Nikolai Lugansky in Rachmaninoff: superieur meesterschap

Nikolai Lugansky in Rachmaninoff: superieur meesterschap - De Nieuwe Muze

Gehoord: Edesche Concertzaal, 18 november 2023

Door Willem Boone

 

‘Hoeveel noten zou hij nu in dit gehele Rachmaninoff-recital te spelen hebben?’ dacht ik onwillekeurig toen ik op weg naar dit concert was. Geen idee over het precieze aantal, maar het moeten er miljoenen zijn. Het doet denken aan een anekdote over Vladimir Horowitz die een keer in het ziekenhuis lag en waarschijnlijk uit verveling begon hij het totale aantal noten van het Derde pianoconcert te tellen. Het waren er echter zo veel dat hij na het eerste deel al de tel kwijt was… Een solorecital met alleen muziek van Rachmaninoff is zo mogelijk nog zwaarder, omdat de pianist in dat geval ook echt ‘alle’ noten moet spelen, in tegenstelling tot bij een Pianoconcert waarbij het orkest soms ook gedeeltes voor zijn rekening neemt. Het is een ongebruikelijke ervaring, voor de pianist en ook voor de luisteraars. Het zorgde er desondanks voor dat de Edesche Concertzaal vol zat en kennelijk is ook de pianomuziek van de Russische componist in zijn dubbele jubileumjaar (hij werd 150 jaar geleden geboren en overleed 80 jaar geleden) nog steeds ongekend populair.

 

 

Lugansky begon zijn optreden met de Chopin-variaties opus 22, een lijvig opus dat minder bekend geworden is dan de later geschreven Corelli-variaties opus 42. Het thema ervan is dat van de Twintigste prelude van Chopin en de manier waarop de pianist het speelde vormde al bijna een uitvoering op zich. Zoals hij in zijn tekst in het programmaboekje schreef, zijn de eerste Variaties atypisch voor Rachmaninoff: ze deden zelfs vluchtig aan Bach denken. Hij greep diep in de toetsen en alle Variaties ontvouwden zich op logische en natuurlijke wijze. Dat gold niet alleen voor zijn tempo’s, maar eveneens voor zijn dynamische beheersing. Zijn manier van spelen doet enigszins aan die van de componist zelf denken die ook zo’n sobere, strakke visie had op alles wat hij speelde, maar beiden paarden dit aan een enorme, onderliggende virtuositeit die alles vermag en toch nooit de aandacht op zich vestigde. Deze benadering geeft de muziek iets heel krachtigs mee, die ver verwijderd is van valse sentimentaliteit.

De acht Études tableaux opus 33 veranderden onder zijn handen in evenvele sfeertekeningen. Hij verleende de Tweede etude een gevoel van nostalgie dat misschien moeilijk door niet-Russische pianisten te evenaren is. Natuurlijk zijn er uitstekende Westerse pianisten die de muziek van Rachmaninoff alle recht doen, al bedacht ik me dat de grote versies in concert en op cd van deze Études tableaux allemaal door Russen gespeeld worden… In de Derde etude was daar weer die bronzen klank, die aan het spel van de componist zelf deed denken. Die was soms massief en je kunt je afvragen hoe Lugansky dit realiseerde: hij lijkt nauwelijks meer kracht te zetten, beweegt ook niet meer dan in rustige passages. Of dit komt door het gewicht van zijn armen of puur door technische beheersing blijft vooralsnog een vraag. In de Vierde etude  maakte hij mooi de klank van kerkklokken die zo kenmerkend is voor Rachmaninoff hoorbaar en de vijfde etude groeide uit tot een echte ‘étude de vélocité(oefening in snelheid).

De achtste etude was dramatisch en leek daarin op de laatste prelude van Chopin. Daar waar ik vroeger over Lugansky nog wel eens dacht: het is heel goed, maar., waarbij dat ‘maar’ moeilijk te benoemen was, gaf hij deze avond alleen blijk van gerijpt meesterschap.

 

Nikolai Lugansky in Rachmaninoff: superieur meesterschap- recensie De Nieuwe Muze

 

Van de relatief weinig gespeelde Eerste sonate in D opus 28 maakte hij een episch verhaal. Hij had duidelijk oog en vooral ‘oor’ voor het toneelstuk ‘Faust’ van Goethe, waar de componist naar verluidt zijn muziek op gebaseerd heeft. In het eerste deel, Allegro moderato (Faust) imponeerde zijn polyfone spel, net als de climax aan het eind. Het tweede deel, lento (Gretchen) was daarentegen verstild en als zo vaak greep de puurheid van de muziek, zeker als deze zo eerlijk wordt gespeeld als hier het geval was, naar de keel. Het derde deel, Allegro molto (Mephisto) was misschien niet diabolisch, maar wel turbulent. Lugansky lichtte meermaals mooi het bekende Dies Irae-thema dat een aantal keren terugkwam uit. Het einde was orkestraal, waarbij de Bösendorfer-vleugel bijna steigerde. Ondanks dat deze er flink van langs kreeg, werd het geen krachtmeting.

Als toegift speelde de pianist de Prelude opus 23 nr. 4 op hartverwarmende wijze. Het publiek kon er geen genoeg van krijgen en met een blik van ‘Nou, ok dan!’ speelde hij de Prelude opus 23 nr. 7. Ook dat stuk schudde hij op onnavolgbaar vloeiende wijze uit zijn mouw, alsof hij niet al de hele avond op het hoogste niveau gepresteerd had. Een ding is zeker: het waren miljoenen noten en Lugansky kan ze heel, héél goed spelen!

Willem Boone

 

Info:  https://www.edescheconcertzaal.nl 

en https://nikolaylugansky.com

You May Also Like

Hannes Minnaar en Jan-Peter de Graaff schitteren in Luthéalconcert

Vilde Frang indrukwekkend in Eerste Vioolconcert van Sjostakovitsj

Ella van Poucke en Stephen Waarts lanceren nieuwe kamermuziekserie in De Duif

Hélène Grimaud: vaardig maar niet altijd verfijnd spel