Imposante Brahms Marathon in twee concerten

Gehoord: Muziekgebouw aan ‘t IJ, 5 november 2022

Door Willem Boone & Wenneke Savenije

 

 

De Georgische pianiste Elisabeth Leonskaja is een graag geziene gaste bij het Muziekgebouw aan het IJ. Zij gaf al eerder indrukwekkende optredens en schrok daarbij niet terug voor uitdagingen als de laatste drie Pianosonates van Beethoven en Schubert. Op bijna 77-jarige leeftijd pakte zij ditmaal een andere uitdaging van formaat op: de drie Pianokwartetten en het Pianokwintet van Brahms, samen met het Streichquartett der Staatskapelle Berlin in twee aansluitende concerten. Brahms schreef zijn hele leven kamermuziek op hoog niveau en genoemde stukken tonen hem op zijn best. Het was zeker interessant om de Pianokwartetten te horen: het zijn schitterende stukken die helaas maar zelden – en al helemaal niet integraal – in een concertzaal klinken. Dat heeft ongetwijfeld met de bezetting te maken: er zijn slechts weinig vaste ensembles die bestaan uit vier musici, dus in de meeste gevallen gaat het of om ‘losse’ musici die elkaar voor de gelegenheid treffen of om een pianotrio met ‘versterking’.

 

 

In dit geval lag het nog weer anders: een strijkkwartet met een pianiste. Je kunt je in alle situaties afvragen hoeveel tijd de musici gehad hebben om te oefenen, meestal zal het daarbij om een of twee repetities gaan. Die vraag wierp zich op bij het als eerste gespeelde Tweede pianokwartet in A opus 26. Het is het langste van de drie met een tijdsduur van bijna vijftig minuten en het is niet gemakkelijk om juist daarmee een concert te openen. Het begint uiterst rustig met een thema dat direct aanspreekt in zijn eenvoud: de piano legt als het ware een statement neer dat vervolgens door de strijkers herhaald wordt. Het leek erop dat de musici de tempoaanduiding, Allegro non troppo,heel letterlijk namen. Zeker de pianiste hield zich in, alsof zij bang was om met een geheel geopende klep van de vleugel de strijkers te overstemmen. De indruk die ontstond was er een van spelers die niet alleen de muziek, maar ook elkaar aan het aftasten waren. De drie strijkers vormden een eenheid, maar samen met de piano kwam die nog niet helemaal tot stand. Kennelijk leidt de som der delen niet altijd direct tot een overtuigend geheel.

 

 

Leonskaja staat bekend als een ‘echte’ Brahms-pianiste en zij voerde veelvuldig zijn twee Pianoconcerten, drie Pianosonates, de Paganini-variaties en zijn latere Klavierstücke uit. Kalm  gezeten aan de vleugel kwam zij als een baken van rust over, wat zeker interessant was om te aanschouwen. Haar spel was technisch gaaf en hoewel zij met de strijkers een sfeer van intimiteit wist te creëren, wist zij de uitvoering niet tot een geheel overtuigende eenheid te vormen. Ook in het tweede deel, het poco adagio, bleef zij op de achtergrond en had de piano meer présence mogen hebben. Dat veranderde bij het trio van het derde deel, scherzo poco allegro, toen er hartstocht klonk, waarvan je meer wilde horen. Die hartstocht keerde terug aan het eind van het vierde deel, het finale allegro, waar Brahms dit stuk op een bijna bezeten manier afsluit.  Daarbij is zijn liefde voor zigeunermuziek hoorbaar. De vier musici brachten die bezetenheid op, maar veranderden niet in zigeuners.

Bij het Tweede pianokwartet speelde Wolfram Brandl de vioolpartij, bij het daarna gespeelde Eerste Pianokwartet in G opus 25 nam zijn collega Krzyzstof Specjal die voor zijn rekening. Het leek erop alsof deze wisseling meteen tot een metamorfose leidde, want de inleiding klonk vanaf de eerste noten krachtiger. Niet alleen de strijkers speelden alerter en meeslepender, ook de pianiste tapte uit een ander vaatje. Haar spel was ‘sprekender’, zij toonde meer spankracht en waar nodig greep zij diep in de toetsen. In het tweede deel, het intermezzo allegro ma non troppo, was het spel van de strijkers warmbloediger. De klank bloeide op en de vier musici lieten hun vangnet los. Het laatste deel, Rondo alla Zingarese, werd het voorspelbare hoogtepunt van de uitvoering. Juist doordat de spelers hun remmingen loslieten, veranderden zij alsnog in vier zigeuners die zich met beschaafde gretigheid op de muziek stortten. Aangevoerd door Leonskaja brachten zij dit Rondo tot een zinderend slot. Het was de ideale manier om dit eerste concert af te sluiten.

Willem Boone

 

’s Avonds werd het concert vervolgd met het complexe, duistere en onstuimige Derde pianokwartet uit 1873-1875 en het onnavolgbaar krachtig en meeslepend gecomponeerde Pianokwintet uit 1861-1864. ‘Op het omslag moet u een plaatje zetten, namelijk van een hoofd met een pistool ertegen gedrukt’, schreef Brahms in 1875 naar aanleiding van zijn Derde pianokwartet aan zijn uitgever: ‘Nu kunt u zich iets bij de muziek voorstellen! Met dit doel zal ik u mijn foto sturen!’ De romantici hielden van zwarte humor, maar hier was meer aan de hand. Brahms vereenzelvigde zichzelf tot op zekere hoogte met de jonge Werther uit Goethe’s Das leiden des jungen Werthers, het beroemdste ‘cult’ boek van de 18e eeuw. Daarin pleegt de steevast in een blauwe jas en geel vest geklede jonge hoofdpersoon, die hevig verliefd is op Lotte die zijn liefde niet kan beantwoorden omdat ze al een verloofde heeft, uiteindelijk zelfmoord door zich door zijn hoofd te schieten. Niet dat Brahms zoiets van plan was, maar hij had het wel nog altijd moeilijk met zijn nooit geconsumeerde liefde voor Clara Schumann. Zij wilde haar in 1856 in het gesticht gestorven man niet afvallen, terwijl Brahms zijn vriendschap met wijlen Schumann niet wilde verloochenen. Toen deze nog leefde en Brahms net met het echtpaar Schumann bevriend was geraakt, had hij al eens een eerdere poging ondernomen om zijn verwarrende gevoelens uit te drukken in een onstuimig pianokwartet, dat hij nooit had durven publiceren. Nu herschreef hij het werk uit die tijd, zette het in een andere toonsoort en voegde er twee nieuwe delen aan toe. Aan een vriend schreef Brahms: ‘Het pianokwartet is een curiositeit -misschien een illustratie van het laatste hoofdstuk over de man in de Blauwe Jas en het Gele Vest’, oftewel de hevig lijdende jonge Werther. Brahms zelf was op het moment dat hij aan het stuk begon al veertig en een zekere ironie om zijn diepe en heftige gevoelens in elk geval in taal te kunnen beteugelen was hem niet vreemd, maar in de muziek borrelden ze alsnog naar de oppervlakte.

 

Het Derde pianokwartet zit vol verwijzingen naar o.a. Clara. Dat Brahms de oorspronkelijke toonsoort cis klein veranderde in C klein had ook zo zijn redenen. Cis mineur was de toonaard die in de ogen van Brahms stond voor de suïcidale, onbeantwoorde liefde. C mineur was voor hem de toonsoort van Beethoven die stond voor de heroïsche strijd. Brahms gebruikte de fusie van deze twee harmonische centra als een middel om het krachtige muziekdrama dat zich afspeelt binnen de formele grenzen van dit pianokwartet weer te kunnen geven. Met als gevolg schitterende en schrijnende muziek vol contrasten die, nu Wolfram Brandl opnieuw de eerste viool speelde, helaas een beetje te ingetogen en voorzichtig klonk. Niet dat de gewetensvol musicerende Brandl geen fraaie gepolijste toon weet te produceren, maar zijn precieze en enigszins ingekapselde spel mist de energieke drive en in zekere zin de ‘gekte’ van de vrijheid en grenzeloze onstuimigheid, waardoor ook de andere musici ineens weer wat minder vrij gingen spelen. Met als gevolg dat de harstochten zeker vanuit de vleugel – waar Leonskaja haar gevleugelde armen spreidde als een reusachtige moederkip, een positie van waaruit ze haar onstpannen handen en trefzekere vingers elegant heen en weer liet ‘vliegen’ over de toetsen – wel opflakkerden, maar bij de strijkers op een laag pitje bleven sudderen in plaats van vurig, woest en hartverscheurend rond te razen. Fascinerend om te beluisteren hoe fragiel de wisselwerking en balans tussen verschillende musici is en hoeveel een plaats verwisseling van de violen kan uitmaken bij het klinkende resultaat! Het klonk zeker mooi, maar soms ook nog wat te geremd en voorzichtig.

 

 

Weer veel overtuigender klonk daarna het magistrale Pianokwintet, waarbij Krzysztof Specjal nu als tweede viool zijn naam eer aan deed door – waarschijnlijk deels onbewust- met zijn natuurlijke muzikaliteit en aanstekelijke schwung de andere strijkers spontaan uit hun ‘verstarring’ te halen, zodat de muziek niet alleen vanuit de vleugel maar nu ook weer bij de strijkers werkelijk begon te stromen. Zo ontvouwde het aanvankelijk door violist Joseph Joachim nog van sommige grofheden betichtte Pianokwintet uit 1860, dat de nog jonge Brahms herzag en pas drie jaar later durfde uit te brengen, zich tot het absolute meesterwerk van de avond. Alle melancholie, onvervulde verlangens, angsten, demonen, wanhoop en tragiek van dit sombere maar schitterende werk, dat vaak wordt beschouwd als de ‘kroon op de kamermuziek van Brahms’, voegden zich organisch, woest stromend en soms meditatief aaneen tot een ode aan de onstuimige liefde, edele hartstochten en eeuwige schoonheid. Daardoor betoverd wierpen Leonskaja en het Streichquartett der Staatskapelle Berlin alles in de strijd om te getuigen van de grandioze vorm en inhoud van dit meesterwerk van Brahms.

Wenneke Savenije

 

Info:

https://www.muziekgebouw.nl

 

 

 

You May Also Like

Klaus Mäkelä – een grote maestro met meer in petto

De soundtrack van een circusvoorstelling

Debussy van Jean Yves Thibaudet mist warmte

Verfijnd spel door koor en orkest Les Arts Florissants