Klaus Mäkelä – een grote maestro met meer in petto

Het Koninklijk Concertgebouworkest vertolkte deze week enkele concerten onder leiding van de aanstaande chefdirigent Klaus Mäkelä. Driemaal ging daarbij hetzelfde bijzondere programma, waarin het Requiem van Mozart gecombineerd werd met de sombere Vierde symfonie van Jean Sibelius. Het laatste werk werd, ditmaal aangevuld met het beroemde symfonisch gedicht De Zwaan van Tuonela, ook eergisteravond vertolkt in de serie Essentials, waarin ‘meesterwerken die je gehoord moet hebben’ (aldus de website van het orkest) worden gespeeld in een programma zonder pauze met een borrel achteraf.

Voor mij persoonlijk smaakte deze eerste ‘live’ kennismaking met Mäkelä zeker naar meer – ook al overtuigde zijn Sibelius mij niet volledig. Evident is namelijk dat deze maestro een echte ‘verhalenverteller’ is. Dat is alleen al te lezen in zijn gebaar, dat geen moment eenvormig of routineus is, maar zich steeds richt op de vorm en het karakter van de frase die gespeeld wordt en de klank die Mäkelä daarbij zoekt. Je zult je als musicus of luisteraar niet gauw vervelen met een dirigent die de muziek zoveel zeggingskracht geeft.

Het verhaal dat Mäkelä eergisteren te vertellen had kwam niettemin pas later echt op gang. Waar kleur en karakter zijn aandacht nog te zeer in beslag nemen, mist bij deze jonge maestro nog de grip op de meer epische proporties. Juist in deze symfonie neemt Sibelius gigantische risico’s door zijn betoog al in het eerste deel te ontbenen tot een minimum aan verstilde gegevens zoals geïsoleerde, soms unisono gepresenteerde melodieflarden, solitaire motieven en dergelijke. Deze reiken het nog ongedefinieerde celmateriaal aan, dat pas gaande het werk door combinatie en splijting aan betekenis wint. Aanvankelijk is het dan nodig om er soms weinig of niets mee te willen doen, zodat het materiaal hooguit verwachting wekt en soms slechts geregistreerd wordt. Kale, zakelijke precisie – en met name ritmische precisie – is daarbij van groot belang.

Door Sibelius’ stemmige orkestraties neigen vertolkers ertoe zijn muziek vaak in de stijl van Wagner te vertolken, terwijl een goede blik op de nauwkeurige notatie en detaillering van zijn composities verraadt dat je hem eerder in de richting van Stravinsky zou moeten trekken. Klaus Mäkelä nam enorme risico’s door zeker in langzame delen, maar soms ook in snelle, behoorlijk ver op de klinkende tel vooruit te slaan. Enerzijds kan je hierdoor in je slag een maximum aan karakter stoppen. Anderzijds laat je het orkest ook vrij in het kiezen van het gelijktijdige moment. Nu kan het Concertgebouworkest die vrijheid makkelijk aan want de superieure musici kunnen er ook expressief het nodige mee, maar dat wil niet altijd zeggen dat je uit meer exactheid op termijn geen grotere winst zou kunnen behalen. Puls en plaatsing binnen die puls kan de duiding van een frase sterk beïnvloeden en levert in de symfonieën van Bruckner en Sibelius draagkracht voor de grotere spanningsboog.

Maar ook al kwamen Mäkelä, Sibelius en zeker een toch wat bleke De Zwaan van Tuonela eergisteren misschien nog niet volledig uit de verf, de luisteraars bleven geboeid. De groeiende attentie van het publiek verhoogde de spanning in de zaal aanzienlijk. De wisselwerking maakte de live ervaring des te pakkender. En dus greep Mäkelä zijn kans zoals alleen grote maestro’s dat doen en sleurde hij orkest en luisteraars in de laatste twee delen van de Vierde symfonie alsnog mee. Zodat hij de zaal uiteindelijk terecht aan zijn voeten kreeg.

Elger Niels

foto: Marco Borggreve / PR Concertgebouworkest

You May Also Like

Debuut Teodor Currentzis bij KCO: A Match Made In Heaven.

Rondeau en Altstaedt laten barok tot de verbeelding spreken

Nederlands Kamerkoor brengt opperste vocale verrukking

Napolitana