Fedorova laat muziek voor zich spreken in Edesche Concertzaal

Photo: Marco Borggreve

Gehoord: Edesche Concerzaal, 28 januari 2023

Door Willem Boone

Het recital van pianiste Ana Fedorova in de uitverkochte Edesche Concertzaal begon enigszins ongebruikelijk met The Messenger van Valentyn Sylvestrov. Deze Oekraïense pianist is twee jaar jonger dan Arvo Pärt, wiens werken bekender zijn geworden. Wat beide componisten gemeen hebben, is dat ze in een postmodern of zelfs neoklassiek idioom schrijven. Je zou kunnen zeggen dat het krachtig in zijn eenvoud is. Sylvestrov zegt hierover zelf: ‘Ik schrijf geen nieuw werk, mijn muziek is een antwoord op en een echo van wat al bestaat. Het zijn coda’s van de muziekgeschiedenis.’ In het geval van The Messenger gaat het om verwijzingen naar de muziek van Mozart, jammer genoeg heb ik niet kunnen herleiden welke stukken van Mozart worde geciteerd (Ik meende een vage verwijzing naar het middendeel uit de Sonate in c KV 545 (Sonate facile) te horen).

Sylvestrov schreef het werk nadat zijn vrouw, musicologe Larissa Bondarenko, onverwacht in 1996 overleed. Enerzijds was het een manier om zijn verdriet te verwerken, anderzijds gaf hij gestalte aan een boodschap uit de hemel en schreef hij deze muzikale meditatie. De titel is afkomstig uit publicaties van de uit Sint Petersburg afkomstige existentiële filosoof Yakov Druskin. Zijn ‘messenger’ is een fictief karakter dat een link tussen deze wereld en de ‘andere wereld daarboven’ vertegenwoordigt. Dit karakter krijgt in de partituur vorm door een serie van zachte flarden Mozartiaanse frases van veraf die klinken of ze ‘in mist ingepakt zijn’. Sylvestrov laat in het midden of de ‘messenger’ zijn overleden vrouw dan wel een muze is die in de taal van de late achttiende eeuw spreekt: ‘Het is als een lied dat de wereld over zichzelf zingt, een muzikale getuigenis van het leven.’ Er is inderdaad sprake van uitermate pure en ingehouden klanken, die inderdaad een postmodern idioom weerspiegelen. Aan de ene kant was er iets voor te zeggen om eens een recital met zulke etherische muziek te beginnen (in plaats van met de ‘echte’ Mozart!). Aan de andere kant duurde de compositie misschien net iets te lang: tien minuten, waarbij vaak dezelfde flarden voorbijkwamen. Net als bij de late stukken van Pärt leidde dat soms tot een zekere voorspelbaarheid. Overigens waren de modulaties van de componist wel degelijk eigentijds, zodat ‘The Messenger’ daadwerkelijk als een neoklassieke verwijzing naar Mozart klonk. Fedorova speelde het ingehouden en soms klonk de piano bijna niet meer als een piano.

 

 

Het stuk vormde ook een mooie opmaat voor de Nocturne in des opus 27/2 van Chopin, eveneens een teder stuk, al bevat het ook dramatiek. Fedorova speelde het teder en wat vooral in haar interpretatie van de Drie walsen opus 64 beviel, waren haar tempi.  Gelukkig raffelde zij deze stukken niet in sneltreinvaart af. De Poolse componist mag zijn walsen dan niet bedoeld hebben om op te dansen, het blijft onaangenaam om deze te horen spelen als virtuoze etudes, wat ze niet zijn. De pianiste nam de tijd om te fraseren. Dat viel vooral bij de Tweede wals op, de Eerste wals speelde zij met meer rubato dan je deze normaal hoort. Zij wist Chopin iets breekbaars mee te geven, zonder daarbij in sentimentaliteit te vervallen. Een andere gunstige eigenschap van haar interpretaties is dat zij de muziek voor zich laat spreken, zonder daar een al te persoonlijk stempel op te drukken. Dat kwam mooi tot uiting in de Vierde ballade in f klein, die bij vlagen dramatisch was en waar zij naar een duidelijk culminatiepunt toe werkte. De laatste, bijna onspeelbare, bladzijden worden voorafgegaan door een stilte en vijf akkoorden. Chopin schrijft daarbij voor dat deze stilte zonder pedaal gespeeld moet worden, waar lang niet elke pianist zich aan houdt, waarschijnlijk uit angst dat het publiek in een voortijdig applaus losbarst. Gelukkig hield Fedorova zich hieraan en de wijze waarop zij de coda speelde, was indrukwekkend.

Na de pauze speelde zij vier van de Lyrische Stücke van Grieg, die je nauwelijks tijdens concerten hoort, al behoorden drie hiervan juist tot de meest gespeelde. Het eerste, Ensom vandrer (eenzame wandelaar), opus 43 nr. 2, was poëtisch, het tweede, Troldtog (de trollenmars) opus 54 nr. 3, licht en evocatief, je zag de trollen bij wijze van spreken voor je. In de Nocturne opus 54 nr. 4 liet zij haar toon mooi opbloeien en Smatrold (Puck) opus 71 nr. 3 vormde een levendige afsluiting.

 

 

Ten slotte stond Carnaval opus 9 van Schumann op dit overwegend romantische programma. Hierbij gaat het niet alleen om muziek die in technisch opzicht het uiterste vraagt met aardsmoeilijk passagewerk, maar die voor elke pianist bovendien in muzikale zin een test vormt. Net als bij de Davidsbuendlertänze, Papillons, Kreisleriana en Bunte Blätter bestaat Carnaval uit korte, elkaar opvolgende fragmenten die steeds van stemming wisselen. Dat verlangt van een pianist een uiterst lenige geest en inlevingsvermogen.  Schumann verwerkt in deze cyclus ook zijn twee alter ego’s Florestan en Eusebius, die Fedorova beurtelings verstild en vluchtig neerzette. Zij toonde een bewonderenswaardige technische beheersing, al leek zij zich in Pantalon en Colombine even te vergissen. Het viel nauwelijks op, omdat zij dit vaardig oploste. Het moeilijkste onderdeel, Paganini, speelde zij in hoog tempo en in Aveu troffen het intieme karakter en haar pianissimo’s. De Marche des Davidsbuendler contre les Philistins had allure en miste zijn uitwerking niet. Als toegift klonk enigszins onverwacht de Rituele vuurdans uit ‘El amor brujo’ van de Falla. Deze bracht zij met het nodige temperament, al herkende ik het slot met glissandi niet.

Willem Boone

You May Also Like

Bach om stil van te worden op Brussels Gitaarfestival

Smackgirls winnen het vierde Goodmesh Concours

‘Vegetarische’ Siegfried van Karina Canellakis maakt toch indruk op de ZaterdagMatinee

Nelson Goerner: pianist bij wie alles in balans is