Stormachtig applaus voor altist Tamestit en KCO

Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Klaus Mäkelä. Met Antoine Tamestit, altviool. Hector Berlioz – Harold en Italie, Robert Schumann – Symfonie nr. 3. Gehoord: 9 januari 2026, Concertgebouw, Grote zaal, Amsterdam*
Door Peter Schlamilch
Harold en Italie van Hector Berlioz is een symfonie met obligate altviool uit 1834 en volgt een melancholische zwerver, Harold, op zijn reis door de Italiaanse Abruzzen. Het verhaal wordt verteld door middel van vier muzikale scènes, waarbij de solo-altviool de rol van Harold – het alter ego van Berlioz? – vertolkt, en in tegenstelling tot een traditioneel concert, waarbij de solist virtuositeit en strijd toont, is de altviool hier een ‘personage’ die de omgeving observeert en becommentarieert.

Zijdezacht en eenzaam
Er is een deel dat zich in de bergen afspeelt, met scènes van droefheid, geluk en vreugde, als een ‘ontsnapping aan de wereld’ en de ontdekking van de Italiaanse natuurschoonheid. Er is een Processie van de pelgrims in hun avondgebed, een Serenade van een Abruzzese bergbewoner aan zijn geliefde en een Orgie van bandieten, met frenetieke en intense muziek, die wordt overspoeld door de chaos en energie van de orgie. Het was dus een gouden vondst om de Parijse altviolist Antoine Tamestit na de orkestinleiding pas op te laten komen, hoog bovenaan de lange trap van het Concertgebouw, en hem daarna, als een echte zwerver, al spelend door het orkest te laten dwalen, zijdezacht en eenzaam aan zijn solo beginnend na een prachtige orkestinleiding.

Adembenemende opening
Berlioz zelf had dit zeker niet zo voorzien, want hij schreef in de partituur dat de altist naast de harp moet staan, op de voorgrond, ‘geïsoleerd van het orkest’. Het effect was echter poëtisch en beeldend, niet in de laatste plaats door de fenomenale klankschoonheid van Tamestits Stradivarius uit 1672, de eerste altviool die de grote Milanese vioolbouwer ooit maakte. Het instrument ronkte in de handen van meesterviolist Tamestit sonoor, diep en kleurrijk, en zijn dialoog met de harp klonk gloedvol maar uiterst intiem – een adembenemende opening. De altviolist wendde zich daarna tot alle groepen in het orkest en er ontspon zich een ware muzikale wedloop, uitmondend in een enorme climax aan het slot van het eerste deel, waarna het applaus eigenlijk onvermijdelijk was – en dat terwijl dit muziekstuk nu juist géén concert (concertare, wedijveren) in de eigenlijke zin des woords is.

Spookachtig en expressief
Het tempo in het tweede deel lag misschien wat hoog voor een pelgrimstocht maar zo wilde Berlioz het uiteindelijk, getuige de aanwijzing Allegretto in de partituur – misschien waren zijn gelovigen net van huis vertrokken en nog vol energie. Tamestit nam nu plaats achter het orkest, bij de hoorns, en er volgde een uiterst bijzondere, lange en vlekkeloze unisono-passage met de eerste hoornist en klarinettist, die weergaloos zuiver, gelijk maar vooral indringend klonk – hier toonde Berlioz zich als de ware instrumentatiemeester waarom hij bekend staat: alleen Wagner was waarschijnlijk zijn meerdere. De eindeloze arpeggio’s (ponticello, aan de kam) van de solist waren loepzuiver, spookachtig en toch expressief – wát een musicus is deze altviolist.

Waanzinnige musicus
De serenade uit het derde deel klonk ook inderdaad zo: als een serenade. Met brede streken voluit zingend, heerlijk zoemend begeleid door het KCO onder Mäkelä’s prachtige, wiegende slag, poëtisch en warm en vooral retorisch: vragen werden gesteld en beantwoord, en de verschillende stemmen gingen prachtige en begrijpelijke dialogen met elkaar aan – ook Tamestit deed volop mee: nu vooraan staande vertelde hij een echt muzikaal verhaal. In het vierde deel keerde de grilligheid van het eerste terug, en de altist speelde weer van achter het orkest, om dan plotseling gehaast af te hollen voor alweer een goede vondst: hij voegde zich bij het ‘Ferntrio’ van twee violen en cello, ook weer bovenaan de trap, om ze om te smeden tot strijkkwartet – ook deze locatie was niet door Berlioz voorzien, maar in Amsterdam steengoed bedacht. Het stormachtige applaus voor deze waanzinnige musicus (en zijn dito instrument) was volkomen terecht.

Optimisme en levensvreugde
Schumanns Derde symfonie die na de pauze werd gespeeld was degelijk en technisch uitstekend, maar miste soms die avontuurlijke grilligheid die de componist in zijn noten legde – denk alleen al aan de grootse, kathedraal-achtige hemiolen waarmee het werk begint. Het orkest speelde, net als voor de pauze, meer dan uitstekend en er waren prachtige solo’s te horen, maar meer frisheid en viriliteit hadden niet misstaan – Schumann componeerde de symfonie in 1850, kort nadat hij met zijn vrouw Clara naar Düsseldorf was verhuisd en het werk werd geschreven tijdens een relatief gelukkige periode in Schumanns leven, voordat zijn geestelijke gezondheid verder achteruitging. De muziek straalt dan ook optimisme en levensvreugde uit, die Mäkelä wat meer had mogen benadrukken: hij is actief, kijkt zijn musici veel aan en verspreidt een positieve energie, maar die is soms te algemeen, ongericht en soms zelfs wat ‘standaard’.

Vriendelijk
Het tweede deel was veel pittiger en vrolijker en klonk als de spreekwoordelijke klok, en het derde was net zo poëtisch en wiegend als de serenade van voor de pauze: dat kan de Finse rasmusicus als geen ander. En gelukkig dirigeerde hij het niet ‘in achten’, zoals je nog wel eens ziet (en de componist ook lijkt te suggereren), want dat hakt dan de muziek in mootjes: daar is Mäkelä veel te veel musicus voor. Het inleidende koperkoraal van het vierde deel werd schitterend gespeeld: zacht maar intens en op geweldig resonerende, maar toch pianissimo cello’s en bassen. Mäkelä voelt zich thuis bij het orkest en hij wordt duidelijk gewaardeerd, maar soms lijkt het alsof zijn aanwijzingen (zachter, sterker) niet allemaal goed aankomen en worden opgevolgd – een echte ‘orkesttiran’ is hij natuurlijk niet en dat past ook niet bij hem, maar te veel vriendelijkheid kan tot routine verworden en daar is niemand bij gebaat. Het publiek zal altijd af blijven komen op het spannende en onverwachte, soms zelfs het schokkende en confronterende wat onze klassieke kunst te bieden heeft – dáár zit onze kracht.
Peter Schlamilch
* Deze recensie betreft de live-versie in de zaal. De concertregistratie kan, door de opnametechniek, uiteraard afwijken.