Sferisterio Macerata: romantisch operafestival in droomomgeving

Giuseppe Verdi – Il trovatore. FORM-Orchestra Filarmonica Marchigiana o.l.v. Dmitri Jurowski. Vito Priante (Conte Di Luna), Martina Gresia (Leonora), Sofija Petrović (Azucena), Haiyang Guo (Manrico), e.a. Regie: Francisco Negrin. Gehoord: 31 juli 2026, Arena Sferisterio, Macerata
Giuseppe Verdi – Nabucco. FORM-Orchestra Filarmonica Marchigiana o.l.v. Fabrizio Maria Carminati. Ariunbaatar Ganbaatar (Nabucco), Alessandro Scotto Di Luzio (Ismaele), Alberto Comes (Zaccaria), Anastasia Bartoli (Abigaille), Laura Verrecchia (Fenena), Renzo Ran (Hogepriester e.a.). Regie: Paul-Émile Fourny. Gehoord: 1 augustus 2026, Arena Sferisterio, Macerata
Gioachino Rossini – Il barbiere di Siviglia. FORM-Orchestra Filarmonica Marchigiana o.l.v. Jacopo Brusa. Ruzil Gatin (Conte Di Almaviva), Marco Filippo Romano (Don Bartolo), Raffaella Lupinacci (Rosina), Grisha Martirosyan (Figaro), Riccardo Fassi (Don Basilio), Giulia Mazzola (Berta) e.a. Regie: Daniele Menghini. Gehoord: 2 augustus 2026, Arena Sferisterio, Macerata
Door Peter Schlamilch
Macerata is een betoverend en oeroud stadje aan de Italiaanse oostkust, vlak onder Ancona, in de Romeinse tijd gebouwd door vluchtelingen na de verwoesting door de Visigoten van het nabijgelegen Helvia Recina, dat nog veel ouder was. In de 12e eeuw formeel erkend en in de 14e eeuw door paus Johannes XXII tot bisschopszetel verheven. In de 15e en 16e eeuw werden de schitterende kathedraal, de Torre Civica en het klooster van San Francesco gebouwd en de oude universiteit uitgebreid. In 1787 werd de stad geplunderd door Franse troepen.

Sferisterio
Aan het begin van de 19e eeuw liet een groep van 100 edellieden, de Cento Consorti, een arena bouwen, Sferisteriogenaamd (Grieks: ‘balspelarena’), voor het traditionele Pallone del bracciale, een ingewikkeld Italiaans spel waarbij de bal met een twee kilo wegende houten ‘armband’ via een hoge muur naar de tegenstander moest worden gespeeld, of juist niet, daar wil ik vanaf wezen. Feit is dat het spel razend populair was en tot gok- en vechtpartijen op de tribunes leidde, en waarvan de spelers ware supersterren met dito salarissen waren. Het is ook die enorme muur van 18 bij 90 meter die nu wordt gebruikt als acoustische achterwand, waardoor de vlak ervoor geplaatste zangers met gemak het enorme auditorium (3000 plaatsen) kunnen vullen: de acoustiek is er dan ook meer dan uitstekend, zeker voor een buitenlocatie – er is geen enkele vorm van versterking en dat maakt deze openluchtarena tot een unieke, romantische en heerlijke operaplek. De toeschouwers hebben ook weer een muur achter zich, waardoor het geluid op prachtige en natuurlijke wijze door de brede ruimte klinkt – in één woord: magisch, net als het schitterende stadje zelf, overigens. Ook wordt er behoorlijk goed gezongen in Macerata, daar waar ooit grootheden als Pavarotti en Domingo optraden. Het festival is in Nederland wellicht iets minder bekend, maar dat is onterecht: de zangers zijn vaak (niet altijd) uitstekend tot excellent, en nemen het publiek volop mee in het verhaal.

Trovatore
In de alweer 62e editie van het Macerata Opera Festival bezocht ik alle drie de opera’s van dit jaar: Nabucco, Il barbiere di Siviglia en de Trovatore, waarvan de eerste twee me het meest bevielen – Verdi’s Trovatore werd namelijk geplaagd door de soms erg langzame en ondramatische tempi van dirigent Dmitri Jurowski, waardoor de voorstelling af en toe vaart en voortgang ontbeerde. Gelukkig werd, zoals zo vaak, veel goedgemaakt door de zangers, die in Macerata dus uitstekend zingen.
De Napolitaanse bariton Vito Priante zong een gevoelvolle en vurige Conte Di Luna, hoewel misschien nèt iets te lyrisch – niet zo gek gezien zijn rijke barok- en belcanto-ervaring, hoewel ik hem vorig jaar nog een fantastischeMacbeth hoorde zingen. De Romeinse sopraan Martina Gresia vertolkte een heerlijke Leonora, met wellicht iets te veel vibrato, maar wat knalde ze lekker door het enorme Sferisterio – werkelijk prachtig. Ze zong overigens net zo vaak ragfijn en helder, maar in de ondramatische context van dirigent Jurowski leek ze zich soms niet helemaal te kunnen ontplooien, en dat was jammer. De Azucena van de Servische mezzo Sofija Petrović was prachtig warm, goed hoorbaar, indringend en overtuigend.

Handige tactiek
De Manrico van de Chinese tenor Haiyang Guo was uitstekend, maar nog wat meer expressie in stem en acteren zouden zijn interpretatie geen kwaad gedaan hebben – hij concentreert zich vooral op de noten, minder op de scène en zijn tegenspelers. Het decor is uiterst simpel, maar mij beviel het wel: de originele achtermuur, waarop in andere voorstellingen in Macerata nog wel eens iets geprojecteerd wordt, bleef goeddeels ongebruikt, op een enkel lichteffect na. Er waren verschillende vuurtjes en vlammetjes op het toneel die intiem en suggestief de handeling illustreerden, en het kleine, ‘verbrande’ jongetje was een huiveringwekkend mooi effect. Het koor van Macerata zong prima, en de lichte ongelijkheden waren voor rekening van de dirigent, die het beroemde en wilde Zigeunerkoor erg schools begeleidde; het orkest, dat noodgedwongen zeer breed is opgesteld, speelde prima en reageerde alert op de dirigent, die het orkest echter steeds wat ‘klein’ hield: geen handige tactiek in een grote arena. Het ‘ontvoeringskoor’ was heel mooi, en Leonora’s D’amor sull’ali rosee zelfs beeldschoon, net als Manrico’s Ah! che la morte ognora.

Nabucco
De Nabucco van de dag erna was heel anders, en werd vooral gekenmerkt door de grootse, felle en expressieve voordracht van de Florentijnse sopraan Anastasia Bartoli (Abigaille), die zowel vocaal als interpretatief ijzersterk was: ze kwam binnen met een oerknal en gaf haar valse karakter veel gemene kleuren mee met messcherpe inzetten. Ze spéélt Abigaille niet, maar ze ìs haar: ze vulde de enorme arena ruimschoots met haar stem en nam met haar geweldige toneelverschijning prachtig bezit van het podium. Haar stem verveelt nooit, heeft steeds andere kleuren en nuances, heeft een schijnbaar gemakkelijke hoogte en ze blijft steeds perfect in haar personage – wàt een zangeres!
Na een wat bedaagde ouverture begon het openingskoor flitsend en spannend, maar verzandde daarna een beetje bij de manneninzet I candidi veli, dat dirigent Fabrizio Maria Carminati in vierkwartsmaat dirigeerde, een oude traditie die echter niet van Verdi afkomstig is. Het gaf niet, want daarna koos hij gelukkig steeds voor vloeiende en zingbare tempi, wat de voorstelling tot een stromend en somtijds kolkend verhaal maakte.

Bijzonder en relevant
De Zaccharia van de Italiaanse bas-bariton Alberto Comes was mooi en edel van klank, maar soms net iets te lyrisch voor de grote ruimte die hij moest vullen. Dat probleem had de uit Mongolië afkomstige bariton Ariunbaatar geenszins: hij heeft een prachtige maar ook geweldige stem met zeer veel volume, en die heb je ook nodig in deze rol en op deze locatie. Hij was een waardige tegenstrever van Abigaille, want de emoties spatten van het toneel af – hun duetten in de derde akte waren vurig en vlot, met veel expressie en actie: een ideaal koppel. Nabucco’s spijtbetuiging was heel mooi klein en intiem, waardoor Abigaille alleen maar nog ijziger werd. Ook hier was het decor weer simpel maar doeltreffend, maar nu werd de enorme achtermuur wél gebruikt, en hoe! Aanvankelijk met eenvoudige projecties van voornamelijk oude muren, maar in de tweede akte zagen we een fraaie projectie van een bibliotheek en ook later waren de beelden steeds bijzonder en relevant. De paar verspreide rotsblokken op het toneel waren voldoende om het beeld compleet te maken. Alessandro Scotto Di Luzio zette overigens een lekker pittige Ismael neer.

Menselijke afscheidsaria
Het koor was weer prima, S’appressan gli istanti had een lekker tempo en was transparant (maar waar waren beide accenten op het woord fatale gebleven?) en Finale II was dynamisch en meeslepend, met een mooie, enorm lange slotnoot van Abigaille. Het Slavenkoor werd mooi klein en zacht begonnen, met extra lang slotaccoord (dat Verdi niet had voorzien), weliswaar in het mijns inziens te snelle ‘walstempo’, maar goed, die traditie is er in de hele wereld bijna niet meer uit te krijgen. De ‘begrafenis’ van Fenena klonk schitterend en de bijbehorende toneelmuziek evenzeer. Dio di Giuda werd beeldschoon en emotioneel gezongen, hoewel het afgodsbeeld helaas niet instortte – dat had met de vele projecties toch makkelijk gekund. Abigaille’s slotaria was huiveringwekkend mooi en gruwelijk-indringend tegelijk: Anastasia Bartoli zong een prachtige, fragiele en vooral heel menselijke afscheidsaria – prachtig!

Barbier
In Rossini’s Il Barbiere di Siviglia hadden de meeste hoofdrolspelers hun eigen tv-show gekregen, althans: dat begreep ik naderhand uit het programmaboek, want op het toneel werd mij dat niet meteen duidelijk, door de overdaad aan actie, camera’s, beeldschermen en studiolampen – Figaro heeft natuurlijk een datingshow, Il F*cktotumgenaamd, waarin hij liefdeskoppels creëert, Basilio probeert ze weer te vernietigen in zijn ‘popshow’ La Calunnia (De Laster), en de arme Rosina zit gevangen in de tv-serie L’inutil precauzione (De onnodige voorzorg, de oorspronkelijke titel van Rossini’s opera). Tja, het zal allemaal wel, maar het zag er allemaal prima uit en vooral heel hectisch, zoals Sevilla zelf op een drukke ochtend. Hoewel ik er nooit zo’n fan van ben, werkten de videoprojecties vaak eigenlijk best leuk, omdat je dan dicht op de zangers en de hen omringende chaos kruipt. De over het algemeen heel leuke regie van Daniele Menghini vraagt soms veel van de flexibiliteit van de toeschouwers: waar over briefjes gezongen wordt moeten we ons sms’jes voorstellen, maar die worden meestal niet met inkt geschreven, dus de blauwe vinger van Rosina slaat dan nergens meer op. Ook de auto die plotseling komt oprijden heeft geen andere functie dan die van overbodig effect en zelfs Rossini’s teksten worden aangepast, bijvoorbeeld door het vervangen van degens door pistolen. Ook de eindeloze cosmetische injecties leiden af van het verhaal, maar na de pauze wordt het allemaal erg grappig en wordt er in het auditorium veel gelachen, ook door mij.

Intelligente recitatieven
Basilio’s belangrijke aria, La calunia, werd nèt te klein en met te weinig vocale projectie gezongen door de Italiaanse bas Riccardo Fassi, die ook werd gehinderd door de langzame tempi die dirigent Jacopo Brusa vaak koos, waarbij hij het orkest, in weerwil van zijn enorme gebaren, ook nog eens behoorlijk ‘klein’ hield – het mocht van mij allemaal wat explosiever, maar we hoorden daardoor gelukkig wel veel mooie details. Ook had hij gekozen voor een elektronische pianoforte, zo leek het, wat de vaak vocaal fantastisch verlopende recitatieven wat minder authentiek deden klinken.
Er werd gelukkig weer heel goed gezongen, zoals door de Calabrese mezzosopraan Raffaella Lupinacci, die haar Rosina aanvankelijk prachtige warm en donker aanzette, maar in haar duet met Figaro – Dunque io son – liet horen dat ze ook koket, helder en pittig kan zijn, met uitstekende coloraturen, volle stem, perfecte recitatieven en steeds heerlijk acterend. Haar laatste aria was heel mooi, en ze gebruikte de prachtige acoustiek van het Sferisterio heel geraffineerd zodat haar stem perfect doorkwam. De Figaro van de Armeense bariton Grisha Martirosyan klonk prima – bijna tenoraal in de hoogte: zijn prachtige slanke stem is misschien nèt iets te klein voor de grote arena, maar hij zingt mooi en speelt heel leuk, met snelle en intelligente recitatieven (bij iedereen trouwens).

Droombestemming
Aan de tenor van de Tataarse Ruzil Gatin (Conte Di Almaviva) moest ik even wennen – het is een fraaie, bijzondere stem, flinterdun en breekbaar, die meestal goed gaat, maar niet altijd (vooral in de coloraturen). Zijn hoge noten zijn soms iets geknepen en aan het eind van de avond had hij duidelijk wat minder energie over. Giulia Mazzola’s Berta was opvallend mooi, pittig, ritmisch en schitterend van klank: ze vulde de hele arena met gemak, net als Marco Filippo Romano (Don Bartolo), die vol en sonoor zong en zeer sterk acteerde. Een puike voorstelling in een prachtige arena in een beeldschoon Italiaans stadje aan de Italiaanse oostkust, omringd door schitterende natuur, en op maar twintig autominuten van het strand. Voor wie van Italië én van opera houdt: een droombestemming om zeker te bezoeken, waarbij het Macerata Opera Festival, met overigens heel schappelijke toegangsprijzen, beslist niet mag worden overgeslagen.
Peter Schlamilch

Meer info Trovatore: sferisterio.it
Meer info Nabucco: sferisterio.it
Meer info Barbiere: sferisterio.it