Russische vervoering door Concertgebouworkest en Yefim Bronfman

Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Fabio Luisi, m.m.v. Yefim Bronfman, piano

Gehoord: 11 maart 2022, Concertgebouw Amsterdam

Door Willem Boone

 

Rachmaninoff zei ooit zelf over zijn Derde pianoconcert dat het voor ‘olifanten’ geschreven was. Daarmee zou ik pianist Yefim Bronfman niet willen vergelijken, al is hij – om even in deze beeldspraak te blijven – een’beer van een vent’ en dat komt bij dit concert, dat door velen als het moeilijkste van alle pianoconcerten beschouwd wordt, goed uit. Er is namelijk de nodige kracht en uithoudingsvermogen voor nodig. Wat het concert vooral zo berucht maakt, is de enorme hoeveelheid noten. Er bestaat een anekdote over pianist Vladimir Horowitz die een keer in het ziekenhuis lag en kennelijk uit verveling het aantal noten was gaan tellen, maar aan het eind van het eerste deel was hij al de tel kwijtgeraakt. Daarnaast moet een pianist, net als bij het Tweede pianoconcert van Brahms, vrijwel steeds bijdragen leveren en het geregeld tegen een volledig symfonieorkest opnemen. De pianopartij is sterk polyfoon geschreven, met veel verborgen stemmen en ritmische motieven die er niet altijd bij iedereen uitkomen. Het Concertgebouworkest deed gisteravond niet mee aan de boycot van Russische muziek in sommige zalen en ensembles. Gelukkig maar, want anders had men een volledig nieuw programma moeten bedenken, aangezien het orkest na de pauze de Pathétique van Tschaikofski speelde. Het publiek was juist in groten getale op deze avond afgekomen en bewees daarmee dat het nog lang niet genoeg heeft van deze twee krakers!

 

De solist maakte al bij de eerste maten duidelijk dat hij volledig tegen de eisen van dit concert opgewassen was. Je hoort niet vaak een pianist met zo’n helder toucher. De Fransen gebruiken daar soms een woord voor dat Nederlanders bij mijn weten in deze context niet kennen: ‘lisible’, letterlijk vertaald: ‘leesbaar’. Dat was precies het gevoel dat Bronfman gisteravond oproep: zelfs in de meest notenrijke cascades bleef zijn toucher deze helderheid behouden. Als geheel vind ik het niet zo makkelijk te beschrijven hoe ik zijn interpretatie ervaren heb. Deze klonk aanvankelijk als wat onnadrukkelijk en daarbij waren een paar van zijn uitspraken in Preludium verhelderend. Hij vertelde in een interview dat hij de vertolkingen van Rachmaninoff zelf erg bewonderde: ‘Ze klonken koud en daardoor waren ze juist gloeiend heet.’ ‘Koud’ is misschien niet het goede woord, ‘sober’ en ‘onnadrukkelijk’ komen wellicht meer in de richting en deze soberheid ging altijd gepaard met noblesse en een onnavolgbare melancholie. De pianist beschikt over een volle toon die vooral in de bassen tot uiting komt en –alweer net als bij Rachmaninoff – hij probeerde steeds op zijn instrument de menselijke stem te imiteren. Hij was overigens wel degelijk in staat om naar een climax toe te werken, zeker in de lange cadens van het eerste deel. Alleen daarin al komen zoveel noten voor dat je je er altijd van moet overtuigen dat er echt maar één pianist speelt. Bronfmans virtuositeit was hier imposant, al hoorde je hier nog niet de orkaan opsteken die Lazar Berman ooit opriep in zijn opname met Claudio Abbado.

 

 

Het Concertgebouworkest onder leiding van Fabio Luisi gaf fraai tegenspel met details die je weinig hoort in andere uitvoeringen (bepaalde motieven in de contrabassen). In het tweede deel produceerden zowel orkest als solist een diepe klank en in het derde deel viel het snelle tempo op. Ook in dit deel waren er momenten van vervoering in de orkestpartij met fraaie solo’s van fluit en klarinet. De muziek leek bijna als vanzelf te stromen, maar het venijn zat toch in de staart: daar zorgden solist en orkest samen voor toenemende opwinding en het concert kwam alsnog tot een euforisch slot. Soms is dat zo opwindend dat het je (mij althans) naar de keel grijpt. Dat gevoel had ik gisteren (net) niet, maar terugkijkend was er wel degelijk sprake van een hele interessante uitvoering die je graag nog een aantal keren terug wilt horen.  Het deed me denken aan een interpretatie door Pletniev in het Concertgebouw: hij is eveneens een pianist die alles kan en het soms voor je het goed en wel door hebt ‘al gedaan heeft’ en bij wie je je naderhand afvraagt: ‘Maar wat deed hij nou eigenlijk?’ Interessant genoeg om thuis nog eens rustig na te luisteren. Er hingen microfoons in de zaal en op internet kondigde Medici deze uitvoering door Bronfman en het Concertgebouworkest aan, dus waarschijnlijk zijn de kansen aanwezig om er nog eens naar te luisteren en kijken.

 

Na de pauze was de pianist trouwens aanwezig bij de uitvoering van de Zesde symfonie van Tschaikofski. De inzet was fraai en Luisi liet de strijkers soms bijna als een strijkkwartet spelen. Het orkest reageerde wendbaar op zijn aanwijzingen, al klonken de koperblazers soms wat fors. De klarinetsolo aan het einde van het eerste deel was mooi. Ook de puls in het tweede deel, een wals, was overtuigend. Voor het eerst viel me op dat de pauken hierin een belangrijke rol vervullen. In het derde deel koos de dirigent voor een energiek tempo en voerde hij het orkest aan zoals een generaal dat bij zijn troepen doet. Zoals bijna altijd zorgde het overrompelende slot van dit deel voor voortijdig applaus. Bij een uitvoering door het Rotterdams Philharmonisch Orkest eerder dit seizoen onder leiding van de inmiddels in ongenade gevallen dirigent Gergiev vroeg ik me al af of daar hetzelfde zou gebeuren. Hij wist echter applaus te voorkomen door direct het afsluitende deel, het Adagio lamentoso, andante in te zetten, zodat het publiek geen kans kreeg om te klappen. Deze smartelijke muziek, waarbij de mineurstemming niet van de lucht is, kreeg gelukkig een niet al te slepende uitvoering. De klank was diep, er was een golvende beweging van strijkers en blazers, het orkest zwolg, maar het werd niet te intens. En die ene minuut stilte na de laatste noot was misschien nog indrukwekkender!

 

Willem Boone

You May Also Like

Yuja Wang schittert in ‘modern’ repertoire

Verrassende Haydn door Nicolas Altstaedt en het Orkest van de 18e Eeuw

Giltburg: orkestrale allure in monumentale pianosonates

Lyriek en kracht in Beethoven, guitigheid en charme in Poulenc