BRUCKNER BIJ NNO: FØRR EVIGHETEN

Noord Nederlands Orkest o.l.v. Eivind Gullberg Jensen m.m.v. Isabelle van Keulen, viool. Werken van Mozart en Bruckner. Gehoord: 24 januari 2026, Oosterpoort, Groningen
Door Dirk Meijer
Zaterdagavond werden in de Oosterpoort in Groningen zowel het 5de vioolconcert van Mozart (in A KV 219) uitgevoerd als, een groter contrast lijkt op het eerste gezicht bijna ondenkbaar, de Symfonie Nr. 9 in) van Anton Bruckner.
Op knappen…
Als we het beknopte programmaboekje, dat ons vlak voor binnenkomst werd uitgereikt, zouden moeten geloven, zou er toch één overeenkomst zijn: ‘beide werken staan op knappen’. Je schrikt even als je dat leest, want wat zou daar nou mee bedoeld worden? Toch alstublieft geen vooruitziende blik van beide componisten, dat eens ene Erdohan en Donald Trump aan de macht zouden komen…. Ik weet het, ook tijdens de achttiende en negentiende eeuw waren er al rare snoeshanen aan de macht. En Marcus Aurelius schreef ooit al dat de geschiedenis zich altijd blijft herhalen, maar toch was ik benieuwd, of mij enige duidelijkheid zou worden verschaft tijdens het beluisteren van beide hierboven genoemde werken…
En dan stond ook nog eens in diezelfde programma-aankondiging, hoelang deze twee programmaonderdelen zouden gaan duren. Hoe zou je dat nu al van tevoren moeten weten? Voor de zekerheid heb ik toch maar even op mijn horloge gekeken, maar beide vermeldingen van tijdsduur bleken onjuist (ik zou trouwens ook absoluut niet weten, wat de waarde is van dergelijke toevoegingen…).

Fijnzinnige Mozart
Maar goed, violiste Isabelle van Keulen was de soliste in Mozart’s vioolconcert. Haar fijnzinnige interpretatie (met neem ik aan eigen cadensen) maakte helaas net iets te weinig indruk. Dirigent Gullberg-Jensen dirigeerde zeer gedreven en accuraat, alsof hij geïnspireerd was geraakt door zijn (Noorse) landgenoten van voetbalvereniging Bodø Glimt, die afgelopen dinsdagavond Manchester City werkelijk van de mat veegden.
Bij deze gedrevenheid toch enkele kritische kanttekeningen: de strijkersbezetting van het orkest had wat mij betreft mogen worden uitgedund. Voor Mozart’s doen stond er toch wel een heel groot (romantisch) strijkersapparaat (met twee hobo’s en twee hoorns) tegenover die ene soloviool. Het effect daarvan wordt in de kraakheldere akoestiek van de concertzaal nog eens extra versterkt ten gunste van het orkest, en dan wordt zelfs de kleinste oneffenheid niet verbloemd.
En wat betreft de tempi: met name die in de beide hoekdelen waren aan de (te) forse kant, Zeker, in het eerste deel, Allegro aperto, werd de luisteraar onmiddellijk gegrepen door de gedrevenheid, maar in het Rondeau kreeg de soliste nauwelijks de tijd om uiting te geven aan alle loopjes en versieringen in deze bovenal galante compositie (al ben ik niet bij de repetitie geweest en weet je nooit zeker, wie van beiden, de soliste of de dirigent, uiteindelijk de tempi bepaalt). Of zou dit het onderdeel zijn – met de overbekende ‘Turkse mars’ – dat op knappen stond? In dit simpel opgezette middengedeelte, fungerend als Menuet, mag het tempo, als groot contrast krachtig en stevig zijn, maar dan, bij terugkeer naar het Rondeau thema zou het galante en dansante tempo weer de boventoon moeten voeren.
Hoogtepunt van deze uitvoering was in ieder geval het zangerige Adagio, waarin solist en orkest tot innige samenwerking kwamen. Daarom toch nog zeven puntjes.

Bruckner
Komen we bij de Negende symfonie van een diepgelovig mens, die nog één keer al zijn diepgewortelde gevoelens (maar tegelijk ook onzekerheden) te berde brengt in een weergaloze compositie, weergaloos uitgevoerd door het Noord Nederlands Orkest.
Om te beginnen gebruikt de componist een orkestratie, die er niet om liegt: 3 fluiten (+ piccolo) – 3 hobo’s (+ althobo) – 3 klarinetten (A en Bb) – 3 fagotten (+ contrafagot); 8 hoorns (4 – 8 ook Wagner tuba in verschillende liggingen) – 3 trompetten (in F) – 3 trombones (alt, tenor, bas) – contrabastuba; pauken (2 spelers) en strijkers.
Grotere contrasten in deze monumentale (afscheids) symfonie zijn nauwelijks denkbaar.
Het is bijna meer een motivisch werk geworden met enorme klankvelden als thematiek, dan een compositie, waarin de thema’s helder tegen elkaar zijn afgebakend. Zo klinkt bijvoorbeeld na de expositie van het eerste deel (met de dalende kwinten in de strijkers als bijna eerste thematisch klankcomplex) een enorme doorwerking, waarin één grote versmelting van het klankmateriaal voorbijkomt.

Van transcendent naar immanent
Als je naar de symfonie zit te luisteren, schiet je ineens de volgende gedachte te binnen: ook al zijn er grote verschillen in weergave van expressie en zijn het geen tijdgenoten van elkaar, de Franse componist Olivier Messiaen zou zo maar eens een groot bewonderaar geweest kunnen zijn van Bruckner. Beiden overtuigd katholiek, maar beiden met een uitdrukking en spiritualiteit die totaal van binnenuit komt: de betekenis van hun composities is van de eerste tot de laatste noot doorleeft, zowel in de overgave, maar ook in de twijfel. En in het opera omnia van beiden nemen de afsluitende composities, de negende symfonie versus ‘Quator pour la fin du temps’ een zeer prominente plaats in, waarin het transcendente gedachtegoed volledig plaats heeft gemaakt voor het immanente.

Wagner, Richard Strauss
Na afloop denk je ook nog eens na over het feit hoe groot de werkelijke affiniteit geweest moet zijn tussen Bruckner aan de ene kant en Wagner en Richard Strauss aan de andere. De laatste twee hadden onze Lieve Heer al lang aan de kant geschoven en dat zal toch, ondanks het gebruik van meerdere Wagner-tuba’s geleid hebben tot een enigszins onderkoelde relatie.
Eerste twee delen
Met zo’n enorm klankapparaat komt Bruckner tot uitgebreide kleurschakeringen, felle uitbarstingen die je soms de schrik om het hart doen slaan, maar ook tot kleine details (bijvoorbeeld het korte fragment in de hobo, met de zo karakteristieke Dorische sext, of, vooruit, verminderd septime) dat daarna steeds weer naadloos ingepast had kunnen worden in de partituur, hetgeen de componist waarschijnlijk bewust naliet. De kunst van het weglaten, waarmee hij de luisteraar echter wel aan het denken zet.
De twijfel spreekt niet alleen uit het eerste deel, maar toch uit het begin van het Scherzo, waarin de strijkers door middel van felle pizzicati een dalend verminderd none akkoord ten gehore brengen: stapeling van kleine tertsen, waarna zich een interessant klankveld ontvouwt van mineur, volledig gelijkwaardig afgewisseld door majeur.
Het trio is speelser, lichter, maar ook hier klinkt bijna een soort ecliptische spanningsboog, die je tot op de punt van de stoel doet blijven zitten, en dan moet de alles omvattende climax, het innerlijke hoogtepunt van de symfonie nog komen.
Afsluitend Adagio
In het afsluitende Adagio moet een antwoord komen op de lij(ei)dende vraag of alles niet om niets is geweest, en of de componist na afloop zijn Hogere Macht nog recht in de ogen kan blijven kijken. Je voelt als het ware de innerlijke strijd, maar aan de toevoeging die Bruckner aan dit deel mee geeft, ‘Langsam, Feierlich’ lijkt het antwoord op zijn levensvraag duidelijk te worden
Toch behelst Feierlich hier toch ook een innerlijke devotie, want het slot is al even verrassend en aangrijpend als de gehele symfonie. Het zegt veel, of eigenlijk toch ook weer niet, want daar waar het verlangen het aller hevigst is, schieten woorden immers het innerlijke hoogtepunt van de symfonie nog komen.
En misschien daarom ook wel eindigt deze symfonie in d klein op een ingehouden E groot akkoord, pianissimo.

Bezielde heilige drie-eenheid
Toch behelst Feierlich hier toch ook een innerlijke devotie, want het slot is al even verrassend en aangrijpend als de gehele symfonie. Het zegt veel, of eigenlijk toch ook weer niet, want daar waar het verlangen het allerhevigst is, schieten woorden immers tekort. En misschien daarom ook wel eindigt deze Symfonie in d klein op een ingehouden E groot akkoord, pianissimo. En dat maakt, dat een vierde deel volslagen overbodig is en dat het gelukkig bij een aantal schetsen gebleven is. Zo kan de drieëenheid hoog in het vaandel blijven staan.
De componist droeg zijn laatste symfonie op aan Onze Lieve Heer. Zijn spirit dwaalde tijdens de uitvoering ongetwijfeld door de Oosterpoort in Groningen en hij zal zich opnieuw intens dankbaar hebben gevoeld.
Het was zaterdagavond een uitvoering om niet gauw te vergeten. Gullberg Jensen dirigeerde vanuit het diepst van zijn ziel, zonder de helderheid uit het oog te verliezen, en dat werd opgepakt door het orkest. Het resultaat was overweldigend en tegelijkertijd overrompelend.
Anton Bruckner, Eivind Gullberg Jensen en het NNO: voor de eeuwigheid!
Dirk Meijer

Info:
https://nno.nu
https://www.isabellevankeulen.com