Oogstrelende Semele bij De Nationale Opera

Georg Friedrich Händel – Semele. Le Concert d’Astrée o.l.v. Emmanuelle Haïm. Met Elsa Benoit (Semele), Jakub Józef Orliński (Athamas), Jasmin White (Juno), David Portillo (Jupiter), Florian Boesch (Cadmus/Somnus), Jessica Niles (Iris), Nadezhda Karyazina (Ino), Jasurbek Khaydarov (Priester). Regie: Claus Guth. Gehoord: 29 januari 2026, Muziektheater, Amsterdam
Door Peter Schlamilch
Wie veel door Europa reist en operavoorstellingen bezoekt, weet dat er vaak oogstrelende producties zijn die spetteren van kleuren, effecten en geweldige decors en kledij, en waarin het vertonen van vijf, zes of zelfs meer toneelbeelden per voorstelling geen uitzondering is. Zo’n productie, van de Bayerische Staatsoper en de Metropolitan Opera, was de afgelopen maand in Amsterdam te zien en was visueel van A tot Z adembenemend: alle bovenstaande ingrediënten waren aanwezig, alles klopte en nergens een spoor van woke-politiek, hoewel het programmaboekje nog wat pruttelde over het achterhaalde patriarchaat of zoiets, maar dat zijn achterhoedegevechten.

Lust voor het oog
Zelden zag ik een voorstelling bij de Nationale Opera die visueel gestroomlijnder verliep dan deze: de schitterende koninklijke trouwzaal, hoewel steriel wit, om de kille gevoelens van de hoofdpersoon te duiden, werd aan het eind van de akte door Semele volkomen aan gort geslagen met een enorme bijl, om te ontsnappen naar haar werkelijk grote liefde, de god Jupiter (OK, enige minpuntje was misschien dat de bijl erg veel leek op die van een moderne bouwmarkt, maar dat vergaven we de rekwisietenafdeling met liefde, omdat er elders zoveel moois te zien was). Enorme, onheilspellende vogels (en hun schaduwen) vlogen dreigend heen en weer, en het donkere bos in de tweede akte was simpel maar uiterst doeltreffend. Het ballet en de acrobatiek waren geen afleiding maar voegden echt wat toe, en zelfs een anachronistisch element als de nonchalante sigaret van Juno drukte zoveel minachting en hoogmoed uit dat ook dat een gouden vondst was. En daarmee zat de voorstelling boordevol – een totale lust voor het oog, mede dankzij het licht van Michael Bauer en dus de decors van Michael Levine.

Door merg en been
Ook de kostuums van Gesine Völlm waren een belevenis op zich (wat een waanzinnige schoenen, ook), de bescheiden maar indrukwekkende videobeelden van ‘rocafilm’ (Roland Horvath) en de choreografie van Ramses Sigl waren fenomenaal. Opera op zijn best, weg van die grauwe tinten waar ‘ernstige’ regisseurs zo veel diepgang mee proberen te suggereren: regisseur Claus Guth bewijst dat je als kijker niet hoeft te lijden om een diepzinnig drama te begrijpen: juist te midden van al die kleurenpracht is de eenzame Semele, uiteindelijk gestorven voor het éénmaal in haar leven beleven van die allesverzengende liefde, een verbeelding van diep menselijk verdriet, verraad zelfs, en vernietiging. Zoals Guth haar, als dode schim, laat toekijken hoe de door haar afgewezen bruidegom hertrouwt met haar zuster gaat door merg en been. Dat ze van haar dekentje (door haar zuster liefdevol aangereikt tegen de kou: ze loopt vrijwel de hele voorstelling kwetsbaar in haar onderjurk) het baby’tje vouwt dat volgens de Griekse mythologie uit haar as wordt geboren, is even doodsimpel als geniaal.

Matige kwartieren
Regisseur Groth is een hele grote, hoewel de personenregie af en toe iets meer uitwerking kon hebben gehad, maar omdat ik door omstandigheden slechts de laatste voorstelling kon bezoeken kan het ook daaraan gelegen hebben. Het openingsbeeld, tijdens de ouverture, van Semele die uit haar trouwjurk ‘ontsnapt’ had ik wel eens eerder gezien, maar dat geeft niet: het was sterk en zette direct de toon, hoewel Semele’s verlangens wel wat hoger zijn dan alleen ontsnappen: ze voelt zich als een magneet aangetrokken tot die hogere, onalledaagse, godenwereld. Het orkest schetste in diezelfde ouverture een veel grover beeld: dirigente Emmanuelle Haïm, die ik afgelopen zomer in Salzburg nog ‘sterk en kundig’ noemde, leidde ‘haar’ uitstekende Le Concert d’Astrée met een zó hoekige en puntige slag, op het verbetene af, dat de klank de hele avond wat donker en gespannen was. Ze is enorm beweeglijk, maar dat resulteert niet in een vrije, ronde klank, zeker niet bij het koor, dat het met een paar speldenprikjes moest doen als inzet: zo laat je een koor niet tot zijn recht komen. Eigenlijk klonk alleen het slotkoor voluit en dragend, de andere koren waren, door de nogal mathematische aanwijzingen van Haïm, vrij stijfjes en aarzelend. Het orkest speelde prima, maar de baskant overheerste nogal eens, doordat de violen vaak net te weinig projecteerden (iets meer vibrato?) in deze voor barok lastige zaal. De blazers waren matig hoorbaar. Händels muziek wordt vaak als een meesterwerk omschreven, maar in feite zitten er vrij veel matige kwartieren in die vaak nogal laag (van toon) zijn gezet.

Geweldig breakdancen
Natuurlijk helpt Händels uiterst beperkte talent (ik wilde schrijven: klunzigheid) op het gebied van de instrumentatiekunde dan niet mee: alleen al de schaarse orkestbezetting (naast strijkers slechts twee hobo’s en fagotten, twee hoorns en trompetten en pauken) geeft zijn muziek die typische ‘beperkte’ Händel-klank (vergelijk dat eens met Bach!), maar ook het feit dat hij met die weinige middelen ook nog eens veel stemmen in unisono laat spelen, maken zijn partituren tot soms (niet altijd!) dorre muziekvlakten.
Ook de zangers deden niet allemaal recht aan dit visuele spektakel. Of het aan de laatste voorstelling lag (zou niet moeten) of aan iets anders: velen klonken mooi maar wat futloos. Semele (de Franse sopraan Elsa Benoit) zong uitstekend maar haalde met haar wat bescheiden geluid nergens eens echt lekker uit, hoewel ze in haar beroemde Endless pleasure, endless love wel wat meer loskwam. Haar bruidegom, de Poolse countertenor Jakub Józef Orliński (Athamas) kan geweldig breakdancen, maar ik vond zijn intonatie en stemgeluid ronduit onfraai en ook te klein voor de Amsterdamse zaal. Semele’s vader (en slaapgod), de Oostenrijkse bariton Florian Boesch, geldt volgens het programmaboek als ‘specialist op het vlak van Lied en Oratorium’ en zo zong hij ook: een prachtige, zachtmoedige, ronde klank maar echt opera werd het bij hem niet.

Eenzaam op het feest
Wie wel overtuigde was de Russisch-Zwitserse mezzosopraan Nadezhda Karyazina (Ino) als de zus van Semele: ze zong haar kleine rol genereus en weldadig, en wist, in tegenstelling tot de eerdergenoemden, de zaal wel te vullen, heel fijn. Ook de Amerikaanse alt Jasmin White (Juno) was goed hoorbaar, en zeker in de lage en middenregisters heel mooi, in de hoogte soms wat minder. Ze speelde gelukkig uitstekend en heeft een echte podiumaanwezigheid.

De Amerikaanse tenor David Portillo maakte de meeste indruk: zijn vertolking van de vreeswekkende god Jupiter was prachtig, zijn coloraturen perfect en zijn stem droeg gelukkig uitstekend. Hij speelt goed, hoewel ik wat meer van zijn ‘ontpopping’ had verwacht: misschien het enige foutje in de regie, want Semele is wel heel plotseling overleden, zonder veel misbaar en gedoe. Zoals eerder gezegd: haar slotscène, eenzaam op het feest, is prachtig – eerst wordt ze nog enigszins herkend en waargenomen, maar al gauw neemt het leven weer zijn loop en is het drama ‘vergeten’. Een prachtige voorstelling!
Peter Schlamilch
Foto’s: Bart Grietens
Meer info: DNO