Yannick Nézet-Séguin aanwinst voor het Weens Nieuwjaarsconcert

Gehoord: 30 december 2025, Musikvereinsaal, Wenen.
Door Dr. Marcel S. Zwitser
Voorafgaand aan het Weens Nieuwjaarsconcert 2025 had ik een kort onderhoud met de orkestvoorzitter van de Wiener Philharmoniker, Daniel Froschauer, waarin deze benadrukte dat er nodig jongere dirigenten voor het Nieuwjaarsconcert moesten worden aangetrokken. Vanaf dat moment hield ik rekening met een nieuw gezicht voor het volgende jaar. Zoals gebruikelijk werd de naam van de dirigent van het volgende nieuwjaarsconcert tijdens de toegiften in social media bekend gemaakt – en daar werd Yannick Nézet-Séguin als de volgende dirigent voor nieuwjaarsdag gemeld.

Reis om de wereld
Doorgaans is het de orkestvoorzitter die tijdens de persconferentie in het Hotel Imperial op de dag vóór de drie opeenvolgende concerten het concertprogramma toelicht, maar dit keer was het de dirigent die de introductie voor zijn rekening nam. Volgens Nézet-Séguin was het idee achter het programma een muzikale reis over de wereld waarin enerzijds hoorbaar zou zijn hoe de Weense muziek invloeden uit andere culturen heeft opgenomen, maar anderzijds ook hoe andere culturen de Weense muziek hebben geabsorbeerd. Op zich was het idee van een muzikale reis om de wereld niet nieuw: ook het programma voor het nieuwjaarsconcert van 2000 stond met onder meer de Lagunenwalzer (Italië), Hellenen-Polka (Griekenland), Albion-Polka(Engeland) en Gruß an Prag (Tsjechië) in dit teken. Representatief voor het eerstgenoemde aspect in het programma voor dit jaar waren Carl Michael Ziehrers wals Donausagen, Lanners Malapou-Galopp en Johann Strauss jr.’s Fledermaus Quadrille. De inleiding tot Ziehrers wals zinspeelt overduidelijk op Hongaarse motieven en er klinkt zelfs een citaat uit het (nu volledig vergeten) ballet Eine Hochzeit in Bosnien uit Josef Bayer in. De Malapou-Galopp is de respons op voorstellingen van Indische danseressen begeleid door meegereisde musici op Indische instrumenten in diverse Weense theaters in de zomer van 1839. De quadrille is een van oorsprong Franse dansvorm, die Johann Strauss sr. tijdens een bezoek aan Parijs geprobeerd heeft zich eigen te maken door een tijdje zitting te nemen in een Frans orkest. Illustratief voor het andere aspect was volgens Nézet-Séguin de Rainbow Waltz van de Afro-Amerikaanse componiste Florence Price, waarin te horen is hoe de Weense dansmuziek is omarmd in de Verenigde Staten. Uiteindelijk culmineerde het programma in de afsluitende wals Friedenspalmen van Josef Strauss als muzikaal symbool voor een vrede waarin we elkaars verschillen accepteren, aldus de dirigent.

Arrangement
In de aansluitende ‘Medienprobe’ – de repetitie waartoe de media toegang krijgen – viel meteen in de eerste minuten van de ouverture Indigo und die vierzig Räuber de dansante souplesse in de door Nézet-Séguin gecreëerde orkestklank al op. Die moet Nézet-Séguin als geboren Montréaler naar alle waarschijnlijkheid van Charles Dutoit hebben opgepikt, die immers in Nézet-Séguins jeugdjaren chefdirigent van het Orchestre symphonique de Montréal was en die zelf in zijn jonge jaren van Ernest Ansermet het advies kreeg dat ‘altijd alles moet dansen’. Tijdens die repetitie luisterde ik al met verbazing naar de galop Der Carnaval in Paris van Johann Strauss sr, aangezien deze zó anders klonk dan in 2010 onder Georges Prêtre. Toen tijdens de pauze van de Voraufführung de bibliothecaris van de Wiener Philharmoniker zich een moment op het podium vertoonde, greep ik mijn kans bij hem mijn licht op te steken. Het bleek dat de uitvoering in 2010 er één van een arrangement van Michael Rot betrof, maar dat we ditmaal een uitvoering uit de oorspronkelijke materialen te horen kregen – waarbij de kwestie van de precieze orkestbezetting een moeilijk punt blijft, omdat het nieuwjaarsconcert primair een feestconcert van de Wiener Philharmoniker is en niet een muziekhistorisch verantwoorde uitvoering van 19e eeuwse dansmuziek.

Wel gearrangeerd – door Wolfgang Dörner – waren de twee dansen in het programma van de hand van componerende dames. Weliswaar was de polka mazurka Sirenen-Liedervan Josephine Weinlich (1848-1887) oorspronkelijk gecomponeerd voor het door haar opgerichte ‘Erste Europäische Damenorchester’, maar omdat de orkestversie verloren is gegaan en ons alleen een pianoreductie van de Sirenen-Lieder rest, was een herorkestratie noodzakelijk. Het resultaat is minder problematisch dan de vorig jaar door de media zo buitenproportioneel gehypte Ferdinandus-Walzer van Constanze Geiger, omdat daarin overduidelijk was dat zowel Riccardo Muti als Wolfgang Dörner een dermate grote hand in het eindproduct hadden gehad, dat het veel meer op hun conto kwam dan dat van Geiger. Ditmaal gaat het alleen om een orkestratie van een dans, waarvan de muzikale essentie volledig van Weinlich is. Met de Rainbow Waltz van Florence Price (1887-1953) ligt het in zoverre anders dat haar onmiskenbaar Amerikaanse noten door Dörner in een Weens jasje waren gestoken, waardoor het merkwaardig hybride overkwam. Alle goede bedoelingen van de Wiener Philharmoniker ten spijt om ook componerende dames een podium te willen bieden, moet ik bekennen dat de resultaten mij tot dusver niet overtuigen. In het geval van Price’s Rainbow Waltz komt hier nog bij dat het stilistisch te veel uit de toon valt. Combineerde de voormalige orkestvoorzitter Clemens Hellsberg in de door hem samengestelde programma’s (2008-2015) de werken van de Strauss-dynastie steeds met die van tijdgenoten, die zelf hun waardering voor de muziek van de Strauss-familie niet onder stoelen of banken staken – waaronder de Mephisto–wals van Liszt (2011), twee delen uit het ballet Doornroosje van Tsjaikovski (2012) en orkestrale delen uit opera’s van Wagner en Verdi (2013) – met de bedoeling zo te laten horen hoezeer de muziek van de Strauss-broers zich kwalitatief kan meten met die van de grootmeesters uit hun eigen tijd, gezien de zowel geografisch als stilistisch grote afstand tot de Strauss-muziek is Price’s Rainbow Waltz een brug te ver. Zet de stukken van Weinlich en Price af tegen de Zirkus-polka van Philip Fahrbach jr (1843-1894) – lid van een andere Weense familie die drie generaties lang werkzaam was in de dansmuziek, die dit jaar ook voor het eerst zijn opwachting maakte in het Weens Nieuwjaarsconcert – dan is er sprake van een niet te veronachtzamen klassenverschil in het voordeel van de laatste.

Aanwinst
Zondermeer wèl overtuigend was het debuut van Yannick Nézet-Séguin als nieuwjaarsdirigent. Elegant dansend op de bok ontlokte hij prachtige subtiliteiten aan de Wiener Philharmoniker, niet in de laatste plaats in mooi gearticuleerde binnenstemmen. Zowel de romantiek van grote walsen als Josef Strauss’ Frauenwürde als Friedenspalmen als de pret in de Fledermaus-Quadrille of het bruisende begin van Suppè’s ouverture Die schöne Galathee kwamen onder zijn leiding prima uit de verf – en als het aankomt op het dirigeren van het publiek in de Radetzky-Marsch laat Nézet-Séguin qua aanstekelijkheid zelfs de volledige concurrentie achter zich. Alleen Rosen aus dem Süden kwam niet helemaal los, wat opmerkelijk was omdat Nézet-Séguin juist deze wals als een persoonlijke favoriet had aangemerkt. In de persconferentie erkende Nézet-Séguin wel even wat tijd nodig te hebben gehad om te wennen aan alle beperkingen die aan een nieuwjaarsconcert verbonden zijn (vooral de tijdsduur van de eerste helft van het concert komt akelig precies), maar in vergelijking met Daniel Barenboim (2009) of Franz Welser-Möst (2011), die in hun eerste nieuwjaarsconcerten hoorbaar nog zoekende waren, tekent Nézet-Séguin voor een debuut op het niveau van minstens het eerste nieuwjaarsconcert van Zubin Mehta (1990). Als Strauss-dirigent is Yannick Nézet-Séguin een echte aanwinst. Dat Tugan Sokhiev uitverkoren is voor het Nieuwjaarsconcert 2027 was al enige tijd een hardnekkig gerucht in de Oostenrijkse hoofdstad.
Dr. Marcel S. Zwitser

Info:
De registratie van het Weens nieuwjaarsconcert 2026 zal digitaal beschikbaar zijn vanaf 9 januari, de dubbel-cd vanaf 16 januari en de dvd, blu-ray en de vinyl-uitgave op 30 januari.