De wereld van Jan Zwart

Jan Zwart (1877-1937) is een van de bekendste organisten uit de Nederlandse muziekgeschiedenis. Hij wist het orgel als geen ander voor het voetlicht te halen en te promoten. Als eerste organist speelde hij in radio-uitzendingen. Naast het geven van orgelconcerten schreef hij ook zelf orgelmuziek, die met name in de orthodox-gereformeerde kring erg populair werd. Nog altijd spelen organisten zijn composities. Nu verschijnt de eerste biografie van deze grote organist, geschreven door zijn kleinzoon. Hierin worden naast zijn leven ook de thema’s uitgediept waarmee Zwart zich bezigheid, waaronder zijn verdediging van het werk van Sweelinck
Boekbespreking door Emanuel Overbeeke
Sommige musici zijn veel meer dan alleen uitstekende musici. Willem Mengelberg (1871-1951) gold voor 1940 als het boegbeeld van de hoge muziekcultuur in Nederland en Frans Brüggen (1934-2014) was in de jaren zestig een exponent van de counter culture. In die categorie behoort ook Jan Zwart (1877-1937), die in het interbellum landelijke bekendheid verwierf met zijn orgelbespelingen voor de NCRV en wellicht daardoor in een klimaat van verzuiling gold als de meest vooraanstaande protestantse musicus. (De vermoedelijk enige katholieke musicus die diezelfde status had onder katholieken en ook daarbuiten is wellicht Hendrik Andriessen.) Hoewel hij een bekende naam is, ook bijna tachtig jaar na zijn dood (zijn kleinzoon Frits vertelde mij een paar jaar geleden dat hij nog elke dag de vraag krijgt of hij familie is van de oude organist), was de literatuur over hem tot voor kort bescheiden van omvang. Reden voor Frits om een boek aan zijn opa te wijden.

Jan Zwart (midden voor) met zijn Kerkkoor
Overvloed aan feiten en details
Wie Frits’ eerdere biografie van Willem Mengelberg kent, zal niet verbaasd zijn over de aanpak. Frits geeft een overvloed aan feitelijke details, indien mogelijk grondig gedocumenteerd plus indien relevant en aanwezig de uiteenlopende meningen over een kwestie waarna Frits een genuanceerd oordeel uitspreekt. Een mening is bij hem altijd een conclusie, soms open als meerdere interpretaties mogelijk zijn en soms zeer kritisch jegens deze of gene. Voor iemand die schrijft over een familielid (die hij niet heeft gekend, wel diens weduwe), die veel informatie gebruikt uit de privésfeer die alleen familieleden kennen en die tegelijk tijdens zijn leven een grote landelijke bekendheid heeft, is het boek uitstekend geslaagd. Hij neemt het in sommige discussies en conflicten duidelijk op voor zijn opa, maar ik kreeg niet de indruk dat het familielidmaatschap de wetenschap in de weg zit, wat bijzonder is in de huidige tijd waarin steeds meer mensen de behoefte voelen een boek te wijden aan een familielid. Soms had hij van mij meer informatie mogen geven over de context waarin zijn opa actief was en waarvan de kleinzoon de grote lijnen goed schildert, bijv. het kerkelijke landschap en de stand van het onderzoek rond Sweelinck. Soms vroeg ik mij af wat de zin is van allerlei privédetails, bijv. de mededeling dat hij eens problemen had met het betalen van de hondenbelasting. Humoristisch zijn de auteur en zijn onderwerp zelden, maar een enkele opmerking lijkt mij ook als grap bedoeld. (Toen Jans zoon een muziekstuk nogal traag speelde, reageerde Jan met ‘Speel niet zo gereformeerd’.) Frits wil net als in zijn biografie van Mengelberg uitputtend zijn in zijn informatie, wat begrijpelijk is omdat veel tot nu niet algemeen bekend was zodat het nu weer jaren zo niet decennia duurt voordat een nieuw boek over Jan Zwart verschijnt. Voor Mengelberg geldt hetzelfde. Het boek is chronologisch van opzet. Aspecten van het werk, zoals opleiding, eerste functies, contacten met kerkbestuurders, opzet van de programma’s van de concerten, eigen composities, de relatie met de NCRV, plaatopnamen in Berlijn in 1932, de economische crisis van de jaren dertig en de gevolgen ervan voor kerken, uitgaven, leerlingen en zijn spel, komen ter sprake wanneer dat in het leven speelt.

Pleitbezorger van de orgelmuziek
Jan Zwart lijkt in zekere zin op Mengelberg. Beiden begonnen bescheiden en groeiden uit tot superieure belichamingen van een belangrijk deel van de Nederlandse cultuur. Mengelberg was al op zijn 24e dirigent van het Concertgebouworkest, maar het orkest had destijds nog niet de faam die het later zou verwerven, vooral dankzij Mengelberg. Zwart begon als één organist uit velen, maar was al snel een bijzondere figuur, eerst alleen binnen de orgelwereld, later ook daarbuiten. Een belangrijke reden daarvoor was zijn overtuiging dat het orgel voor veel meer geschikt is dan alleen de eredienst. Hij gaf vele concerten waar hij werken speelde die niet helemaal of helemaal niet een band hebben met het geloof, introduceerde nieuwe composities, gaf deze concerten op vele plaatsen in het land, schreef voor diverse tijdschriften over orgelmuziek, richtte zelf bladen op, componeerde voor orgel, gaf composities van anderen uit, bemoeide zich met de restauratie en aanschaf van orgels, had leerlingen en stelde het instituut cantor in om de gemeente meer te betrekken bij de kerkmuziek, dit alles in de hoop zijn gehele leven lang de orgelmuziek een betere status te geven in het muziekleven.

Permanente spagaat
Zo bezien hadden zijn optredens voor de NCRV die hij kon geven vanaf 1927 een curieus effect op zijn reputatie. Enerzijds groeide zijn faam en bereikte hij een publiek dat van orgelmuziek waarschijnlijk een beperkt beeld had, anderzijds koste het hem nog meer moeite iedereen duidelijk te maken dat orgelmuziek zoveel meer is dan alleen een deel van de liturgie. Nog meer dan bij concerten had hij via de NCRV te maken met een traditioneel publiek dat soms weinig geneigd was tot muzikale experimenten, al besefte de omroep terdege zijn kwaliteiten. De NCRV wilde zogezegd de kool en de geit sparen wat de balans maakte tot een permanente spagaat. Als voorbeeld haalt Frits een uitspraak aan van Jans leerling Cor Kee (zie foto hierboven) die verklaarde dat rond 1920 velen nog de muziek van Chopin en Schumann veel te modern vonden. Dat de gemeente in de eerste plaats kwam voor het geloof en niet voor de kunst bracht de zeer gelovige Zwart (hervormd, niet gereformeerd) soms in een lastig parket. Frits’ boek relativeert daarmee het beeld van Jan Zwart als boegbeeld van de protestantse muziek, een beeld dat niet kwam van de bescheiden Jan die zijn kwaliteiten overigens uitstekend kende en de polemiek bepaald niet schuwde, maar wel van sommige van zijn bewonderaars die hem graag in een eenkennige rol wilden duwen. Deze strijd loopt als een rode draad door het boek, in de vele functies die hij had, in zijn omgang met leerlingen en collega’s, in zijn publicaties die de kleinzoon uitstekend samenvat en in de controverses met anderen. Het werk staat voorop en soms lezen we pagina’s niets over het leven, totdat we bij wijze van intermezzo’s van alles en veel gedetailleerd te horen krijgen over de familie, het spel van de hoofdpersoon en de reacties op zijn werk.
Muziek als levensvervulling
Het overuitputtende heeft niet alleen als voordeel dat dit boek waarschijnlijk voor zeer lange tijd de standaardtekst is over deze musicus. Een ander gevolg ervan is, hoop ik, dat, dankzij de auteur die naam heeft gemaakt met een boek over een held van de seculiere cultuur, de orgelmuziek ook in bredere seculiere kring aandacht kan krijgen en dat omgekeerd in de seculiere cultuur het besef groeit dat muziek niet slechts een kunstvorm is waarvan men wel of niet houdt maar dat zij een levensvervulling is, ook als die geen religieuze dimensie heeft.
Emanuel Overbeeke

Frits Zwart:
Jan Zwart – Biografie van een gedreven organist en toonkunstenaar
Kok Boekencentrum Uitgevers
ISBN 978-904-354-3750
784 blz.