Enthousiaste Dvorak

Gemeten naar de publieksopkomst die ik het afgelopen halfjaar heb meegemaakt, mag het concert dat het Residentieorkest afgelopen vrijdag gaf met een all-Dvorak programma een aanzienlijk succes heten. In de nieuwe Haagse concertzaal Amare – met het Koninklijk Conservatorium vrijwel ‘in huis’, de Haagse afdeling van de Universiteit Leiden en talloze kleinere wooneenheden om de hoek – is mij vaker opgevallen dat het publiek qua leeftijd in ieder geval een stuk beter gemengd is dan gewoonlijk bij concerten met klassieke muziek. Een ruime meerderheid vijftigplus moet je daarbij voor lief nemen. Toch waren hier heel wat jongere mensen gekomen – onder wie een flinke scheut jeugd van op of onder twintig.

Hoogtepunt

Het vrij traditionele programma rond een hoogromantische componist vormde geen beletsel. ‘Nu komt het hoogtepunt’, zo vatte een zich verkneukelende achterbuurvrouw de verwachtingsvolle stilte samen die na de pauze met het doven van de zaalverlichting neerdaalde. We zouden starten met ‘het celloconcert’ dat, zeer gewiekst, na de pauze was geprogrammeerd. Solist was de Duitser Julian Steckel, die in 2010, als blonde, bebrilde bolleboos, het internationale ARD Musikwettbewerb op zijn naam zette met zijn gepassioneerde vertolking van dit werk. Inmiddels een vlotte, artistiek gekuifde veertiger is Steckel, nog altijd een muzikale rots in de branding dankzij zijn grote, kleurrijke cellotoon en een openhartige, zelfverzekerde muzikaliteit.

Er viel dus veel te genieten – ook voor de orkestleden, die de solist met zichtbaar genoegen begeleidden. Een enkel klein coördinatiefoutje hier of daar deed er niet aan af dat over en weer tempowisselingen en timbres speels werden aangereikt. Zodat het symfonische karakter van de muziek goed naar voren kwam, zonder dat de concertante dialoog terzijde geschoven werd. Daarbij konden ook Dvoraks stevige tutti de cellist niet bedelven, terwijl pianissimo’s in de transparante akoestiek van Amare tot het uiterste randje mochten worden gedreven – een kans die Steckel regelmatig te baat nam. Niet in de laatste plaats ook tijdens Dvoraks Waldesruhe, een minder vaak gespeeld, kort werk voor cello en orkest, waarmee het concert bij wijze van geprogrammeerde toegift besloot.

Vijfde symfonie

Met de Vijfde symfonie bevatte het programma ook een ongebruikelijke eend in de bijt. Ze stamt uit de tijd waarin Dvoraks, kenmerkende melodiek zich nog niet geheel aan opgelegde, traditionele structuren ontworsteld had. Het vraagt een koersvaste hand om deze nu eens briljant, dan weer ietwat schools voort modulerende muziek daadwerkelijk onder één boog te zetten. Sleutel is te vinden in een nauwkeurige plaatsing van de kleinste notenwaarden – van het allereerste openingmotief in de blazers tot de korte koperfanfares aan het slot. Als een dirigent deze op het netvlies heeft kan een organische opbouw van het werk worden gezekerd.

De Brit Jonathan Bloxham slaagde er niet in op dit punt volledig te overtuigen. Zijn opmatige, kortademige slag, mag enerzijds heel bemoedigend werken, maar draagt niet altijd bij aan het vasthouden van de onderliggende puls. Met het kwijnen van de samenhang verloren ook tempowisselingen hun doelmatigheid en werkte de muziek soms wat oeverloos. Desalniettemin werd er onder Bloxhams leiding met groot enthousiasme en met oog voor detail gemusiceerd. Orkest en dirigent mochten dan ook terecht op een aanzienlijk applaus rekenen, waarbij de afzonderlijke orkestleden nadrukkelijk in het zonnetje werden gezet.

Elger Niels

foto PR Julian Steckel ©Marco Borggreve

You May Also Like

Klaus Mäkelä – een grote maestro met meer in petto

De soundtrack van een circusvoorstelling

Debussy van Jean Yves Thibaudet mist warmte

Verfijnd spel door koor en orkest Les Arts Florissants