Spectaculaire Rusalka ontbeert diepe passie en magie

Gehoord: 2 juni 2023, Nationale Opera en Ballet, i.s.m. Holland Festival, Amsterdam

Door Peter Schlamilch

 

‘Ik ben zo verdrietig, dat ik bijna stik.’ Hunkering naar de echte, ware liefde, dat is het thema van Dvořaks sprookjesopera Rusalka, waarin de ongelukkige waternimf Rusalka smoorverliefd wordt op een prins die uit de mensenwereld komt. In Dvořaks opera vraagt ze aan de heks Ježibaba om haar een menselijke gestalte en ziel te geven, zodat ze haar prins kan ontmoeten. Rusalka is zelfs bereid haar stem op te geven, en accepteert ook dat, mocht de prins haar ooit ontrouw zijn, ze verstoten zal worden door haar zusters en de rest van haar waterwereld.

Dvořak schetste dit sprookje, gebaseerd op vele oude verhalen en legenden, waaronder Hans Christian Andersens De kleine Zeemeermin, met vaak schilderachtige kleuren en zachte tinten, het dreigende gevaar immer hoorbaar op de achtergrond. De subtiele partituur ondersteunt de diepe oerwaarheden van het menselijk leven, de zoektocht naar de liefde, het samensmelten met de beminde, het verraad en de dood.

Maar met romantische sprookjes heeft het regisseursduo Philipp Stölzl en Philipp Krenn niets te maken. Zoals zoveel regisseurs gaan ze ervan uit dat sprookjes niet meer van deze tijd zijn en dat de handeling ‘relevant’ moet worden gemaakt voor de moderne toeschouwer, vergetende dat die toeschouwer de opera vaak juist bezoekt om zijn moderne problematiek even te vergeten en op een hoger, soms eeuwig niveau te worden aangesproken. Als de handeling dan ook nog van de ruisende bossen aan de rand van een mysterieus meer naar de achterbuurten van New York wordt verplaatst, gaat veel van de magie verloren en worden romantische idealen overschreven door platte, moderne beelden, waarin Rusalka geen waterwezen is maar een heroïnehoertje, zwervend door de straten van New York, op zoek naar vergetelheid in de bioscoop. Ze kan onmogelijk ‘een mens willen worden’, zoals het originele verhaal gebiedt, want dat is ze natuurlijk al, daarom wordt de tekst aangepast en wil ze slechts ‘veranderen, naar een nieuw leven verlangend’. Op zich een vindingrijk idee, ware het niet dat haar achterbuurt zó overbevolkt is met maffiosi, corrupte agenten (die vreemd genoeg met de handen in de zakken ongewapend rondlopen) en een limousine, dat eigenlijk alles afleidt van de kern van dit sprookje: het streven naar het hogere.

 

 

 

 

De heks Ježibaba, uitstekend gezongen door de Amerikaanse mezzosopraan Raehann Bryce-Davis, heeft in deze voorstelling een kapperszaak, die in het uiterst spectaculaire en gedetailleerde decor naar alle kanten kan bewegen en een geheime kelder blijkt te hebben, waar onze onschuldige hoofdpersoon wordt geblondeerd en van nieuwe borsten wordt voorzien, want uiterlijk is alles, zegt het programmaboek, hoewel in het sprookje juist alles om het gevoelsleven draait. En zo raakt ook de essentie van Dvořaks opera rigoureus misvormd: niet de ware liefde staat nog centraal, maar het ontsnappen uit ellendige omstandigheden, hetgeen, hoe begrijpelijk ook, met Dvořaks bedoelingen weinig te maken heeft en er met de haren bijgesleept lijkt, een gevoel dat de hele avond beklijft.

Hoe willekeurig deze interpretatie is, blijkt ook uit het feit dat het aanvankelijk zelfs de bedoeling van de regisseurs was om van Rusalka een transvrouw te maken, een idee dat, goddank, ergens in het proces is gesneuveld. Maar het is illustratief voor het gemak waarmee het ene etiket vervangen blijkt te kunnen worden door het andere.

 

 

 

 

Rusalka zelf, wonderschoon vertolkt door de Zuid-Afrikaanse sopraan Johanni van Oostrum, zingt de sterren van de hemel, en probeert in bijvoorbeeld haar beroemde Maanaria hoogst geconcentreerd de sfeer van een maanovergoten watervlakte op te roepen waarmee ze haar liefdesverlangen bezingt. Vocaal lukt dat fabelachtig, maar het publiek ziet haar toch vooral op het afdak van een aftandse bioscoop staan, gehinderd door allerlei flitsende lampjes, inclusief een werkend verkeerslicht. Ook haar prins, gezongen door de in die rol zeer ervaren Tsjechische tenor Pavel Černoch, lijkt zich volledig gevangen te voelen in zijn nieuwe uiterlijk van filmster, steeds onrustig omgeven door cameralieden en grimeuses: zijn liefdeswoorden zingt hij als filmacteur, wordt onderbroken door zijn regisseur en gaat dan weer verder… Op papier allemaal aardige ideeën, die de overtuiging, het waarheidsgehalte en de romantiek steeds weer doorbreken. Alles lijkt schijn en onecht, terwijl de puurheid van het verhaal het onderspit delft. De tenor zingt uitstekend, maar lijkt zich gehinderd en verloren te voelen door een concept dat hem wezensvreemd is, zoals wanneer hij op de motorkap van een auto zijn aria zingt, of tijdens het omkleden: het is allemaal gedoe, dat weinig toevoegt en veel afleidt van de emoties.

Vervreemdend is ook dat vrijwel geen enkele gezongen tekst met de handeling overeenkomt, en als bijvoorbeeld over bos en heide gezongen wordt, zien we kille straten en een limousine. De altijd knappe boventiteling die in Amsterdam al vele jaren foutloos en extreem accuraat de voorstellingen begeleidt is overigens weer vlekkeloos, ondanks de veranderingen in de tekst: nooit een onhandige vertaling, nooit een woord te veel of te weinig, discreet en nooit storend… ook dat mag wel eens worden genoemd.

 

 

 

 

Het decor is, als gezegd, ronduit spectaculair en gedetailleerd, niet alleen in de straten van New York, maar ook op de filmset anno jaren ’50, waar de tweede akte zich afspeelt: schitterende wolkenluchten, balletten en filmdecors zijn een lust voor het oog, maar ook hier geldt: alles is nep, alles is onecht en van bordkarton, en dat is waarschijnlijk ook precies de bedoeling van de regisseurs, die zelf veel ervaring in de filmwereld hebben. Maar is dat echt de boodschap die we moeten meekrijgen? Weten we dat niet allang, en proberen we als operaliefhebbers niet die glimpjes onschuldige hoop te beleven die ons leven juist zo waardevol maken? Als elke baksteen in de muur van de straat zichtbaar is, als elke injectienaald in de arm waarneembaar is, als de maffia rücksichtslos (maar vooral volkomen overbodig) wat voorbijgangers neermaait… waar blijft dan nog de ruimte voor de fantasie, het gevoel en vooral het medeleven met de personages op het toneel? Bovendien kennen we dit decor allang uit talloze Amerikaanse films en televisieseries: lastig en spectaculair om na te maken in het theater, maar eigenlijk niet verrassend voor het publiek, dat dit plaatje al honderden keren heeft gezien. De prominente harpsoli, toch geen veel voorkomend instrument in de Bronx, maken het geheel bijna ridicuul. Dieptepunt is een telefoongesprek tussen Rusalka en de Watergeest: natuurlijk kun je van alles bedenken in het theater, maar het moet ook betekenis hebben.

 

 

 

 

Vocaal is er gelukkig veel moois te beleven. Naast de al eerder genoemde hoofdpersonages vallen de zeer gepassioneerd zingende sopraan Annette Dasch (De Vreemde prinses) en de uitstekende Russische bas Maxim Kuzmin-Karavaev als Watergeest op. Het koor, dat maar een klein aandeel heeft, zingt als vanouds: krachtig, zuiver, mooi van klank en als altijd goed acterend.

Het Koninklijk Concertgebouworkest speelt natuurlijk zeer betrouwbaar, maar dirigente Joana Mallwitz weet op geen enkel moment de magische sfeer te creëren die juist met dit orkest zo goed mogelijk was geweest, en ook geen fluisterstille momenten of grote explosies. Nu is Dvořaks partituur niet overal even geniaal (vooral in de eerste akte moet er nog veel op gang komen), maar juist dan moet een dirigent de magie van de noten desnoods zelf creëren, zeker met dit fantastische orkest dat eigenlijk alles kan, maar dat nu bij vlagen zelfs wat ongeïnspireerd klonk, op de prachtige hobo-, harp- en vooral trompetsolo’s na. Het klinkt allemaal wat eenvormig, dynamisch beperkt, en de keren dat er voluit gezongen kan worden, geeft de dirigent weinig ruimte.

 

 

 

 

Het moderne regietheater heeft zijn beste tijd gehad, met zijn maatpakken, realistische decors en dito rekwisieten. We komen er steeds meer achter dat de werken zoals ze door de componisten zijn geschreven al goed genoeg zijn zoals ze zijn bedacht. Het publiek ziet zélf de actuele relevantie wel, het heeft nauwelijks ‘modernisering’ nodig, misschien op een paar barokopera’s na. Natuurlijk hoeft de Figaro zich niet altijd in een kasteel af te spelen, of Aida in Egypte. Maar Rusalka die sterft aan een overdosis, en haar geliefde op een schommel? Ach, met enige welwillendheid kunnen we de logica er best van inzien, maar de grote vraag blijft… waarom toch? Zo jagen we nieuwe generaties juist weg uit het theater, want jongeren kennen de alledaagse realiteit juist als geen ander, en raken door dit soort regies echt niet betoverd. Integendeel.

Een sprookje raakt de kern vaak dieper dan een modern toneelbeeld of een vertaling naar actuele politieke onderwerpen. Die kern, die essentie, moet altijd behouden blijven, en een eventuele aanpassing van het verhaal mag daar nooit afbreuk aan doen, en al helemaal niet zodanig afleiden dat alle inzet van koor, solisten en orkest, die ook nu weer met hart en ziel het werk verdedigden, wordt overschaduwd en vervaagt. Dan gaat het mis in de opera.

Peter Schlamilch

 

 

 

https://www.hollandfestival.nl

https://www.operaballet.nl/de-nationale-opera/2022-2023/rusalka

You May Also Like

Pianist/dirigent Shani in dubbelrol in Prokofiev: muzikaal huzarenstukje van de hoogste orde

Top-amateurorkesten in Concertgebouw

Mäkelä en Lozakovich spelen Dubbelconcert van Brahms als kamermuziek

Philzuid brengt beschaafde Beethoven