Trifonov: schuchtere solist met magisch pianissimo

 

 

Gehoord: De Doelen, Rotterdam, 12 januari 2022

Door Willem Boone

Er lijkt iets te zijn veranderd bij sterpianist Daniil Trifonov: hij komt nog steeds verlegen over en ook gisteravond was zijn opkomst bijna schuchter. Hij begroette met een korte buiging het publiek, ging zitten en wilde zo snel mogelijk van start gaan. Wat enigszins veranderd lijkt, is zijn houding aan de vleugel. Daar waar hij vroeger veel bewoog en zijn gezicht in allerlei grimassen trok (wat het niet per se tot een genoegen maakte om naar hem te kijken) of met gekromde rug voor de toetsen zat, zit hij nu stiller en meer rechtop. Zijn spel is daarentegen nog net zo fascinerend.

 

 

Het Eerste pianoconcert van Beethoven was niet de meest originele keuze, maar met een solist van zijn kaliber ben je bereid om overal naar te luisteren, al zou hij slaapliedjes komen spelen…. Het Rotterdams Philharmonisch Orkest onder leiding van chef-dirigent Lahav Shani speelde in redelijk grote bezetting. Fraai waren daarbij het niet gehaaste tempo en de blazerspartijen. Direct bij zijn eerste inzet viel het glasheldere toucher van Trifonov op. Hij zocht het bij dit concert van de jeugdige, soms bijna overmoedige Beethoven niet in grote contrasten, zo zijn er collega’s die de beroemde sforzati meer accent geven. Desondanks was er in het eerste deel ruimte voor fluisterzachte pianissimo’s.  Na de langzame passage speelde Trifonov niet het door Beethoven voorgeschreven octaafglissando (dat op een verrassende en onverwachte manier een eind aan de serene sfeer maakt), maar een demonisch loopje. De componist heeft zelf drie cadensen voor het eerste deel geschreven, waarvan de eerste kort, de tweede redelijk lang en de derde lang is. Jammer genoeg speelde de Russische pianist de kortste van de drie, waarmee hij duidelijk maakte dat het hem er niet om te doen is om met vertoon de aandacht naar zich toe te trekken. Een beetje spijtig was het wel, want het zou zeker een belevenis geweest zijn om hem juist die lange cadens te horen uitvoeren. Bij zijn inzet van het Largo bleek dat zijn toon ook in langzame delen kern heeft. Het tempo van solist en orkest was daarbij niet slepend, zoals vroeger bij beroemde solisten nog wel eens het geval kon zijn. Na zo’n vier minuten gebeurde er een klein wonder, zo’n moment dat niet te herhalen is, maar dat je bij wijze van spreken de adem beneemt. En bij ieder optreden van deze meesterpianist is er wel ten minste een zo’n moment van totale verstilling en tederheid dat op zich al de gang naar de concertzaal de moeite waard maakt. In dit geval ging om bijna onhoorbaar zachte noten die steeds meer in intensiteit leken af te nemen. Deze kwaliteit, maar ook zijn vermogen tot demonie (die weliswaar in dit concert niet verlangd wordt!) maken hem tot een bijzondere verschijning op concertpodia. Shani en het orkest deelden zijn visie met alert spel. De inzet van het Rondo allegro scherzando klonk wat aarzelend en niet zo ‘guitig’ als je het vaak hoort. Het deed denken aan een opmerking in de programmatoelichting: Het zal wel nooit duidelijk worden of Beethoven dit deel met een opmaat begint of op de eerste tel. Het is een voorbeeld van zo’n op het eerste gezicht onbeduidend motiefje dat de componist op grootse wijze uitbouwt.

 

 

Ook in dit deel was er bij de solist ruimte voor felle accenten, zonder dat hij de aandacht naar zich toetrok en het orkest klonk eigenlijk ‘vrijpostiger’. Na een ovatie, waarbij het leek alsof Trifonov niet altijd wist wat hij ermee aan moest, volgde er een toegift, het Rondo in C klein van Carl Philip Emanuel Bach. Het is typerend voor zijn grillige stijl met frases die abrupt afgebroken worden naast momenten van tederheid. Het bleek een kolfje naar de hand van de solist te zijn die het stuk speelde alsof hij het met een pennetje etste.

Na de pauze nam Shani kort het woord voor een toelichting op Ein Heldenleben van Strauss. Hij vertelde over het verschil tussen een symfonie en een symfonisch gedicht. Bij laatstgenoemd genre is er sprake van een verhaal, in het onderhavige geval dat over een held. Het is niet geheel duidelijk om welke held het gaat, maar er zijn aanwijzingen dat Strauss naar zichzelf verwijst. Een reden hiervoor is het feit dat de componist in het laatste deel meermaals uit eigen werk citeert. Hoe dan ook, wat direct bij het energieke begin opviel, is de direct herkenbare stijl van deze componist. Zo er al een ‘Strauss-sound’ bestaat, dan was dit in de eerste minuut hoorbaar.

 

 

Het orkest speelde dit symfonisch gedicht in grote bezetting, waarbij de opstelling ongebruikelijk was: de contrabassen zaten links op het podium, de violen en harpen rechts. In het tweede deel, Des Helden Widersacher, (in het programma nogal archaïsch vertaald met ‘tegenstrevers’!) imponeerde scheidend concertmeester Igor Gruppman met zeer fraaie vioolsolo’s.  Hij vertelde in zijn veeleisende partij echt een verhaal en gaf daarmee gestalte aan de tegenstelling tussen de held en zijn tegenstanders, precies zoals dat Strauss voor ogen stond.

 

Het was knap hoe de componist bepaalde sferen wist weer te geven: in Des Helden Gefährtin (waar hij naar verluidt zijn echtgenote portretteerde) klonk muzikale eendracht. In Des Helden Walstatt was het orkestspel soms luid, terwijl Shani in Des Helden Friedenswerke de klank liet opbloeien en op superbe wijze het overzicht behield. Het begin van het laatste deel, Des Helden Weltflucht und Vollendung, deed qua herfstige sfeer aan het laatste van de Vier letzte Lieder, Im Abendrot, denken.

Het begon bijna kamermuzikaal om uiteindelijk met een indrukwekkend crescendo te eindigen. Dirigent en orkest bewezen hun klasse met dit uitgebreide laatromantische epos van Strauss.

Willem Boone

 

 

https://youtu.be/x27pkI4ny6c

 

 

 

 

You May Also Like

Debuut Teodor Currentzis bij KCO: A Match Made In Heaven.

Rondeau en Altstaedt laten barok tot de verbeelding spreken

Nederlands Kamerkoor brengt opperste vocale verrukking

Napolitana