot de hoogtepunten. Dat is uiteraard nog steeds het geval en beide zalen zaten dan ook vol, wat hoopvol stemde in een tijd waar het publiek nog niet massaal de weg terug naar de theaters weet te vinden. Sommige musici hebben zo’n bijzondere status dat ze een categorie op zich vormen. Zo waren er ooit ‘Heifetz en de anderen’, ‘Rostropovitsj en de anderen’, ‘Horowitz en de anderen’ en ‘Callas en de anderen’ om maar eens een paar ‘monstres sacrés’ te noemen. Sokolov neemt een vergelijkbare status in en dwingt niet alleen bij het publiek, maar ook bij veel collega-musici groot ontzag af. Daar is alle reden voor, want weinig musici zullen zo toegewijd aan de muziek en aan hun instrument zijn: in zijn leven moet vrijwel alle tijd en aandacht opgaan aan studeersessies, optredens en reizen. Aan heel veel andere zaken zal deze artiest simpelweg niet toekomen.

Sokolov bezit een superlatieve techniek die hij uiteraard alleen maar in dienende zin inzet, naast een ongelofelijke kennis op het gebied van aanslag en toonprojectie. Slechts weinig collega’s kunnen de piano met zoveel kracht te lijf gaan, zonder dat de toonvorming er echter onder lijdt. Aan de andere kant is een bepaalde eigenzinnigheid hem niet vreemd, vooral waar het de tempi betreft. Daarin is deze pianist ‘sui generis’: hij doet wat hij wil, omdat hij het kennelijk zo voelt, maar waar zulke duidelijke – en soms grillige – keuzes bij anderen kunnen ergeren, kun je er bij Sokolov alleen maar respect voor hebben omdat hij deze keuzes met zoveel overtuigingskracht verdedigt. Hetzelfde gebeurde soms bij Richter – een grote Russische pianist waar Sokolov vreemd genoeg niets van moet hebben – die bijvoorbeeld het eerste deel van Schubert laatste Pianosonate extreem langzaam speelde, maar dan wel op zo’n hypnotische manier dat je ernaar bleef luisteren.

Eigenzinnig was de Russische pianist direct aan het begin van zijn recital in de Eroica Variaties van Beethoven, die wat mij betreft in een consequent te langzaam tempo klonken. Niet dat er daardoor niets te genieten viel: direct het eerste akkoord bevatte al een kracht waarmee je bergen kunt verzetten. De pianist liet horen dat zijn toucher veelkleurig is en allerlei lagen bevat. Daarnaast was zijn spel glashelder, zeker in de afsluitende Fuga. Hij besteedde aandacht aan de kleinste details, maar door het genoemde langzame tempo kregen de Variaties bijna een te monumentaal karakter. Je zou zo’n keuze misschien aan de enigszins gevorderde leeftijd van de pianist (72) kunnen toeschrijven, maar het valt niet aan een teruglopende techniek te wijten. Het lijkt op een moeilijk te volgen, maar bewuste keuze. Een aantal jaren geleden speelde hij op vergelijkbare wijze Brahms’ Variaties en fuga op een thema van Händel en lang gelden bracht hij ook Sonates van Haydn en Mozart in zeer bedachtzame tempi. Kennelijk hoort dit bij zijn opvattingen. In Amsterdam leek hij de eerste Variaties in iets snellere tempi te spelen, maar voor de rest bleef hij trouw aan zijn eigen ideeën. Het was naast alle kwaliteiten – gevoel voor frasering en de weerbarstigheid van Beethovens muziek – een licht frustrerende ervaring.

 

 

 

In Amsterdam klonk na het eerste onderdeel een omroepbericht dat er een hinderlijke piep in het publiek gesignaleerd was, waarschijnlijk als gevolg van een verkeerd afgesteld gehoorapparaat. Gelukkig klonk dit niet al te hard (Ik heb het zelf niet gehoord) en verstoorde het verder noch de rust van de artiest noch die van het publiek.

Des te opmerkelijker was de wijze waarop hij de Intermezzi opus 117 van Brahms speelde, want deze klonken in natuurlijke tempi waar niets gekunsteld aan was. Het is repertoire waar je eerder extreme opvattingen in verwacht dan in bovengenoemde muziek van Beethoven: de beurtelings mysterieuze, tedere, nostalgische en herfstige Intermezziworden door sommige pianisten eindeloos uit elkaar getrokken. Zo speelde Ivo Pogorelich ze ooit tergend langzaam, al wist ook hij zijn keuzes te verdedigen. Een van de sterke punten van Sokolov is zijn vermogen om zich te verplaatsen in verschillende klankwerelden: hij wist direct de warme, donkerrode kleuren van Brahms voor de geest te roepen. Deze piano had geen hamers en snaren meer en kon oneindig teder fluisteren. Sommige artiesten kunnen een hele wereld in één akkoord of zelfs maar één enkele noot leggen. De manier waarop hij de laatste noot van het Derde intermezzo speelde was daar een mooi voorbeeld van.

Na de pauze volgde Schumanns Kreisleriana die hij fel inzette. Veel pianisten spelen de eerste van de acht Fantasieën met te weinig vervoering, maar daar was dit maal geen sprake van. Het knappe was dat Sokolov door zijn articulatie heel duidelijk het omspelende motief in de rechterhand liet horen, in combinatie met de stijgende lijn in de linkerhand. Een ander manco bij veel pianisten is dat hun articulatie onder het snelle tempo lijdt, waardoor het notenbeeld weliswaar meeslepend, maar ook groezelig klinkt. Mooi was de aandacht voor de tussenstemmen, naast het vermogen van de pianist om bepaalde noten samen te laten klinken of er juist uit te laten komen, een notie die pianist Claudio Arrau ooit ‘Zusammenklingen’ noemde. Sokolov deed dit meer dan eens in het derde gedeelte, waar harmonieën klonken die je bij mindere pianisten niet hoort. Overigens koos hij er in dit meesterwerk van Schumann soms eveneens voor om gematigde tempi te spelen: zo was het eind van het derde gedeelte erg nadrukkelijk en was de laatste Fantasie niet direct ‘schnell und spielend’ zoals Schumann dat voorschrijft. Het doet echter weinig af aan de overweldigende indruk die deze vertolking achterliet.

Het publiek in Eindhoven reageerde enthousiast en dat in Amsterdam ongewoon enthousiast, in de laatste zaal maak je niet zo vaak mee dat er gescandeerd of luidkeels ‘bravo’ geroepen wordt. Voor de pandemie zag je de zaal bij de talrijke toegiften leger worden, maar in beide zalen wilde het publiek tot het eind blijven, om zoveel mogelijk te genieten van dit unieke pianospel. De Russische meester is altijd genereus na het officiële deel van zijn recital en het lijkt erop dat hij standaard zes toegiften speelt, zodat je als het ware nog een tweede recital van soms 30 à 45 minuten krijgt. Het ging in beide zalen om dezelfde toegiften in dezelfde volgorde: achtereenvolgens een Intermezzo van Brahms, twee Preludes van Rachmaninoff, een Prelude (?) van Scriabin, een Prelude van Chopin (erg luid gespeeld!) en, misschien de perfecte manier om de avond af te sluiten, de Prelude in B van Bach/Siloti, die Emil Gilels vaak zo onnavolgbaar aan het eind van een recital speelde. In al deze toegiften toonde Sokolov opnieuw zijn unieke vermogen om in de huid van om het even welke componist te kruipen.

Willem Boone

 

Info:

https://www.muziekgebouweindhoven.nl/nl/

www.concertgebouw.nl

Steun De Nieuwe Muze! Lees ons, volg ons, like ons en neem nu een kortingsabonnement, zie bij ‘Acties’ op www.denieuwemuze.nl Deze actie geldt tot 1 september.

You May Also Like

Vurige Nederlandse première voor Alexander Kastalsky’s Requiem

Oprechte emotie en vuurwerk bij Nederlands Philharmonisch Orkest

Hedendaags en vernieuwend heeft vele gezichten op het Holland Festival

Goerne en Trifonov eensgezind in zwaar programma