Maria Joào Pires – de oneindige reikwijdte van het kleine gebaar

Al of niet post-COVID, al of niet in de Grote Zaal van het Concertgebouw, weet Maria João Pires een concertzaal tot de nok toe te vullen met een, voor klassieke muziek, ongewoon divers publiek dat haar komst vol verwachting tegemoet ziet.

Sommige bezoekers zullen gisteravond in Amare de adem hebben ingehouden toen het duurde en duurde voordat de pianiste kwam opdagen. Had Pires haar komst dit jaar niet al eerder uitgesteld? Net toen de spanning toch wel een tikje begon te snijden, zwaaiden rechts van het podium de deuren open en daar was ze dan, onthaald door groot applaus van het gelukzalige publiek en aan de arm van Friso Verschoor – ooit Marco Riaskoffs rechterhand en nu zelf directeur van World Master Pianists. De impresario vertelde dat op de vierde verdieping een brandalarm was afgegaan en dat er in allerijl werd gewerkt om het softwarematig euvel op te lossen dat de bediening van de verlichting verhinderde. ‘Maar’, zo eindigde hij zijn apologie, ‘wij blijven hier totdat de zaallichten doven en mevrouw Pires alsnog zal optreden.’ Nauwelijks daarna doofden de lichten inderdaad. Alleen boven de kleine, tengere gestalte van de pianiste strooiden de spots een schijnsel dat in haar eenvoudig, kort geknipte, witgrijze kapsel een engelachtige aureool uitlichtte.

Wat is het wonder van Pires’ aura? Wat maakt zo veel mensen, zo nieuwsgierig? Het antwoord is schijnbaar eenvoudig – maar op het grote podium tegelijk ook onwaarschijnlijk moeilijk: Pires weet de wereld ongelooflijk klein te maken, om vanuit die kleine amplitude eindeloze nuances te duiden, die ver voorbij het onvolmaakte en eindige naar zingeving en troost reiken.

Ze is geen podiumdiva, geen priesteres of dichter, maar eerder chansonnière die bij iedere luisteraar met elk lied onwillekeurig een snaar raakt. Inderdaad is haar sterkste pianistische kwaliteit het vermogen om het instrument te laten zingen – niet ‘grootsch en meeslepend’ uit volle borst, maar bezield en ontwapenend – voor iedere luisteraar alleen.

Uit de overbekende Kinderszenen destilleerde ze gisteren niet zozeer Robert Schumanns verlangen naar een gedroomde kindertijd, maar opende ze met moederlijke wijsheid en genade de armen voor het kind dat Schumanns muziek in ons wekt. En dat zonder grote toon of groot vertoon, maar met een onwaarschijnlijke weldaad aan schakeringen en versluieringen binnen een klein bereik, waarin het hele universum zich openbaart.

De kracht van het kleine gebaar is dat je er als luisteraar naartoe moet om het waar te nemen: en voor je het weet is je aandacht volledig gevangen, is de wereld buiten nergens meer en spreekt enkel en alleen de muziek. Ook in Schumanns Arabesk – als toegift.

Daarbij beheerst Maria João Pires de kunst van de beperking niet alleen in het gebruik van dynamiek, maar ook in het repertoire dat ze vertolkt. Mozart, Schubert, Chopin en Schumann. Beethoven ligt misschien zelfs al iets verder weg en leent zich in essentie wellicht ook minder voor de empathie van Pires’ aanpak. Toch was het langzame deel uit de Pathétique hartveroverend. Want Pires raakt in Beethoven beslist het sensitieve, ook al mist dan het ongenaakbare en sublieme.

Maar juist het sublieme in het langzame deel uit Schuberts Pianosonate D960 weet Pires als geen ander aan te spreken: in de verhouding tussen zang en zwijgen, tussen voortgang en stilstand, tussen mineur en majeur krijgt alles betekenis, zonder dat de maatslag overmatig wordt verzwaard. Dat de pianiste in dit fysiek uitputtende werk niet alle noten volledig in haar macht had, deerde niet. Tot op zekere hoogte ontroerde het zelfs. Omdat we er eens te meer door beseften dat die kleine, frêle dame aan die lange vleugel in die enorme zaal ons gisteren in vriendschap iets ongelooflijk wezenlijks en waardevols toevertrouwde dat we altijd bij ons zullen dragen.

Elger Niels

Gehoord: 12 juni 2023, Concertzaal Amare

 

You May Also Like

Splendors muzikale circus verovert alle harten in Carré  

Klaus Mäkelä inspireert Concertgebouworkest tot gloedvolle Mahler III

Edmond Fokker van Crayestein: ‘De viool is mijn rode draad’

Muze van Zuid & Klassiek op het Amstelveld kleuren het muziekleven in Amsterdam