Nieuwe Rachmaninoff titels in Henle’s Urtext

Sinds Rachmaninoffs muziek in Europa niet langer onder auteursrecht staat, is G. Henle Verlag begonnen met het vervaardigen van Urtext-uitgaven van zijn muziek. Over de afgelopen jaren bespraken we ondermeer uitgaven van de Morceaux de Fantaisie opus 3, de Preludes (opus 3, 23 & 32) de Etudes-tableaux opus 33 & 39, de Tweede Pianosonate opus 36 en de Corelli-variaties opus 42. Een nieuwe lichting uitgaven omvat de Moments-musicaux opus 16 voor pianosolo en klavieruittreksels van het Tweede en Derde pianoconcert alsmede de Rapsodie op een thema van Paganini.

Nu is een Urtext in het geval van Rachmaninoff toch van wezenlijk andere waarde dan bijvoorbeeld in het geval van zijn tijdgenoot Scriabine, of van voorgangers als Beethoven en Chopin. Rachmaninoff oefende al snel strikte controle op de uitgave van zijn muziek. Al omstreeks zijn afstuderen werd hij beschouwd als een groot talent. Zodoende kreeg hij zelfs een contract van een uitgever aangeboden. Toen zijn Prelude opus 3 nr.2 een wereldwijde hit werd, vestigde Rachmaninoff een nog grotere naam en kon hij omstreeks het begin van de 20e eeuw al zeer veeleisend zijn. Daarbij was hij zelf een ongelooflijk nauwkeurig proeflezer. Uit menig handgeschreven orkestpartituur blijkt dat de componist in later jaren zelfs de bladspiegel in hoge mate mee bepaalde.

Dat hij een echte controlefreak was, doet er niet aan af dat er bij de Urtext uitgave van zijn werk nog altijd redactionele kwesties spelen, die niet altijd eenvoudig te beantwoorden zijn. In dit opzicht het meest prominent zijn de coupures die Rachmaninoff in eigen werk aanbracht. In de regel betrof het dan werken die minder enthousiast onthaald werden – zoals de Tweede pianosonate opus 36 (1913) die in 1931 herzien werd, of muziek die de componist zelf al lange tijd niet had uitgevoerd. Toch stelde Rachmaninoff ook coupures voor die niet direct verklaarbaar zijn – zoals enkele in zijn vroeg populaire Tweede Symfonie opus 27 en het destijds minder geliefde, maar ook toen al met regelmaat vertolkte Derde Pianoconcert opus 30.

Dit alles zorgt ervoor dat je als editeur van een Rachmaninoff-Urtext je werkwijze voortdurend moet aanpassen. Er is niet één vaste aanpak, die je negen van de tien keer kunt toepassen. Het is Henle’s editeur Domenik Rahmer in het geval van de Moments-musicaux opus 16 direct opgevallen dat er verhoudingsgewijs veel onnauwkeurigheden te vinden waren in de eerste uitgave van het werk. De correctie daarvan is grondig ondernomen en toegelicht in het tekstkritisch commentaar. Sommige keuzes blijven niettemin lastig. Zo zou in de eerste druk de weglating van het laatste arpeggio in Moment-musical opus 16 nr.1 maat 24 op een welbewuste aanpassing of zelfs correctie zou kunnen berusten. Domenik Rahmer voegt het in het manuscript genoteerde arpeggio wel toe. Rachmaninoffs studiegenoot Konstantin Igoemnov daarentegen, die als editeur betrokken was bij de Sovjet heruitgave, voegt het arpeggio niet toe. Ik begrijp Rahmer, maar neig Igoemnov gelijk te geven. Door de weglating ontstaat namelijk een verband met soortgelijke fenomenen aan het slot van diminuerende arpeggio-passages in Rachmaninoffs vroege werk – zoals die in de opera Aleko en het lied Zadrjemaly volny opus 15 nr.4. Dit lijkt een detail, maar in een goede vertolking is dit juist een heel markant expressief moment.

Wat betreft de uitgaven van de drie werken met piano en orkest, vallen het Tweede pianoconcert opus 18 en de Paganini-rapsodie opus 43 samen met de uitgave van orkestpartijen en -partituren van deze werken door Breitkopf & Härtel. Het klavieruittreksel van het Derde pianoconcert vermeldt een dergelijke uitgave niet. Stelselmatig is ervoor gekozen om de eerste drukuitgaven van deze werken als uitgangspunt voor de Urtext te nemen.

Een reductie van de orkestpartij werd in alle gevallen door de componist zelf voor een tweede piano vervaardigd. Bij het Tweede en Derde pianoconcert werd deze voor Henle’s uitgave aangepast door Johannes Umbreit. Dit wordt weliswaar netjes vermeld in het tekstkritisch commentaar, maar van een gedetailleerde weergave van de wijzigingen wordt afgezien. De uitgave van de Paganini-rapsodie vermeldt slechts dat Heiko Stralendorff verantwoordelijk was voor het klavieruittreksel. Wat het uitgangspunt van die verantwoordelijkheid was komt niet aan de orde. De interventies en het ontbreken van een specifieke verantwoording zijn bij gedetailleerde beschouwing misschien geen halszaak. Toch blijft het een opmerkelijk fenomeen als je bedenkt dat de vervaardiger van de oorspronkelijke klavieruittreksels een van de meest legendarische pianisten aller tijden was.

De spaarzame vingerzettingen die de componist zelf noteerde werden in alle hier besproken uitgaven aangevuld door Marc-André Hamelin. Hoewel de componist zelf dus doelbewust terughoudend was, zijn Hamelins suggesties zijn hoe dan ook interessant. Tegelijkertijd vragen Rachmaninoffs partituren veel van de handspan. In lastige passages is het daarom zaak om vingerzettingen aan de karakteristiek van de individuele hand aan te passen om zo voldoende ontspanning van de handen te kunnen garanderen opdat (op den duur ernstige) blessures worden voorkomen. Voor het Derde pianoconcert heeft Hamelin alternatieven aangedragen die afwijken van wat Rachmaninoffs eigen notatie suggereert. Deze vingerzettingen voegt Henle in een separaat bijvoegsel toe.

De uitgaven van het Derde pianoconcert en de Paganini-rapsodie vermelden geen metronoom-cijfers. Rachmaninoff voorzag hier uitsluitend in bij het Tweede pianoconcert. Dat hij ook daar al snel van zijn eigen tempo-indicaties afweek, blijkt uit de door het Nederlands Muziek Instituut bewaarde dirigeerpartituur van Willem Mengelberg, die Rachmaninoffs eigen tempi uit 1908 documenteert. Mengelberg voorzag ook partituren van het Derde pianoconcert (bij uitvoering in 1911) en de Paganini-rapsodie (bij uitvoering in 1938) van Rachmaninoffs eigen tempi. Henle heeft deze informatie niet betrokken bij de uitgave – evenmin als informatie welke te ontlenen zou zijn aan de geluidsopnamen die de componist maakte.

Elger Niels

Six Moments-musicaux opus 16
G. Henle Verlag Urtext HN 1492, ISMN 979-0-2018-1492-6

Klavierkonzert Nr.2 Opus 18 – Klavierauszug
G. Henle Verlag Urtext HN 1214, ISMN 979-0-2018-1214-4

Klavierkonzert Nr.3 Opus 30 – Klavierauszug
G. Henle Verlag Urtext HN 1452, ISMN 979-0-2018-1452-0

Klavierkonzert Nr.2 Opus 18 – Klavierauszug
G. Henle Verlag Urtext HN 1214, ISMN 979-0-2018-1214-4

Liefebbers kunnen op Youtube een interview bekijken dat editeur Domenik Rahmer had met pianist Marc-André Hamelin:

You May Also Like

Arnold Schönberg – Streichquartett Nr. 2 mit Sopranstimme, Opus 10

Ludwig van Beethoven – de symfonieën

J.S. Bach – Klavecimbelconcert BWV 1054

Franz Liszt – Années de pèlerinage: Troisième Année