Met Bach, Pychon en Pygmalion naar Lübeck

 

Gehoord: 8 april, Muziekgebouw aan ’t IJ, Amsterdam

Door Wenneke Savenije

‘De definitieve wording van een fenomeen’ luidde de ondertitel van het laatste deel van het Bach-drieluik waarmee de tot geniaal bestempelde Franse dirigent Raphaël Pychon en zijn ensemble Pygmalion het Muziekgebouw aan ’t IJ aandeden. Op ‘De vaders van Bach’ (over Bachs muzikale stamboom en zijn muzikale inspiratiebronnen daarbuiten) en ‘De meesters van Bach’ (de belangrijkste muzikale invloeden uit Bachs jonge jaren), volgde op de zaterdag voor Pasen het afsluitende deel ‘Naar Lübeck’, geïnspireerd op de avontuurlijke en leergierige ontdekkingsreisreis van de jonge Bach naar de stad waar Dietrich Buxtehude (1637-1707) als organist en componist de muzikale scepter zwaaide. Voorafgaand aan de dag waarop Jezus traditiegetrouw opstijgt naar de hemel, steeg de muzikale trein van Pychon ook hemelwaarts door op te lossen in het begin en einde van alle muziek: Johann Sebastian Bach (1685-1750).

Pychon en zijn ensemble gaan ook zelf nog de voettocht maken, die de jonge organist Bach met toestemming van het plaatselijke kerkbestuur vanuit Arnstadt ondernam, om na een voettocht van 450 kilometer zijn licht op te steken bij Buxtehude, die zelf weer was opgeleid in de Noord-Duitse orgelschool die teruggaat tot Jan Pieterszoon Sweelinck en diens Duitse leerlingen. Vier weken mocht Bach wegblijven, maar eigenzinnig als hij was wanneer het om wezenlijke zaken ging bleef hij drie maanden. Dat werd hem niet in dank afgenomen, zeker niet toen het kerkbestuur merkte dat er ook nog ‘vreemde noten’ in het spel van de jonge organist waren geslopen. Maar Bach had, in navolging van o.a. Händel en vermoedelijk ook Telemann, genoeg inspiratie opgedaan om zich van die kleingeestigheid niets aan te trekken.

Terecht, zo werd duidelijk tijdens het enige J.S. Bach-werk waarmee de trilogie besloten werd: de cantate Christ lag in Todesbanden BWV 4, gecomponeerd voor de eerste paasdag: wat een muzikale openbaring, zoals eigenlijk alle muziek van Bach dat is door de religieuze diepgang, de sublieme structuur, de gelaagdheid en de kosmische zeggingskracht ervan. In dit vroege werk vonden ook het koor, de vocale solisten en orkestleden van Pygmalion elkaar in een ultieme wisselwerking met Pychons Bach-liefde en zijn heldere visie op diens jeugdige partituur. Hier klonk louter verheffende schoonheid van de hoogste orde, Soli Deo Gloria.

 

 

Bach zelf schijnt dol geweest te zijn op de muziek van zijn voorvader Johann Christoph Bach (1642-1703), die hij ‘de diepzinnige componist’ noemde. Diens cantate Es erhub sic hein Streit handelt over het gevecht dat de hemelse engelenlegers o.l.v. aartsengel Michael leverden met de draken en demonen, en is uitzonderlijk origineel van opzet. Hoewel de strijkers, blazers en zangers van Pygmalion hun best deden het strijdlustige karakter van het geheel uit te laten komen en de paukenist in zijn eentje een heel trommelend leger leek te verbeelden, kwamen teksten als ‘De grote draak werd op de aarde gegooid. Hij is de slang van weleer, die duivel of Satan wordt genoemd en die de hele wereld misleidt’ wat tam uit de verf.  Al werd er goed gezongen en gespeeld, er kleefde iets routinematigs aan het geheel.

 

 

 

Niet in de laatste plaats dankzij de indringende zang van de fantastisch mezzosopraan Lucile Richardot, gevolgd door de uitstekende vocale prestatie van bas Manuel Walser, maakte de daaropvolgende Profundis Clavis van Nikolaus Bruhns (1665-1697) een diepzinniger indruk.

 

 

Nog meer op stoom kwamen Pychon en Pygmalion in drie vrijzinnig, kleurrijk en origineel gecomponeerde kerkmuziek-stukken van de grote Buxtehude: Nimm von uns, Herr, du treuer Gott BuxWV 78 (waarin een gelovige smeekt om bevrijding van zijn angsten), Benedicam Dominum in omni tempore BuxWV 113 (een tweekorig stuk waarin cornetto, trompetten en trombones schitterende dialogen met de strijkers voeren) en Herzlich lieb hab ich dich, o Herr BuxWV 41 (gebaseerd op een koraalmelodie die Bach later zou gebruiken in zijn Johannes Passie). Nog altijd actuele teksten als ‘Behoed ons voor oorlog en tijden van schaarste, voor plagen, vuur en groot lijden’ kwamen nu met toegenomen theatrale en muzikale intensiteit goed uit de verf, zodat steeds begrijpelijker werd wat Bach in Lübeck zoal te zoeken had. Het zou goed kunnen dat Bach daar de uitgevoerde cantates van Buxtehude persoonlijk heeft gehoord, tijdens een van de grote spektakels met talloze zangers en musici die Buxtehude organiseerde om allerlei soorten muziek, van kamermuziek tot grootschalige meerkorige werken met veel blazers, in Lübeck tot klinken te brengen. In de loop van de avond wisten ook de uit het koor naar voren tredende sopranen Maïlys de Villoutreys en Perrine Devillers, bas Renaud Brès en tenor Rondepierre veel indruk te maken, waarbij ze van Pychon en zijn ensemble alle ruimte kregen om de muziek te laten ademen en stromen. Ook de orkestleden musiceerden alert en levendig, al schortte het hier en daar aan de juiste intonatie. Al met al is het te hopen dat Pychon, voor wie Bach gelijk staat aan God, zijn Bach-reizen zal vervolgen.

 

Wenneke Savenije

 

 

 

 

 

 

Info:

https://www.muziekgebouw.nl/agenda/themas/572/De_wegen_van_Bach_22_23

You May Also Like

Goddelijke hysterie in Mahler VII

Lugansky brengt Rachmaninoff op ijzersterke wijze tot leven

Alexander Scriabine – 12 Etudes opus 8

Donizetti’s opera Maria Stuarda