Florence: Magistrale, rauwe Wozzeck bij Maggio Musicale

Gustav Mahler – Tweede symfonie. Orchestra del Maggio Musicale Fiorentino o.l.v. Thomas Guggeis. Nikoletta Hertsak, sopraan, Natalie Lewis, mezzosopraan. Gehoord: 26 september 2026, Teatro del Maggio, Florence

Alban Berg – Wozzeck. Orchestra del Maggio Musicale Fiorentino o.l.v. Thomas Guggeis. Wolfgang Koch (Wozzeck), Ian Koziara (Tambourmajor), Sam Furnes (Andres), Wolfgang Ablinger-Sperrhacke (Hauptmann), Clive Bayley (Doktor), Dafydd Jones (Der Narr), Anja Kampe (Marie), Helena Rasker (Margret) e.a. Regie: Deborah Warner. Gehoord: 27 september 2026 (première), Teatro del Maggio, Florence

Door Peter Schlamilch

 

‘Der Mensch ist ein Abgrund, es schwindelt Einem, wann man hinunterschaut…’ – ‘De mens is een afgrond, je wordt duizelig als je erin kijkt…’ Woorden van de soldaat Wozzeck, wanneer hij ontdekt dat zijn vriendin Marie vreemdgaat – het moment van totale desillusie dat ervoor zorgt dat hij zijn laatste geloof in de goedheid van de mens volledig verliest.

 

 

Vernietigende kritiek

Het duurde enige jaren voordat een operahuis het aandurfde om Wozzeck, Alban Bergs expressionistische opera over het hels-deprimerende leven van de gelijknamige soldaat (hoewel Berg in zijn onleesbare handschrift eigenlijk Woyzeck had bedoeld), in première te brengen. Ze vond uiteindelijk plaats op 14 december 1925 in de Staatsoper Unter den Linden in Berlijn, onder leiding van de legendarische dirigent Erich Kleiber en was, ondanks de vernietigende kritiek op de ‘atonale herrie’, een groot publiekssucces – er waren maar liefst 137 repetities nodig geweest om de revolutionaire muziek in te studeren. Het was de muziektaal die Richard Strauss weigerde te schrijven, en na diens Elektra zette Berg, die die opera zeer goed kende en bewonderde, wél de stap naar de moderniteit waar Strauss voor terugdeinsde, en de terugtocht inzette met Rosenkavalier.

 

 

Genuanceerde partituur

Berg had zich gebaseerd op het toneelstuk Woyzeck (1836) van Georg Büchner, die al op 23-jarige leeftijd stierf en het stuk als een onvoltooide, chaotische verzameling fragmenten achterliet – Berg schreef daarom zelf het libretto. Het stuk vertelde de waargebeurde geschiedenis van Johann Christian Woyzeck, een armzalige soldaat en kapper die in 1824 in Leipzig werd geëxecuteerd wegens de moord op zijn overspelige vriendin, en verhaalt van onderdrukking, jaloezie en waanzin. Precies die beklemmende sfeer, waarin ook diepe armoede een rol speelt, werd hevig voelbaar in Florence: niet alleen doorleefden de zangers uiterst intens hun rollen, ook de prachtige en inventieve toneelbeelden van Hyemi Shin zorgden voor een doorslaand succes van deze toch lastige opera, die uit drie akten van elk vijf zeer verschillende scènes bestaat, waarin de rode draad steeds gevormd wordt door wanhoop, uitzichtloosheid en toenemende gekte en vertwijfeling. Alleen had de Duitse dirigent Thomas Guggeis er goed aan gedaan veel vaker de ook vele zachte kleuren en dynamieken in de partituur te zoeken (die er verrassenderwijs in overvloed staan), want hij liet het subliem spelende Orchestra del Maggio Musicale Fiorentino eigenlijk zonder uitzondering op volle sterkte spelen, en dat doet onrecht aan deze genuanceerde partituur.

 

 

Medeplichtige in het kwaad

Wel nam Guggeis veelal uitstekende tempi, en dirigeerde betrokken en alert, maar de zangers moesten zich vaak te veel forceren om over het orkest heen te komen, hoewel ze – gelukkig maar – vrijwel allemaal over zeer grote stemmen beschikten, niet in de minste plaats de twee manlijke hoofdpersonages, de Hauptmann en Wozzeck, die we al direct in de eerste scène ontmoetten, verwikkeld in een zeer ongelijkwaardig en oneerlijk gesprek over moraal en deugd, en over Wozzecks buitenechtelijke kind, waarbij de arme donder niets meer kan uitbrengen dan dat ‘arme mensen die in existentiële nood verkeren niet de luxe van de rechtschapenheid en eerlijkheid bezitten’. Wozzeck werd formidabel vertolkt door de bekende Duitse Wagner- en Strauss-specialist Wolfgang Koch, die de arme soldaat zó hartverscheurend en deerniswekkend neerzette dat je het toneel zou willen oprennen om hem te troosten (het had gekund, ik zat op de tweede rij). Koch zingt vanuit zijn tenen, zijn ziel en zijn hart, vol en soms bulderend op orkaankracht – de ideale Wozzeck. Zijn kwelgeest wordt subliem (en zeer verstaanbaar!) gezongen door de Oostenrijkse karaktertenor Wolfgang Ablinger-Sperrhacke, de extreem hoge, bijna hysterische noten en karikaturale, smerige sprongen met gemak overwinnend en een inkijkje gevend in de neurotische, lege, dorre ziel van zijn personage – scherp, snijdend en huiveringwekkend: de verpersoonlijking van alle menselijke narigheid en de valse moraal. Zijn medeplichtige in het kwaad, de dokter die meedogenloze ‘medische’ experimenten op Wozzeck uitvoert, was de Britse bas Clive Bayley, die met zijn enorme, heerlijk-metalige en doordringende klank diepe indruk maakte, hoewel hij zijn hoogste noot verrassend voorzichtig aanzette.

 

 

 

Uitzichtloze wanhoop

Na de eerste, met toiletpotten rauw-suggestief aangeduide legeromgeving, kwamen we in een prachtig bos, of was het een veld? Slechts een paar schitterend uitgelichte boompjes openden een mysterieus-poëtische wereld. Hoe dan ook: de toneelbeelden waren de hele avond uitzonderlijk mooi, evocatief en soms ronduit huiveringwekkend, net als de belichting en kleding – chapeau! De Welshe tenor Sam Furnes die Andres, Wozzecks kompaan, zong, was misschien iets te lyrisch voor het enorme orkestgeweld van Thomas Guggeis, maar zijn stem was klagend en fraai. De scène tussen Marie, Wozzecks vriendin en haar spottende buurvrouw Margret, vertolkt door de prachtig warm en rond zingende Nederlandse alt Helena Rasker, twee jaar geleden nog te bewonderen bij de Nationale opera, was indringend. Anja Kampe zong rond en voluit expressief, en acteerde, net als al haar collega’s, met hart en ziel – ook aan de personenregie was duidelijk uitvoerig gewerkt. Haar gewelddadige liefdeshandelingen met de Tambourmajor (de Amerikaanse heldentenor Ian Koziara, die ook al weer zo fenomenaal zong en vernedering en minachting paarde aan klankschoonheid) waren naargeestig en ijzingwekkend en volkomen overtuigend. Haar confrontaties met Wozzeck waren macaber en hartverscheurend, en als ze zegt: ‘Ik ben een slecht mens, ik kan mezelf wel doodsteken’ komt de rauwe werkelijkheid wel heel dichtbij. De monoloog aan het begin van de derde akte is weergaloos door haar diepe, uitzichtloze wanhoop.

 

 

Edele en ontroerende toon

De regie was, als gezegd, bijna zonder uitzondering fenomenaal, hoewel Wozzecks moord op Marie wel erg terloops leek plaats te vinden – het verraad door buurvrouw Margret werd gelukkig erg overtuigend en mooi gezongen. Gelukkig was de regisseuse niet voor de valkuil bezweken om de huidige oorlogen, bijvoorbeeld die in Oost-Europa, te misbruiken en had ze het algemeen gehouden – terwijl de voorstelling toch al uit 2023 dateert. Het tussenspel werd, net als de gehele opera, op zeer hoog niveau gespeeld door het uitstekende Florentijnse orkest, en verrassend lyrisch gedirigeerd door de jonge dirigent Thomas Guggeis, die de avond ervoor de zieke Zubin Mehta nog verving in Mahlers Tweede symfonie die, wellicht daardoor, niet helemaal vlekkeloos verliep en vooral: Mahlers net zo gekwelde ziel als die van Alban Berg, niet helemaal uit de verf liet komen. Ik zag vooral veel geestdrift bij de jonge dirigent uit Dachau, maar die resulteerde in een zó extreem ‘hard’ gespeelde en gezongen symfonie, dat zelfs de prachtige acoustiek van de immense Sala Zubin Mehta het niet aankon. Zeker, Mahler wilde zijn opstandingsboodschap wel uitschreeuwen aan de wereld, zichzelf overtuigend dat al zijn leed (en dat was nogal wat) niet vergeefs was, maar wel op een volle, edele en ontroerende toon – onder Guggeis werd Mahlers hartekreet eerder wanhopig dan triomfantelijk.

 

 

Mahlers Tweede

Het kwam misschien omdat hij op het laatste moment moest invallen dat Guggeis sterk gebonden was aan de partituur, daarbij toch nog zeer belangrijke inzetten van bijvoorbeeld althobo, trombone en fagot niet aangevend, inzetten die dankzij de grote individuele kwaliteiten van dit toporkest gelukkig toch voorbeeldig klonken, net als later de fluit- en vioolsolo’s. Guggeis’ bewegingen zijn hoekig en vierkant, met veel afwerende gebaren in de linkerhand die ik niet goed begreep – moest het allemaal zachter? Maar waarom gebeurde dat dan niet? Gelukkig trokken de Florentijnen zich er weinig van aan en speelde de eerste, splijtende inzetten met bliksem en dondergeweld: de strijkers gingen er vol in en de hoorns schalden dat het een aard had. ‘Het belangrijkste staat niet in de noten’, aldus Mahler, en Guggeis, die inmiddels een flitsende internationale carrière maakt, zou juist dat nog beter kunnen overwegen: Mahlers magische momenten niet afdwingen, maar laten ontstaan, en de vele stemmingwisselingen en vergezichten laten opbloeien zonder ze te forceren. Gelukkig koos hij de meeste tempi uitstekend, behalve in de slotmaten van het eerste deel, waar hij, als zoveel dirigenten, Mahlers verwarrende Tempo I koos in plaats van aanduidingen in andere drukken, zoals Allegro of zelfs Schnell, zoals in de laatste kritische uitgave terecht staat vermeld. De door Mahler voorgeschreven vijf minuten adempauze na het eerste deel werden gebruikt om het koor op te laten komen – misschien handig, maar psychologisch toch een ander gevoel.

 

 

Fenomenaal strijkerscorps

De middendelen klonken, ondanks een voortreffelijk spelend orkest, wat aan de schoolse kant, en in het vierde deel zong de Amerikaanse mezzo Natalie Lewis vol en indringend, hoewel in matig Duits en vaak haar lange lijnen onderbrekend voor een extra ademing. Het slotdeel werd gekenmerkt door prachtig, onweerstaanbaar koper dat Mahlers geest dan toch eindelijk opriep (zoals in het schitterend geblazen koraal) en een fenomenaal strijkerscorps, dat in een hechte eenheid een voorbeeldige balans wist te bereiken – zelfs vanaf de tweede rij was geen oneffenheid te bespeuren, en dat gebeurt niet vaak op die afstand. Ook de prachtige, zuivere paukensolo verdient het hier vermeld te worden. Lewis was nu wat ontspannener en de Oekraïense sopraan Nikoletta Hertsak straalde ons warm en vol tegemoet. Het slot was, als gezegd, eerder overweldigend dan Mahleriaans-hoopgevend – misschien was Guggeis in gedachten al bij de sfeer van de geweldige Wozzeck, een dag later.

Peter Schlamilch

 

 

Meer info Wozzeck: maggiofiorentino.com

Meer info Tweede Mahler: maggiofiorentino.com

Tags:

You May Also Like

Wang realiseert huzarenstukje met beide Brahms-concerten op een avond

Vivaldi’s La costanza trionfante in Modena*

Drie delicate duo’s bij het intiemste jazzfestival in Leiden

Fluitist Emmanuel Pahud haalt alles uit concert van Samy Moussa*