Warmbloedige Turandot gehuld in ijskoude kilte, maar mist allesverzengende kus

Gehoord: 4 december 2022, Nationale Opera en Ballet, Amsterdam

 

 

 

Een feest voor het oor, dat was de mening van veel bezoekers na een muzikaal warmbloedige voorstelling van Puccini’s Turandot, de onvoltooide opera die al door meerdere componisten is geprobeerd te voltooien: de cruciale scène van het sprookje, waarin de prins en prinses elkaar eindelijk in de armen sluiten, kon de componist niet meer toonzetten. Twee jaar na Puccini’s dood in 1924 voltooid door Franco Alfano, die er een triomfantelijk, bijna overdreven ‘onromantisch’ muzikaal einde aan breide, triomfantelijker misschien dan de voorgeschiedenis van de gekwetste prinses en de stoere prins deed vermoeden, en muzikaal allesbehalve bevredigend, omdat hij de opera in een knetterend fff laat eindigen, waar Puccini juist verstilde slotmaten voor ogen had, getuige de 36 pagina’s bladmuziek die hij na zijn dood achterliet.

In 2001 componeerde Luciano Berio een nieuwe finale, die ook niet erg bevredigde: muzikaal een flinke stijlbreuk met Puccini, en het liefdesverhaal eindigt er met een vraagteken, geheel in tegenstelling tot het ‘happy end’ dat in het originele libretto staat, een libretto dat Berio, niet geheel onterecht, ‘obsceen’ noemde (net als Alfano’s muziek overigens), vanwege de slotfanfare, maar ook vanwege de veel te plotselinge omslag van ijsprinses naar vurige geliefde, en dat vlák na de vreselijke dood van Liù.

 

 

De Nationale Opera had zich onsterfelijk kunnen maken door een nieuwe compositieopdracht te verstrekken die én recht zou doen aan de muzikale stijl van Puccini (die in Turandot overigens geheel afwijkt van diens vorige opera’s), én aan de ongelooflijke poëzie en diepe waarheid die dit sprookje al zeker vanaf de optekening ervan, in de 13e eeuw, kenschetsen. Of, zoals Puccini aan zijn librettist Adami schreef: ‘De liefde ontluikt tussen Turandot en Kalaf als gevolg van de liefde en dood van Liù, de liefde vernietigt het doodsvonnis, de liefde wordt geboren in het licht van het ochtendgloren, de liefde wordt bewerkstelligd door de openbaring van iemands identiteit, dus door zelfkennis.’ Puccini zag een allesbeslissende zoen voor zich, eerst wild en bijna aanrandend door Kalaf, daarna in mildheid en overgave beantwoord door Turandot, misschien zoals de allesbeslissende kus die Kundry en Parsifal uitwisselen, of Tristan en Isolde.

De Nationale Opera maakte de kapitale fout om de liefdesscène in zijn geheel te schrappen, en de twee uur durende voorstelling, zonder pauze, te laten eindigen na de liefdesdood van Liù. Natuurlijk begrepen we de overwegingen: de bekende finales zijn zowel muzikaal als scenisch totaal onbevredigend, maar het publiek de koude decembernacht in te sturen zonder de triomf van de liefde is wel een erg hard lot. Nogmaals: maak je onsterfelijk en geef nu al een compositieopdracht voor een revanche over een paar jaar, want ook dát is de functie van een groot operahuis: niet alleen moderne componisten allerlei kansen geven (die meestal slecht uitpakken), maar na bijna honderd jaar (in 2024 is het zover!) de traditionele operawereld een groot liefdescadeau geven: een mooi slot voor Puccini’s Turandot! Een pauze tussen eerste en tweede akte was dan gewenst geweest, en de noodzaak voor een ‘tweede cast’ overbodig, want terecht is voor een dubbele bezetting gekozen om de zangers in dit concept vocaal te sparen. Dat geld had naar een componist kunnen gaan die een waardig slot had gecomponeerd, maar goed, genoeg nu over dit stokpaardje. Hopelijk neemt DNO de handschoen op.

 

 

Als dít de tweede cast was, vroegen wij ons af, hoe fantastisch moet dan de eerste wel niet zijn?

 

Tenor Martin Muele begon ijzersterk aan zijn rol: een groot en prachtig geluid, nagenoeg perfect om Kalaf als een trotse, zelfverzekerde redder neer te zetten, hoewel hij er, twee uur later, in de beroemde aria ‘Nessun dorma’ achter kwam dat hij wellicht iets teveel kruit had verschoten. Niettemin was zijn interpretatie erg overtuigend, net als het object van zijn brandende verlangen, Tamara Wilson (Turandot), die een grandioze vocale prestatie leverde, temeer omdat zij de gehele voorstelling onzichtbaar was tussen en achter de overigens prachtige decorstukken van Michael Levine. Die onzichtbaarheid was weliswaar een slechte beslissing van regisseur Barrie Kosky, die in april jl. een banale Tosca regisseerde, maar wie zonder zichtbaar te zijn een complete (nou ja, behalve het slot dan) operarol kan neerzetten, is een échte operaster. Voor de veelzijdige Nederlandse tenor Marcel Reijans gold hetzelfde: ook nagenoeg onzichtbaar zette hij Keizer Altoum zo overtuigend neer, dat het even leek of de levensgrote wajangpop die hem uitbeeldde tot leven kwam. De Chinese bas Liang Li zong koning Timur uiterst aangrijpend, en Ping, Pang en Pong waren ronduit fenomenaal.

 

De voorstelling werd echter bekroond door de Armeense sopraan Juliana Grigoryan, die in haar rol van Liù Puccini’s idealen van de hoogste liefde, overgave en opofferingsbereidheid vertolkte door een vrijwel ideaal stemgebruik, vocale kleuring en, in alle eenvoud, een scenische aanwezigheid die diep ontroerde.

 

 

Dat de voorstelling, ondanks de constante onzichtbaarheid van de hoofdrolspeelster en het ijzige decor, toch warmbloedig werd kwam, naast dus de uitstekende prestaties van de solisten, door een heerlijk Italiaans spelend Nederlands Philharmonisch orkest onder leiding van een al even Italiaans dirigerende Lorenzo Viotti, die ditmaal een Puccini-opera royaal neerzette, de zangers alle ruimte gaf breed uit te meten waar dat gepast was en een robuuste, bijna Wagneriaanse klank bereikte die zo past bij deze laatste opera van Puccini. Waar hij een half jaar geleden nog een veel te voorzichtige, bijna ‘authentieke’ Tosca dirigeerde bij DNO, liet Viotti nu alle teugels los en trakteerde het publiek op een warme, emotionele Turandot waar we graag meer van horen in Amsterdam. Er mocht weer gezongen worden, luidde aanvankelijk de kop van deze recensie, en zo was het: opera zoals opera ooit bedoeld was in Italië. In het calvinistische Noord-Europa soms wel eens met wat gêne behandeld: ‘niet te gek doen, want we zijn eigenlijk bang voor het grote gebaar en de diepe, soms wat overdreven gevoelens’. Bij Viotti geen gêne en angst voor emoties: een ronde, gave muzikale interpretatie, vloeiend stromend, steeds de juiste tempi kiezend en vooral: steeds Italiaans van inborst.

 

 

Het toneelbeeld, dat geheel in de traditie van Amsterdam wederom zwart-grijs was (en ook de tl-balken ontbraken weer niet), opende met een schitterende voorstelling van een zee van liggende mensen, lijken van de eerder gestorven prinsen misschien, die Turandot hadden proberen te bedwingen. Een magische choreografie van zich verheffende lichamen en graaiende handen, begeleid door filmische beelden (inclusief rokende kostuums) met korte spreekteksten: meestal geen succes in de opera, waar het gesproken woord eigenlijk taboe is, maar hier wonderwel werkte.

 

Het eindeloze gebruik van doodshoofden had evenzo fout kunnen uitpakken, maar ook dat deed het niet, evenals de schitterende, gigantische schedel die neerdaalde in de grote raadselscène, inclusief de maden die eruit kropen. Ook het ‘dodenballet’ maakte veel indruk: de dansers hadden als enige kleur gekregen in deze voorstelling. Toegegeven: het decor van een glazen, ijskoud spiegelpaleis was mooi bedacht, maar werkte uiteindelijk toch te statisch en deed geen recht aan Puccini’s exotische kleurenspel: het zal de doorsnee operaliefhebber te weinig context hebben meegegeven. Voor de kenner die zijn zoveelste Turandot bezocht was het wél een bijzondere ervaring. De kunst is echter om in de opera voor zowel ‘Kenner’ als ‘Liebhaber’ te regisseren, en daarin slaagde de, overigens fraai uitgewerkte scène, maar deels. Goddank bleven ons moderne verwijzingen naar actuele thema’s bespaard: daarvoor zetten we het journaal wel aan.

 

 

Turandot is een echte kooropera, en het koor was, zoals vrijwel altijd in Amsterdam, fenomenaal. Zeer gedisciplineerd zingend, maar expressief, vrij en uitbundig, duidelijk uitgebreid met extra zangers (die misschien zorgden voor de sporadische rafelige inzet), gepassioneerd en vooral: zeer krachtig, zuiver en massief, precies zoals dat past in een echte, Italiaanse, Turandot. Ook Italiaans was de spontane bijval van het publiek, en achter uw recensent zat een operaliefhebster die na elke akte heel hard ‘zó!’ riep, geheel terecht: zeker een van de meest geslaagde operaproducties van dit seizoen tot dusverre, en waarschijnlijk van de laatste jaren. Chapeau.

Peter Sclamilch

 

Foto’s: Monika Rittershaus

 

Info:

https://www.operaballet.nl/de-nationale-opera/2022-2023/turandot?gclid=CjwKCAiAv9

 

You May Also Like

Debuut Teodor Currentzis bij KCO: A Match Made In Heaven.

Rondeau en Altstaedt laten barok tot de verbeelding spreken

Nederlands Kamerkoor brengt opperste vocale verrukking

Napolitana