Figaro in Rome weet Mozarts genie niet te ontsluiten

Wolfgang Amadeus Mozart – Le nozze di Figaro*

Orchestra del Teatro dell’Opera di Roma o.l.v. Emmanuel Tjeknavorian. Vito Priante (Il Conte di Almaviva), Federica Guida (La Contessa), Benedetta Torre (Susanna), Alessio Arduini (Figaro), Cecilia Molinari (Cherubino), Monica Bacelli (Marcellina), Roberto Scandiuzzi (Bartolo), Jessica Ricci (Barbarina) e.a. Regie: Claus Guth. Gehoord: 20 september 2026, Teatro Costanzi, Rome. *Deze recensie wordt door omstandigheden wat later gepubliceerd.

Door Peter Sclamilch

 

 

Het prachttheater van de Romeinse opera is altijd een feest om te bezoeken, ook gezien de ligging in het drukke en levendige centrum van Rome, waardoor het echte leven vrijwel naadloos overgaat in de operavoorstelling. Zeker een titel als Le nozze di Figaro, die één hectische, zeg maar gerust knotsgekke dag in het paleis van de Graaf en Gravin van Almaviva beschrijft, zou er optimaal tot zijn recht moeten komen. Helaas gebeurde dat niet helemaal, en dat was aan twee factoren te wijten: de gevoelsarme en onlogische regie van Claus Guth (al uit 2006) en de nogal houterige directie van de Oostenrijks-Armeense dirigent Emmanuel Tjeknavorian, die er niet in slaagde om Mozarts volstrekt geniale partituur tot leven te wekken.

 

 

Mozarts geest

Natuurlijk, wie Mozarts noten, zeker die van de Figaro, al ‘gewoon’ en zonder veel poespas ten gehore brengt, ontsluit al direct een eindeloze stroom aan briljante melodieën, thema’s, invallen, kleuren en geestigheden, maar voor wie de partituur goed kent (of bijvoorbeeld Gardiners onvergetelijke Nozze-cd goed in zijn oren heeft) ontbraken in de lezing van Tjeknavorian, die ik vorig jaar nog uitvoerig prees voor zijn Brahms-interpretatie, zoveel details, nuances, dynamische contrasten maar vooral de totale gekte die Mozart in elke maat stopte, dat zijn geest helaas niet erg aanwezig was. Mozarts orkestratie is een complete ‘eigen personage’ in het verhaal, dat, net als een Wagner-orkest, de handeling becommentarieert, illustreert en geregeld in een ander daglicht zet – het is niet ‘zomaar’ een begeleiding van de zangstemmen, maar een eigen, duizendkoppig personage dat, zo het niet de hoofdrol heeft, dan toch volstrekt essentieel is. De orkestmuziek is zó vernuftig uitgewerkt, zo technisch briljant en zo geniaal geïnstrumenteerd dat dat bijna Zwitserse ‘klankuurwerk’ volledig afgewerkt moet zijn, en Tjeknavorian maakte de indruk daar niet al te veel mee bezig te zijn. Hij vertrouwde op het, overigens uitstekende, Romeinse orkest, maar Mozarts geest komt niet zomaar uit de fles: bijna elke maat in elke stem heeft, bij een niet extreem gespecialiseerd ensemble aandacht en voorbereiding nodig – nu was de lezing te globaal en te algemeen. Alleen al het dirigeren van de ouverture in hele maten geeft die nerveuse inleiding iets kalmerends dat de opera absoluut niet kan gebruiken: integendeel, zij moet op de toppen van hoogspanning beginnen.

 

 

Verrassende vrijpartijen

Regiseur Claus Guth is een van de belangrijkste vertegenwoordigers van het hedendaagse Regietheater, waarin de centrale interpretatie en visie van de regisseur boven de oorspronkelijke regieaanwijzingen of de historische setting van de componist staan – het woekert nu al zo’n 50 jaar door operaland en mag nu stilaan wel eens doodbloeden, maar soms wordt een oeroude regie, zoals deze Figaro uit 2006, nog eens afgestoft. Het regietheater vertelt niet het verhaal van Mozarts geniale librettist en dichter, avonturier en priester Lorenzo Da Ponte – wiens leven overigens zo bizar en theatraal was dat het zelf wel een opera leek – nee, de regietheaterregisseur vertelt zijn eigen verhaal, waarmee hij librettist en componist als het ware ‘corrigeert’. Bij Guth draait de opera niet om de geheime, bijna dierlijke verlangens van de Graaf voor zijn kamermeisje Suzanne (de bruid van Figaro), nee: hij blijkt haar allang te bezitten, zo blijkt uit hun verrassende vrijpartijen. De oprechte en innige trouw van zijn eega, de Gravin, blijkt ook al niet oprecht, want schaamteloos werpt ze zich op Cherubino, die zich op zijn beurt weer aan Susanna vergrijpt. En zo verwordt de verheven Mozartiaanse geest tot een benepen kasteelromannetje.

 

 

Obsessies van de regisseur

Volgt u het nog? Ik niet, want dusdoende lopen de tekst en de handeling volledig uit elkaar, alleen maar omdat Claus Guth met zijn regie de verborgen psychologische schaduwkanten en de destructieve kracht van de menselijke seksualiteit tot uitdrukking wilde brengen, en wilde breken met de traditie van Le nozze als een ‘oppervlakkige, vrolijke misverstandenklucht’. En daar zit het grote probleem, want wie zag de Figaro ooit als oppervlakkige, vrolijke misverstandenklucht? Juist Mozart (en Da Ponte, en hun voorganger Beaumarchais) schilderde een zoveel rijker beeld van het menselijk tekort, waarin volgens hem ook vergeving, berouw, en mededogen een rol spelen, gevoelens die bij Guth compleet ontbreken, want bij hem is de mens slechts een simpele slaaf van zijn driften. De voor mij overbodige toevoeging van de stille engel/cupido Cherubim moet dit tastbaar maken: de personages zijn slechts poppen in de hand van hun eigen libido. En zo zitten we dus naar een meesterwerk te kijken, wellicht de beste opera ooit geschreven, die is ontdaan van zijn eindeloze gelaagdheid en moet passen in de mal van de obsessies van de regisseur, die niet eens zo heel boeiend zijn. Dat de donker-mysterieuze tuin uit de vierde akte is vervangen door het wit-heldere interieur van het paleis (een decor dat weinig afwijkt van de vorige akten) is een onaanvaardbare regiefout, want de verwarring, de leugens en het bedrog overtuigen alleen in het donker: in het volle licht is er geen enkele reden om aan te nemen dat je je eigen vrouw of kamermeisje niet zou herkennen. Natuurlijk weet ook de regisseur dat, maar hij vond zijn ideeëndwang belangrijker – dat de ziel van Mozarts meesterwerk erdoor is verwoest deert hem niet.

 

 

Jonge woesteling

Gelukkig zijn er altijd de zangers die al hun liefde voor het werk ten toon proberen te spreiden, hoewel dat in zo’n kille, witte omgeving natuurlijk niet meevalt. Vooral het feit dat dirigent Emmanuel Tjeknavorian het orkest bijna altijd op orkaankracht liet spelen is funest: de zangers moeten daardoor veel harder zingen dan nodig zou moeten zijn voor een Mozart-opera, en veel nuances verdwijnen ook daar. Daar komt bij dat de tweede cast van deze productie, die ik dus hoorde, helaas voorwaar niet uit Mozartspecialisten bestaat. Zo zong Vito Priante geen vurige, gefrustreerde, heethoofdige en vooral hitsige Graaf Almaviva, maar eerder een, waarschijnlijk door de regie gedwongen, sullige, aangeschoten opa. Zijn stem was nog net zo mooi als ik eerder beschreef in Macbeth en Trovatore, maar met een van woede kokende jonge woesteling (zoals de Graaf moet zijn – hij is immers pas halverwege de twintig) had het weinig van doen. Zijn echtgenote, de eenzame Gravin, gezongen door de Siciliaanse sopraan Federica Guida, zette haar noten zwaar en dramatisch aan, mooi en heel plezierig om naar te luisteren, met misschien af en toe iets te slordige portamenti. Haar Dove son was mooi maar aanvankelijk niet helemaal perfect stabiel, maar de reprise ervan was adembenemend en gevoelig: het eerste echt zachte moment in deze voorstelling – een verademing.

 

 

De beste 20 minuten uit de operageschiedenis

Figaro werd gezongen door de Italiaanse bariton Alessio Arduini, die over een schitterende en bijzondere stem beschikt: in de lagere registers zingt hij met een basachtige klank, in de hoogte juist enigszins tenoraal – heel apart, en het zou me niet verbazen als hij over enkele jaren voor het tenorvak kiest. Afgezien van deze beide kleuren heeft hij er helaas niet veel meer, maar ze zijn dan ook bijzonder fraai – wel mag hij nog iets uitgesprokener acteren, maar die kleuren lijken binnen handbereik te liggen. Zijn geliefde Suzanna, vertolkt door de Genuaanse sopraan Benedetta Torre, zingt ook mooi, maar benadert haar rol iets te jugendlich-dramatisch, wat eigenlijk best interessant is (ze zingt ook Verdi’s en Mahlers). Ze is soms nèt niet hoorbaar, maar dat ligt eerder aan de dirigent. Roberto Scandiuzzi’s Bartolo kon me minder bekoren, want hij leek zich in zijn rolstoel (grapje van de regisseur) niet helemaal senang te voelen en kwam vaak adem tekort. Ster van de avond was echter de Italiaanse mezzo Cecilia Molinari, die haar Cherubino, ondanks de regie-aberraties, heerlijk jongensachtig vertolkte, met een warm en prachtig geluid en dito legato, en wàt een actrice! De beroemde Tweede Finale, waarschijnlijk de beste 20 minuten uit de operageschiedenis, verloopt traag in het orkest, en onlogisch op het toneel: waarom gaat de Graaf in al zijn woede nog even op zijn vrouw liggen terwijl Susanna (of wie dan ook) elk moment kan binnenstappen? Jaja, we worden door onze driften geregeerd, maar dit is absurd, en ondergraaft de logica en de humor van de handeling. Het duet van de Graaf en Suzanna is weer veel te traag, en zijn grote aria, vlak erna, veel te braaf – waar is nu die wildebras die zijn handjes nooit thuis kan houden?

 

 

Vergeving door de vrouw

Er zijn echt ook veel leuke dingen te genietenen er wordt ook gelachen, gelukkig: de dirigent staat in ieder geval weinig rare voorhoudingen en coloraturen toe, en de rol van de zwijgende engel die iedereen zo’n beetje stuurt is een leuke vondst, zeker als hij een enorm diagram van alle liefdesrelaties, legaal en illegaal, op het kasteel schetst. De recitatieven tussen Suzanna, Figaro en Cherubino gaan flitsend (de andere soms wat stroperig, zoals E Susanna non vien), het Briefduet is beeldschoon en het koor is meer dan uitstekend. De aria van Barbarina (Jessica Ricci) is hemels mooi en de laatste van Figaro intens verdrietig en wanhopig: prachtig, net als Susanna’s Deh vieni, non tardar, dat intiem is en schitterend wordt uitgezongen. De ontknoping in de tuin (die er dus niet is) werkt, als gezegd, totaal niet in het volle licht, en de kern van de opera, de vraag om vergiffenis door de Graaf en de vergeving door zijn vrouw wordt door regisseur en dirigent totaal gemist, afgeraffeld en zelfs ontkend – doodzonde, want deze cynische wereld heeft genade nodig. Zo zagen we een Figaro met veel goede bedoelingen bij de zangers op het toneel, geremd door een ideeëndwang die Mozarts eeuwige meesterwerk niet heeft begrepen.

Peter Schlamilch

 

Meer info: operaroma.it

You May Also Like

Quirine Viersen en Thomas Beijer houden overtuigend pleidooi voor onbekende Saint-Saëns

Cherry Town van Sjostakovitsj bij de Nationale Opera: uitstekende ingrediënten in een matig recept

Noise Cancellation & meesterpianist Krystian Zimerman*

Pagliacci in Venetië geremd door afstandelijke regie*