Ontroerende koormuziek van Brahms in het Concertgebouw

 

Koorwerken en Derde symfonie van Brahms. Concertgebouworkest & Monteverdi Choir o.l.v. John Eliot Gardiner. Gehoord: 6 oktober, Concertgebouw, Amsterdam

John Eliot Gardiner houdt van Brahms, met wie hij zich al een paar jaar intensief bezighoudt. Hij ziet de menselijke stem als het kloppende hart van de vier symfonieën van Brahms, die volgens hem ‘doorzichtig en stralend’ zijn, maar vaak verdrinken ‘in een dikke orkestrale saus.’ Op de biologische boerderij waar Gardiner opgroeide werd veel gezongen, iets waar hij altijd naar verlangde toen hij naar kostschool werd gestuurd. Na zijn eindexamen werkte de toekomstige dirigent een jaar in vluchtelingenkampen in Libanon en Jordanië, waarna hij in Cambridge geschiedenis en Arabisch ging studeren. Maar de muziek lokte en zo besloot Gardiner in 1964 het Monteverdi Choir & Orchestra op te richten, om daarmee een authentieke zoektocht te beginnen die van Monteverdi via Bach naar Brahms voerde. Het koor groeide met hem mee en als er al koren bestaan die vloeiend kunnen zingen alsof er een warm mes door de roomboter glijdt, dan is dat wel Gardiners Monteverdi Choir dat in de koorwerken van Brahms subtiel heen en weer bewoog tussen zijdezachte lyriek en onstuimige dramatiek. Gardiner zelf dirigeerde zijn koor en het Concertgebouworkest in Brahms alsof zijn handen en armen konden zingen, terwijl de rest van zijn lichaam zachtjes meedeinde op de golvende structuren. Zo klonk de weidse koormuziek van Brahms – Nänie, Ich schwing mein Horn ins Jammertal, Fünf Gesänge, Vier Gesänge, Gesang der Parzen – mild en zangerig, melancholiek en euforisch, transparant en ‘metafysisch.’

 

 

Nietzsche dichtte Brahms ‘de melancholie van de onmacht’ toe, maar dat zegt meer over de filosoof dan over de componist, die zoveel grandioze werken heeft nagelaten. Vlak voordat Brahms op zijn 63ste zijn laatste adem uitblies, gaf men hem een slokje wijn. ‘Ah dat smaakt heerlijk, dank je wel!’ mompelde Brahms en gaf de geest. Voor zijn tijdgenoten ging daarmee de man heen die schitterende kamermuziek, soloconcerten en symfonieën had geschreven.  Maar dat deze ‘ware erfgenaam van Beethoven’, die weigerde zich te scharen bij de progressieve richting van Liszt en Wagner, ook nog de mooiste liederen en koorwerken had gecomponeerd, was bij het grote publiek wat minder bekend. De meeste daarvan zijn al sinds de 19e eeuw geliefd bij koorverenigingen. Ze gaan over fundamentele levensvragen, over liefde en dood, opstand en verzoening. Net als in zijn meest bekende werk voor koor en orkest, het Deutsches Requiem, wordt de tragiek ervan verzacht door een soort religieus besef van alles wat ruimte en tijd doorkruist, het besef van oerkracht en de eeuwigheid. De tragiek van het noodlot wordt getemperd door zonnestralen die oplichten in de kosmos.

 

 

Brahms was een groot kenner van de bijbel, al leek hij zelf meer houvast te vinden in stoïcijnse berusting dan in christelijke verlossing. Maar net als bij Bach lag de Bijbel bij hem altijd binnen handbereik. Brahms: ‘In mijn studeerkamer kan ik in het pikkedonker mijn hand op de Bijbel leggen. Alle werkelijk geïnspireerde ideeën komen van God. De kracht waaruit alle werkelijk grote componisten zoals Mozart, Schubert, Bach en Beethoven hun inspiratie haalden, is dezelfde kracht die Jezus in staat stelde zijn wonderen te doen.’ Volgens Brahms stroomde die kracht gewoon bij hem naar binnen, compleet met structuren, harmonieën en melodieën, die hij alleen nog een beetje moest zien te modelleren. Over Bach zei Brahms: ‘Bestudeer Bach en je zal alles vinden.’ In zijn koormuziek, die doordesemt is van het besef van de nietigheid van de mens die voortkomt uit en omringd wordt door de goddelijke natuur, is Brahms in mijn ogen eerder de opvolger van Bach dan van Beethoven. Zijn ontroerende koormuziek is even universeel en verzoenend, verheffend en troostrijk. Maar bij Brahms stuit je ook op echo’s uit de muziek van renaissancecomponisten als Lassus en Palestrina. Je hoort de jachttaferelen, dromen, geesten en spoken, hoofse liefde, ridders, kastelen, folklore, goden, mythen, rituelen en dood, allemaal thema’s die de romantische dichters bezighielden van wie hij vaak teksten voor zijn liederen en koorwerken uitkoos.

 

 

Hoe zat het nu met Brahms en die wijn? Had de vader van Brahms, die bas speelde in een salonorkestje dat optrad in het Alsterpavillon in Hamburg, niet met een van de gasten zijn zorgen gedeeld over zijn 14-jarige zoon Johannes, die ‘s avonds in havencafe’s piano moest spelen om geld te verdienen voor het gezin maar vaak stomdronken thuiskwam, dan was er misschien wel een groot componist aan de wereld voorbij gegaan. Deze gast, een rijke papierfabrikant uit Winsen, stelde voor zoon Johannes een zomer lang bij hem in huis te nemen, om zijn 13-jarige dochter pianoles te geven. Voor de tiener Brahms werd het een idylle: hij wandelde, zwom, studeerde, las (o.a. Goethe, Schiller, Cervantes en Shakespeare) en speelde piano, totdat het plaatselijke mannenkoor hem vroeg hun dirigent te worden. Het klikte en de jonge Brahms besloot al snel een aantal stukken voor ‘zijn’ koor te schrijven, waarvan alleen Postillons Morgenlied bewaard bleef, zijn vroegste overgeleverde werk. Brahms vergat de wijn en werd voortaan dronken van literatuur, muziek en schoonheid …

Al zijn de teksten van zijn koormuziek soms nog zo dramatisch, en daarmee in grote lijnen ook de toonzetting ervan, Brahms slaagt er toch altijd in om zijn doorwrochte composities ook iets hoopvols en blijmoedigs mee te geven, alsof hij daarmee wil uitdrukken dat in het licht van de eeuwigheid alle menselijke tragiek gesublimeerd wordt tot iets van hemelse allure. Zo eindigt zijn opstandige en onstuimige Derde symfonie, waarin Brahms zich volgens Gardiner tenslotte ‘Frei aber Froh’ verzoent met het onverbiddelijk verstrijken van de tijd, in een moment van eeuwige rust. Aangevuurd door de ruimhartige aanwijzingen van Gardiner, gaf het uitmuntend musicerende Concertgebouworkest er een meesterlijke vertolking van.

 

 

Eigenlijk heb ik maar één bezwaar tegen Gardiner, te weten dat hij in zijn documentaire over Bach instemmend mee knikt met een aanmatigende psychologe die Bach op grond van het weinige dat we van hem weten tot ‘bipolair’ verklaart. Protest tegen zo’n botte ‘diagnose’ was op zijn plaats geweest. Gelukkig is er op Brahms nog geen psychologisch label geplakt.

Wenneke Savenije

Info:

https://www.concertgebouworkest.nl/nl

https://www.concertgebouw.nl

You May Also Like

Klaus Mäkelä – een grote maestro met meer in petto

De soundtrack van een circusvoorstelling

Debussy van Jean Yves Thibaudet mist warmte

Verfijnd spel door koor en orkest Les Arts Florissants