Liefdevolle Koningskinderen bij DNO sterven wanhopig en desolaat

KÖNIGSKINDER – Engelbert Humperdinck (1854-1921)

‘De dood kan niet komen, want ik houd van je…’

Gehoord: 6 oktober, Nationale Opera & Ballet, Amsterdam

Door Peter Schlamilch

 

 

‘Waar zijn mijn grote plannen? Waar is de 3-delige symfonie, mijn levensideaal? In plaats daarvan zit ik Parsifal-echo’s te schmieren.’ Een vertwijfelde overpeinzing van Engelbert Humperdinck (1854 –1921), de componist van het overbekende Hänsel und Gretel, maar wiens zelden gespeelde Königskinder afgelopen donderdag in première ging bij DNO, zoals velen de Nationale Opera & Ballet nog liefkozend blijven noemen.

Humperdinck was een groot Wagner-vereerder en was diens muzikale assistent in Bayreuth, waar de grote meester zijn Parsifal net voltooid had. Wagner, die, in de woorden van Humperdinck, stemmingen als ‘wisselende windkracht met kans op neerslag’ bezat, waardeerde zijn jongere collega uitermate en zag in hem een grote belofte voor de toekomst. Hij accepteerde zelfs een aantal extra maten in de geniale Verwandlungsmusik uit Parsifal, omdat de regie bij de première tijd te kort kwam om de decorwisseling te voltooien. Goddank zijn die maten later weer uit de partituur verdwenen, maar het geeft de innige band tussen beide componisten aan. Toen er weer eens extra maten muziek aan Wagner werden gevraagd om de regie te helpen, riep Wagner zelfs half-schertsend: ‘Moet ik nu soms per meter componeren? Vraag dat maar aan Humperdinck; die componeert als de duivel!”

De muzikale crisis waar de zeer gewetensvolle Humperdinck, een zachte, wat naïeve man, zich in bevond na de dood van Wagner was compleet: niet alleen het bovengenoemde citaat stamt uit die tijd, maar ook vindt hij moeizaam zijn weg in de muzikale wereld: voor een Wagner-adept sloten zich vele deuren in het muziekleven van de tweede helft van de 19e eeuw, omdat de tegenstanders van deze ‘onreine, lelijke’ muziek machtig en talrijk waren. Humperdinck wilde onder geen beding zijn trouw aan Wagner verloochenen, maar worstelde om zijn eigen stijl te vinden, wat hem uiteindelijk grandioos is gelukt, hoewel de klanken van Mahler, Strauss, Tosca, Manon Lescaut en natuurlijk Wagner altijd op gehoorsafstand vertoeven.

 

Het is waarschijnlijk het element van sociale uitsluiting dat de componist aan den lijve had ervaren, dat hem fascineerde in het verhaal van de beide Koningskinderen, die elkaar goedbedoelend en overstromend van liefde vinden in onmogelijke sociale omstandigheden. Met de allerhoogste idealen over politiek en liefde willen ze de wereld mooier maken, maar de maatschappij om hen heen kent weinig anders dan afwijzing, verstoting en haat, geniaal in beeld gebracht door de uiterst verfijnde maar toch zeer menselijke regie van Christof Loy. Loy houdt niet alleen de grote lijn schitterend vast, zoals het haast klassiek spiegelen van elementen uit de 1e akte in de 3e (zoals een simpele bijzaak als de figurant die ook de tweede keer in de vensterbank zit), ook de details zijn tot in de finesses uitgewerkt, zoals het ijs onder de kraan in de strenge winter van de slotakte, natuurlijk ook een verdienste van de prachtige decors van Johannes Leiacker, die ook voor een werkelijk oogstrelend mooie lindeboom tekende. De prachtige kostuums van Barbara Drosihn zijn minstens even fraai.

Ook Loys personenregie is van adembenemend niveau, en is de gehele voorstelling door een lust voor het oog: de hoofdrollen, de koorleden, het prachtig zingende kinderkoor, de figuranten, het prachtige ballet en de solovioliste op het toneel (fenomenaal gespeeld door Camille Joubert): alles is even mooi doorleefd, elk personage kent zijn plaats in het geheel en is betrokken bij elk moment van de handeling, of hij nu aan de goede of slechte kant ‘van de geschiedenis’ staat. Een vrijwel ideale regie, niet opdringerig modern of ‘actueel’, zoals we dat al te vaak zien, maar ook niet hopeloos gedateerd; zo moet een regie er in het hedendaagse operabedrijf uitzien: warm, gepassioneerd en zeer muzikaal, zonder ooit opdringerig of uitleggerig te worden. ‘Actuele regies’ interesseren de meeste operaliefhebbers sowieso al zelden: we kennen alle actuele problemen al uit de krant en we komen naar het theater om ons aan universele waarden te herinneren.

 

We hopen deze regisseur nog heel vaak terug te zien in Amsterdam, en dan hopen we ook dat hij de spuuglelijke belichting kan wijzigen, die belichting die veel producties in Amsterdam kenmerkt: die van continu wit tl-licht, dat de gehele voorstelling door nauwelijks verandert en na een kwartier al pijn aan de ogen doet. Moet de zomerse ontmoeting met je grote liefde uitgelicht worden als een tandartspraktijk? We zijn in een bos, en daar schijnen ook andere dan witte kleuren te heersen. Sterker nog: wit licht bestaat in een bos vrijwel niet, en bovendien verandert het licht er met de stand van de zon.

Ook de vroege morgen op het dorpsplein is belicht als een Jan des Bouvriewoning: ietsje grijzer dan de lichtstand van de eerste akte, maar even lelijk, onaangenaam en vooral: onromantisch. Deze schitterende productie wordt er voor een groot deel mee om zeep geholpen, voorwaar een prestatie, want aan de musici ligt het niet en het verhaal heeft ook niets klinisch: de twee hoofdpersonen vinden elkaar in hun diepste liefde, herkennen elkaar als zielsverwanten en vluchten voor de toorn, spot, haat en domheid van de wereld, die er in overvloed is: alles hebben ze voor elkaar over, laten elkaar niet los en sterven uiteindelijk beiden voor hun liefde, die ze niet kunnen verwezenlijken in de echte, kille wereld, waar het inmiddels winter is geworden en waar het afschuwelijke, witte licht wél een functie had kunnen hebben: twee mensen tegen de achtergrond van de kilte en het onbegrip van de maatschappij, die niets dan ijzigheid en onverschilligheid kan opbrengen.

 

Ook aan het orkest ligt het niet: het Nederlands Philharmonisch Orkest speelt met een prachtige toewijding, en, alweer, een betrokkenheid die goed past bij deze muziek, waarin Humperdinck inderdaad uiteindelijk zijn eigen stijl heeft gevonden. Een stijl die, zoals gezegd, weliswaar aan veel doet denken, maar toch eigen is en uniek: een bescheiden Wagner, zou je kunnen zeggen, als die twee woorden al in één zin zouden passen. Der fliegende Holländer komt even letterlijk voorbij, en de openingsmaten en het Dresdner Amen uit Parsifal, de opera die Humperdinck hielp instuderen in Bayreuth en tevens Wagners grootste opera, en waarschijnlijk die van het complete operarepertoire. Ook Tristan en de Siegfried-Idyll komen even voorbij, plagiaat wordt het absoluut nooit: een eerbetoon, vluchtig en voor de kenners, meteen gevolgd door weer originele muziek met moderne harmonieën, maar nergens té modern, prachtige instrumentatie, maar nergens het genie van zijn grote voorbeeld benaderend, zachte melodieën, maar nooit te makkelijk in het gehoor liggend… nee, Humperdinck is een onderschatte componist, en DNO deed er goed aan deze opera eens af te stoffen en hernieuwd te presenteren aan het publiek.

Een gewaagde keuze, want er kan maar één titel per maand geprogrammeerd worden, en er is zo verschrikkelijk veel repertoire, dat een misslag vreselijke consequenties kan hebben. En wie na de eerste paar aanstekelijke minuten van de ouverture al snel merkte dat de kwaliteit van de partituur flink instortte, kon slechts het ergste vrezen: 3 uur lang naar matige muziek luisteren is voor niemand een pretje, hoe mooi gezongen ook. Maar gelukkig neemt de muziek na een goed half uur een verrassende wending: de eindeloze zeurdialogen verdwijnen, de melodieën gaan stromen en het orkest kan gaan zingen, eigenlijk de opbouw van Parsifal zelf, zij het natuurlijk op een heel ander niveau. Parallellen met Parsifal werken in de hele opera door: waar Wagners hoofdpersoon leert liefhebben en medelijden te voelen, zegt de prins in Königskinder het omgekeerde: ‘Ik leerde bang te zijn,’ een klein maar huiveringwekkend moment voor wie de analogie opmerkt. Waar Parsifal eindigt met het opperste geluk, eten de Koningskinderen van het vergiftigde brood dat even gelukkig maakt maar dan de dood brengt: de ‘kinderen’ sterven op dezelfde plek waar ze elkaar gevonden hebben, ook al verzuchtte het meisje eerder: ‘De dood kan niet komen, want ik houd van je…’

 

Als, halverwege de 1e akte, de heks, uitstekend gezongen én gespeeld door de Duitse mezzosopraan Doris Soffel, dan eindelijk verdwijnt is het tijd voor de liefde… beide Koningskinderen vinden elkaar onder de lindeboom. Het eenvoudige ganzenhoedstertje, schitterend gezongen door de Oekraïense sopraan Olga Kulchynska, straalt met haar jeugdige stem over het bij vlagen wat te luid begeleidende orkest heen alsof het geen moeite kost en we horen niet alleen haar diepe eenzaamheid, haar wanhoop en drang naar vrijheid en liefde, we vóelen die ook, ondanks de eeuwige tl-balken waaronder de enorme liefdesexplosie zich voltrekt.

Haar geliefde, de jager die haar bekent eigenlijk een prins te zijn en met haar zijn koninkrijk te willen delen, wordt vertolkt door de lyrische Duitse tenor Daniel Behle, en hij doet dat met verve. Zijn heerlijke subtiele maar toch doordringende stemgeluid vult de zaal en ook hij zingt én acteert, net als Kulchynska, op zo natuurlijke en overtuigende wijze dat je soms even vergeet dat het operazangers zijn, een prachtige ervaring die je niet altijd hebt in het operabedrijf.

 

 

Ook alle andere rollen worden uitstekend vertolkt; van de Speelman (de geweldige bariton van Josef Wagner), de Houthakker en de Bezembinder (beiden sterk gezongen en geacteerd in de miezerige slechtheid van hun personages), de komische Henk Poort (Raadsoudste) en Roger Smeets (Herbergier) en alle andere kleinere rollen: uitstekend gespeeld, gezongen én: gecast.

Dirigent Marc Albrecht, die na zijn chefdirigentschap bij DNO gelukkig weer als gast optreedt in Amsterdam, maakt de Wagnercirkel rond: hij vindt vrijwel altijd de exact juiste, vloeiende tempi voor een soepel en natuurlijk verloop van het muzikale verhaal, hij weet zijn orkest altijd de juiste combinatie van duidelijkheid en vrijheid te geven, neemt zijn zangers soepel mee zonder ze te laten ‘zwemmen’ en vindt vrijwel altijd de juiste balans tussen zangers en orkest. Enkele momenten hadden nog wat verstilder en poëtischer mogen zijn, juist daar waar Humperdinck het even laat afweten. Zo klonk de eerste grote liefdesverklaring tussen de beide Koningskinderen iets te afstandelijk, ook omdat het juist dan in de muziek aan die magische Wagnermomenten ontbreekt. Maar juist op die momenten moet de dirigent de magie creëren die de partituur ontbeert.

De verstilde, intieme en hartverscheurend mooi gezongen én gespeelde sopraanaria ‘Vater, Mutter’ was echter niet alleen één van de hoogtepunten van deze voorstelling, maar misschien wel van het hele seizoen, dat nog nauwelijks is begonnen, en zo waren er vele prachtige momenten. Een groot compliment aan zangeres, dirigent en orkest.

 

 

Deze voorstelling is een waardige ode aan de operakunst, aan het vergeten werk van Humperdinck en aan de eeuwige liefde die erin bezongen wordt, ook al overwint het kwaad, tegen alle verwachtingen in. Een voorstelling die iedereen moet gaan zien en beluisteren, maar neem wel een zonnebril mee!

Peter Schlamilch

You May Also Like

Klaus Mäkelä – een grote maestro met meer in petto

De soundtrack van een circusvoorstelling

Debussy van Jean Yves Thibaudet mist warmte

Verfijnd spel door koor en orkest Les Arts Florissants