Wang en Peltokoski: niet alleen samen, maar ook afzonderlijk spectaculair 

 

Gehoord: Muziekcentrum Frits Philips, Eindhoven, 21 mei 2022

Door Willem Boone

Dit seizoen is sterpianiste Yuja Wang ‘artist in residence’ bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Zij voerden gezamenlijk al eerder het Tweede pianoconcert van Shostakovitch uit en hoewel dat concert een solist niet de best denkbare gelegenheid geeft om te schitteren, was dat optreden toch memorabel. Het was namelijk kort nadat de zalen weer voor een talrijk publiek geopend waren en alleen die ervaring al was bijzonder. Wang sloot haar ‘residency’ op spectaculaire wijze af met maar liefst twee concertante werken van Rachmaninoff: diens Eerste pianoconcert en Rhapsodie over een thema van Paganini. Aanvankelijk had zij ook twee composities voor piano en orkest zullen spelen, namelijk het Eerste pianoconcert van Liszt en de Burleske van Strauss. Deze wissel was minstens zo aantrekkelijk, vooral omdat je het eerste concert van Rachmaninnoff zelden in een concertzaal hoort.

Dat deze pianiste een supertechniek heeft voor wie iedere uitdaging een peulenschil lijkt, is op zijn zachtst gezegd een understatement. De keuze om genoemde twee werken te spelen is daarentegen verrassend als je je bedenkt dat de pianiste in een interview zei dat ‘ze niet tevreden is over haar spel in Rachmaninoff, de muziek zou je iets terug moeten geven, maar als ik zijn muziek speel, leg ik er zoveel van mezelf in en er komt niets terug. Ik vind mezelf overtuigender in Prokofiev.’ Een opmerkelijke uitspraak, want je zou er allereerst aardig wat voor over hebben om met dezelfde vingervaardigheid ‘niet overtuigend’ te spelen. Daarnaast dwingt het respect af dat een artiest ondanks zo’n openhartige constatering de confrontatie met zichzelf en met muziek blijft aangaan die haar minder ligt.

 

 

 

 

De flair waarmee ze het Eerste pianoconcert van Rachmaninoff inzette, was in elk geval onmiskenbaar. Gekleed in een felle rode jurk zat ze heel rustig aan de vleugel en het was opvallend om te zien dat elke beweging, hoe snel en veeleisend ook, bij haar voortkomt uit ontspanning. Dat verklaart waarschijnlijk voor een deel de snelle reflexen waartoe ze in staat is. In de cadens wist ze mooi virtuositeit en tederheid te combineren en kennelijk was het Eindhovense publiek toen al zo overrompeld dat het in een enthousiast applaus losbarstte. De soliste kreeg overigens uitstekend weerwoord van het Rotterdams Philhamonisch Orkest en de 21-jarige Finse dirigent Tarmo Peltokoski. Hij verving zijn bij het orkest in ongenade gevallen Russische collega Valery Gergiev en deed dat op uiterst overtuigende wijze. Zo wist hij diverse keren fraaie solo’s die normaal niet zo snel opvallen aan het orkest te ontlokken, bijvoorbeeld de fagot in het tweede deel en de triangel(!) in het derde deel. Het tweede deel klonk introvert, bijna als een droom die helaas wreed verstoord werd nadat aan het eind ervan langdurig een mobiele telefoon met doordringende ringtone afging. Gelukkig maar dat solisten als Wang kennelijk veel gewend zijn en zich direct weten te hernemen. Zo leverde het derde deel vooral in de coda vuurwerk op met perfect samenspel. Na zo’n uitvoering zou je al bijna voldaan zijn, maar wat een traktatie was het om daarna nog naar de Rhapsodie over een thema van Paganini te luisteren! Dit is een van Rachmaninoffs meest flitsende composities met een bij vlagen verblindend effect. De Rhapsodie is geschreven in de vorm van variaties en door de snel wisselende stemmingen eist het op het gebied van wendbaarheid van alle partijen het uiterste. Hoe kort de pauze tussen de twee stukken ook was, de pianiste had toch kans gezien om zich dit keer in een lange blauwe jurk te kleden.

Haar ‘outfits’ en stilettohakken vormen nogal eens het onderwerp van verhitte discussies, maar belangrijker was om te zien hoe ze zich direct na haar opkomst weer met huid en haar in de materie stortte. De precisie van haar spel is opmerkelijk, vooral in de snelle gedeeltes. Het orkest leverde fraaie bijdragen met vederlicht vibrato in de strijkers en wederom solo’s bij de blazers. Soms liet Wang haar partij bijna bedeesd klinken, onder andere in de centrale achttiende variatie die als het hart van dit stuk geldt. Daar trok het orkest met de kenmerkende ‘zwelgende’ strijkers juist de aandacht naar zich toe. In de volgende variatie klonk de pianiste direct weer puntig. Door haar uitzonderlijke dispositie voor het instrument komt haar virtuositeit soms bijna als ‘terloops’ over, ze lijkt moeilijke passages zonder inspanning te spelen omdat ze nu eenmaal in de partituur staan. Ze laat zich hier echter niet op voorstaan: in het hierboven genoemde interview vertelde ze dat ‘techniek’ en ‘muziek’ voor haar een geheel vormen: als ze in de techniek ‘goed’ is, dan is ze voor haar gevoel ook goed in de muziek. Het slot klonk als te verwachten overrompelend en er volgde een verdiende staande ovatie. Als toegift speelden Wang en Peltokoski de Eerste Hongaarse dans van Brahms voor piano vierhandig. De iPad die ze daarvoor gebruikten dreigde een paar keer om te vallen, maar dit werd voorkomen door een paar bijspringende orkestleden.

 

 

Na de pauze mochten dirigent en orkest schitteren in de Tweede symfonie van Sibelius. Voor de Finse dirigent moet de muziek van zijn landgenoot als ‘vertrouwde kost’ gelden, want hij wist direct met de fraaie inzet van het Allegrettoduidelijk te maken dat hij grote affiniteit met deze stijl bezit. Het was buitengewoon knap dat Peltokoski de symfonie uit zijn hoofd dirigeerde, want wat er in de programmatoelichting over de finale (het vierde deel) stond – het is een lappendeken van ideeën – lijkt min of meer voor de gehele symfonie te gelden. Je krijgt als toehoorder inderdaad het idee dat je naar fragmenten luistert, die op zich soms fraai zijn, maar waartussen samenhang ontbreekt. In dezelfde toelichting stond te lezen dat het derde en vierde deel, het scherzo en de finale zonder onderbreking worden gespeeld, naar mijn idee gebeurde hetzelfde met het eerste en tweede deel, ik kon me ook daar geen onderbreking herinneren. Dat een zo jonge dirigent op zo’n lastig te doorgronden werk al een stevige greep heeft, is bewonderenswaardig. Zo wist hij goed raad met de golvende ritmiek en onderhuidse spanning van Sibelius, liet hij het orkest in het scherzo licht en transparant spelen en klonk het slot triomfaal. Bij dat alles kwam hij op een prettige manier zelfverzekerd over, wat niet elke twintiger gegeven is. Kortom, van deze dirigent valt nog veel moois te verwachten, hopelijk samen met het Rotterdams Philharmonisch Orkest!

Willem Boone

 

TARMO PELTOKOSKI, 2021, Copyright www.peterrigaud.com

Info:

http://yujawang.com

https://www.muziekgebouweindhoven.nl/nl/

https://www.rotterdamsphilharmonisch.nl

You May Also Like

Vurige Nederlandse première voor Alexander Kastalsky’s Requiem

Oprechte emotie en vuurwerk bij Nederlands Philharmonisch Orkest

Hedendaags en vernieuwend heeft vele gezichten op het Holland Festival

De onnavolgbare toewijding van Grigory Sokolov