Herbert Blomstedt (95) en Janine Jansen (45) vinden elkaar in Mozart

Concert: Vierde symfonie in Es ‘Romantische’ van Bruckner, Vierde Vioolconcert in D, KV 218 van Mozart. Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Herbert Blomstedt m.m.v. Janine Jansen, viool. Gehoord: 19/1, Grote Zaal, Het Concertgebouw, Amsterdam

Door Wenneke Savenije

 

Ook in de muziek hangt alles met alles samen. De muzikale belevingswereld van de dirigent moet kunnen samenvloeien met die van de solist en vice versa, anders wordt het niets. In het geval van de beminnelijke en genereuze Herbert Blomstedt, die ondanks zijn lichamelijke kwetsbaarheid nog altijd zo’n 80 concerten per jaar dirigeert, en de briljante en onstuimige Janine Jansen, die vanuit haar intuïtie muziek maakt en viool speelt alsof haar leven ervan afhangt, bleek de combinatie ideaal. De op een stoel gezeten Blomstedt benaderde Mozart met lichtvoetige eenvoud, wijsheid en mildheid, waarbij het Koninklijk Concertgebouworkest zijn tot de essentie teruggebrachte aanwijzingen liefdevol en toegenegen volgde. Daardoor kwam de kwikzilverachtige schoonheid van Mozarts geniale noten al in de sprankelende orkestinleiding tot bloei. Geen overdreven tempi, geaffecteerde articulaties of geforceerde non-vibrato passages voor Blomstedt, die genoeg vertrouwen in Mozart stelt om zijn muziek ‘gewoon’ voor zichzelf te laten spreken. En dat is een zegen in tijden waarin, gewapend met theorieboeken en oude ‘Violinschules’, rusteloos gezocht wordt naar ultieme interpretaties.

 

 

Nadat Blomstedt en het KCO op aimabele wijze de rode loper voor Janine Jansen en haar Shumsky Stradivarius uit 1715 hadden uitgelegd, kon de soliste zich omringd door liefde en vertrouwen spontaan overgeven aan haar muzikale intuïtie. Niet gehinderd door zelfs maar het geringste spoor van viooltechnisch ongemak, ging Jansen geestdriftig op zoek naar het pure karakter van Mozarts muziek. Dat deed ze met een kristalheldere en loepzuivere toon, gracieuze fraseringen en een ingetogen betoogtrant, die werd verdiept doordat Blomstedt haar van nature behoedde voor de zwiepende ‘uitschieters’ waaraan Jansen zich soms wel eens schuldig maakt uit hartstochtelijk enthousiasme voor de muziek die ze speelt.

‘Mozarts muziek vraagt om een heel open en zuivere klank, een beetje broos en licht. Hoe doe je dat op een goede manier?’, verklaarde Jansen ooit in een interview: ‘Bij Mozart maak je je om alles zorgen. Er zitten zoveel emoties in zijn muziek, maar wat hij wil uitdrukken is ook vluchtig en vaak een beetje verborgen. Het is vrolijk en ook verdrietig. Het is direct en spontaan, maar ook heel verfijnd en subtiel. En als je je bij Mozart niet ontspannen voelt, dan werkt het al helemáál niet.’  Het uniek van de combinatie Mozart, Blomstedt en Jansen was dat de dirigent en het KCO de soliste zó fundamenteel op haar gemak wisten te stellen, dat Jansens interpretatie van het Vierde Vioolconcert als vanzelf leek op te borrelen uit de magische bron van Mozarts creativiteit. De muziek klonk hemels en puur, alsof het alleen maar zó kon klinken, in al zijn eenvoud, alsof de tijd even stilstond om Mozart alle ruimte te geven, alsof Jansen godinnenvleugels kreeg aangemeten om zijn ware stem te verklanken. Van het begin tot het eind was alles met elkaar in balans, de toonvorming van Jansen was puur, fijnzinnig en zangerig, het orkest klonk fris en geanimeerd, de tempo’s waren mild en de timing en spanningsbogen van het Vioolconcert kregen een volstrekt natuurlijk verloop.

 

 

 

Met Herbert Blomstedt, Bruckner en het KCO ronddwalen in hemelse groene weidevelden  

Dat Blomstedt als zevendedagsadventist een gelovig man is en dat hij al zijn hele leven grote affiniteit heeft met de eveneens zeer gelovige Bruckner, is alom bekend. In een interview in NRC Handelsblad lichtte de Zweedse dirigent, wiens vader dominee was, een week geleden zijn primaire drijfveren toe: ‘Als kind verbijsterde het me dat de meeste andere kerkgangers weinig hadden met muziek tijdens de dienst. Hoe kon het zijn dat zij onbewogen bleven bij klanken die bij mij zulke intense emoties opriepen? Gedurende de afgelopen zeventig jaar heb ik hopelijk wat mensen voor muziek weten te enthousiasmeren. Daarbij denk ik dan ook wel: wie iets voelt bij muziek, of misschien tijdens het stiltemoment voor het slotapplaus, is even in de voorhoven van de Heer geweest.’  Die voorhoven komen ter sprake in Psalmen 84: ‘Hoe lieflijk is uw woning, HEER van de hemelse machten. Van verlangen smacht mijn ziel naar de voorhoven van de HEER. Mijn hart en lijf roepen om de levende God.’

 

 

Blomstedt is relativerend van aard, maar de gecompliceerde, verlegen en godsvruchtige Bruckner wilde niets liever dan al bij leven vertoeven in de eeuwige groene weiden van Gods voorhoven. Om de tijd te doden tot die gelukzaligheid hem ten deel zou vallen, schreef hij o.a. negen symfonieën (‘Dem Lieben Gott gewidmet’) waarin hij alvast op zoek gaat naar het huis van de HEER, die hemelse oase waar hij naar verlangde, zoals ‘een zwaluw die zijn nest vindt’ (Psalmen 84). Tegelijkertijd leed de componist aan OCD, een obsessive-compulsive disorder, die maakte dat hij dwangmatig alles wilde tellen, van de bladeren van een boom en de spijlen van een hek tot aan de punten en komma’s in een boek. Iets daarvan manifesteert zich in zijn symfonieën, bijvoorbeeld in de rusteloos stijgende en dalende notenreeksen die de strijkers vaak krijgen toebedeeld. De symfonieën van Bruckner, die mij vaak doen denken aan kolossale ‘klankschepen’ die statig en verheven door de zaal varen, houden het midden tussen magistrale constructies en majestueus klinkende hemeltaferelen. Ze fascineren en vervoeren, maar kunnen soms ook behoorlijk irriteren, al was het maar door hun lengte en pompeusheid. Daar komt het doorslaggevende belang van een goede uitvoering om de hoek kijken. En van alle nu levende dirigenten is Blomstedt bij uitstek degene voor wie het idioom  van Bruckner niet of nauwelijks nog geheimen kent, al denkt hij daar zelf anders over: ‘Een concert voelt nooit als het opwarmen van een oude interpretatie, al word ik vaak voor dezelfde stukken gevraagd, zoals nu voor Bruckners Vierde symfonie. Maar dat maakt me niets uit. Noten kun je kennen, mensen en omstandigheden zijn steeds anders. Die brengen dan ook weer nieuwe inzichten, waarover ik nadenk als ik weer alleen ben, of als ik in bed lig. In elk stuk ontdek ik nog steeds nieuwe dingen. Ik voel me elke keer een beginner.’

 

 

Verwondering en openheid zorgen ervoor dat de Bruckner- interpretaties van de door en door ervaren Blomstedt altijd weer verrassend klinken. Bijna argeloos levert Blomstedt zich uit aan de granieten pathetiek van Bruckners godsvruchtige partituren, die hij met warmte en speelse wijsheid een beetje menselijker weet te maken. Daarbij weet hij met kleine handgebaren en betekenisvolle blikken alle orkestleden te inspireren tot empathie, eensgezindheid en opperste concentratie, of het nu de strijkers, houtblazers of de in Bruckner zo belangrijke kopersectie betreft. Zonder ook maar iets te forceren geeft Blomstedt alle elementen de ruimte om te ademen en in vrede optimaal te resoneren. Dat leidde tot een imposante, ontwapende, vervoerende, uitgebalanceerde en sonore Vierde symfonie, waarin Bruckner en Blomstedt samen daadwerkelijk het publiek meevoerden naar die hemelse groene weiden waarop het zo goed toeven schijnt te zijn.

Wenneke Savenije

 

Info:

www.concertgebouw.nl

You May Also Like

Debuut Teodor Currentzis bij KCO: A Match Made In Heaven.

Rondeau en Altstaedt laten barok tot de verbeelding spreken

Nederlands Kamerkoor brengt opperste vocale verrukking

Napolitana