Severin von Eckardstein: een muzikale ontdekkingsreis

Gehoord: Muziekcentrum Frits Philips, 4 april 2023

Door Willem Boone

 

Er zijn van die pianisten bij wie je steeds weer benieuwd bent naar hun volgende recital, niet alleen omdat ze alles goed spelen, maar ook omdat ze naast het standaardrepertoire onbekende werken op hun programma zetten. Zo iemand is de Duitse pianist Severin von Eckardstein die een reusachtig repertoire beheerst dat alle stijlperiodes omvat. Je vraagt je af waar hij de tijd vandaan haalt om dat allemaal te studeren en uit zijn hoofd te spelen. Waarschijnlijk is hij in staat om heel snel muziek te memoriseren, maar om die dan feilloos op een concertpodium te spelen is nog weer een verhaal apart. Zijn recital gisteravond begon met de Sonate in C D 840, niet een van Schunberts bekendste sonates die bekend staat onder de naam ‘Reliquie’. Von Eckardstein zette het eerste deel zeer innig in en speelde het met echt Schubertiaanse delicatesse. Hij forceerde zijn toon niet in de fortes en stemde zijn dynamiek af op het overwegend intieme karakter van de muziek. Soms leek het er ook op dat hij zo zacht speelde om het bij vlagen erbarmelijke gehoest het zwijgen op te leggen en het publiek te dwingen nog beter te luisteren. Hij riep heel goed het desolate karakter van dit deel op en hij maakte de onderhuidse spanning, die er wel degelijk is, hoorbaar. Als je naar deze muziek luistert, krijg je soms het idee dat Schubert de piano wilde ontstijgen. Het tweede deel speelde de pianist op dezelfde manier: ingehouden, maar toch ook spannend.

Daarna ontstond er tenminste bij mij enige verwarring. In het programma stond dat Von Eckardstein van deze sonate die bijna altijd in zijn ‘onvolledige’ vorm gespeeld wordt, dat wil zeggen de eerste twee delen, ook het derde en vierde deel zou uitvoeren. Deze overige twee delen werden door Schubert niet voltooid en het leek heel interessant om ze nu eens te horen. De toelichting vertelde over het derde deel, Menuetto & Trio allegretto dat het ‘doorspekt met ongewone harmonische wendingen’ was, zodanig dat Schubert ‘volledig gedesoriënteerd leek’ en het deel afbrak en onvoltooid liet. Voor het vierde deel, Rondo allegro, geldt hetzelfde: Schubert brak het na ongeveer 270 maten af. Dat had ik wel eens willen horen, want als gezegd, in deze vorm hoor je de betreffende sonate zelden in een concertzaal.  Hoe ‘ongewoon harmonisch’ de wendingen van Schubert ook mochten zijn, wat ik bij de vermeende inzet van het derde deel hoorde klonk wel heel gewaagd en erg ver van deze componist verwijderd… tot ik me realiseerde dat dit kennelijk de inzet van het volgende programmaonderdeel, de Sonate nr 3 in C opus 25 van Korngold moest zijn! Het duurde even tot dat besef doordrong en het was een wat merkwaardige ervaring. Enigszins slordig was het wel, je gaat ervan uit dat het programma met een artiest ‘besproken’ is en dat het uitgevoerd wordt zoals het in de toelichting vermeld staat. Soms kiest een artiest ervoor om stukken zonder onderbreking achter elkaar te spelen, maar dan verwacht je daarover een mededeling in het programmaboekje.

 

 

 

Aan de andere kant werd op deze manier het stilistische verschil tussen beide componisten wel des te duidelijker. Korngold schreef uiteraard in een geheel ander idioom, dat als laatromantisch en fin de siècle aandeed. Het was interessant om te horen hoe de dynamiek van de pianist ineens geheel anders was, hij greep fors in de toetsen. Het tweede deel droeg de intrigerende aanduiding andante religioso, die je weinig in de muziek tegenkomt, behalve in het tweede deel van Bartoks Derde pianoconcert. Dit deel fungeerde net als in dat concert als een verstild rustpunt, dat Von Eckardstein met glashelder toucher speelde.

Het derde deel, Tempo di Menuetto moto comodo – Trio Fliessender, klonk inderdaad als een menuet. Deze muziek, hoewel in 1931 ontstaan, heeft een klassieke inslag, die vooral in het Trio hoorbaar was. Het vierde deel, Rondo allegro giocoso, was speels en toonde dat Korngold een geheel eigen stijl heeft. De pianist speelde ook dit deel uitstekend en hoewel er geen sprake is van een meesterwerk, bevat het zoveel aardige momenten dat ik het best nog eens zou willen horen, zeker als het zo goed uitgevoerd werd als nu het geval was.

De Duitse pianist schrikt er niet voor terug om een wereldpremière op zijn programma te zetten, zoals Ketting II, van de Nederlandse componist Jo Sporck. Net als bij Korngold was zijn muziek minder modern van karakter dan je op grond van de ontstaansdatum zou kunnen verwachten. Het was een intrigerende compositie die net als de eerder gespeelde sonate van Schubert pianissimo begon. Het had een sterk voorwaartse beweging, die soms wat onrustig overkwam. Soms riep het herinneringen aan impressionistische muziek van Debussy (Préludes) of aan de Visions fugitives van Prokofiev op. Ketting II was een relatief korte compositie die net zo eindigde als ze begonnen was, pianissimo en ongrijpbaar. Het leek door het etherische eind bijna op een muzikale illusie, memorabel was het zeer zacht gespeelde slotakkoord. Dat vond de componist kennelijk ook, want hij toonde zich erkentelijk toen hij de pianiste bedankte.

Daarna volgden Trois morceaux opus 31 van Medtner, een componist waar deze pianiste een bijzondere voorliefde voor koestert. Het eerste ervan speelde hij precies zoals de titel aangeeft: Improvisation. Medtners muziek moet het van toegewijde interpreten hebben, want heel makkelijk is ze niet. Het lijkt me een lastige klus om deze muziek uit je hoofd te leren, want harmonisch lijken er weinig punten te zijn waar een pianist zich aan vast kan klampen. Vaak maken zijn stukken een fragmentarische indruk, vooral door het ontbreken van melodieën die je na kunt zingen of onthouden. Niettemin toonde Von Eckarstein zich opnieuw een uitmuntend pleitbezorger voor deze nog steeds grotendeels onbekende muziek. Het eerste van deze stukken was relatief lang, de twee volgende delen waren korter.

 

 

Je moet Von Eckardstein verder nageven dat hij zijn recital durft af te sluiten met Schumanns Kinderszenen. En waarom ook eigenlijk niet? Waarom zou ieder recital stereotiep met een uitsmijter en daverende fortissimo’s moeten eindigen? Het is gedurfd om als laatste een cyclus te spelen waarbij de essentie uit maar heel weinig noten bestaat, maar die moet je dan wel helemaal raak kunnen treffen. Soms wordt er over dit repertoire wat geringschattend gedaan in de zin van ‘Te simpel’, ‘Dat kan een amateur ook spelen’ of ‘Niet zo moeilijk als de Etudes symphoniques of de Fantasie’, maar het moet gezegd worden dat Schumann deze muziek bepaald niet als ‘kinderachtig’ bedoeld had. Sterker nog: het was eerder muziek die voor dan door kinderen gespeeld moest worden. De pianist speelde de muziek onnadrukkelijk en met fijne poëzie: Traumerei groeide uit tot een juweeltje, Kind im Einschlummern bracht hij terug tot de kale essentie, waardoor het juist ontroerend klonk en wat vormde der Dichter spricht een bijzonder eind van een recital. Het leek bijna een leitmotiv voor deze avond: stukken die pianissimo eindigen.

Het enthousiaste publiek kreeg twee toegiften: de eerste was Schmetterling, een van de bekendste uit de Lyrische Stuecke van Grieg, voor het publiek het door had, was deze vlinder alweer weggvlogen en een van de Forgotten melodies van Medtner, waarbij de pianist opnieuw duidelijk maakte hoe hij in deze muziek gelooft.

Willem Boone

Info:

https://www.muziekgebouweindhoven.nl/nl/

You May Also Like

Orchestre Philharmonique Royal de Liège en pianist Nelson Goerner ideaal in Frans repertoire

Armeense Romantiek in Luther Museum Amsterdam

Topviolist Marc Bouchkov laat Mendelssohn tot de verbeelding spreken

Geweldig slotconcert De Klassieke Duif