Fluitist Emmanuel Pahud haalt alles uit concert van Samy Moussa*

NTR ZaterdagMatinee, Radio Filharmonisch Orkest o.l.v Karina Canellakis, m.m.v Emmanuel Pahud, fluit. Werken van: Nielsen (Ouverture Helios opus 17), Moussa (Concert voor fluit en orkest) en Brahms (Eerste symfonie). Gehoord: 26 september 2026, Concertgebouw Amsterdam. * Wegens omstandigheden wat later gepubliceerd.
Door Willem Boone
Onweerstaanbaar
Ik kan niet zeggen dat de fluit mijn meest favoriete instrument is, maar het spel van de Zwitser Emmanuel Pahud heeft op mij steeds hetzelfde effect: het is onweerstaanbaar. Het roept magie op, zoals de Ier James Galway dat in de 70’er jaren deed met een vergelijkbaar gouden toon. Eigenlijk is hij een moderne rattenvanger van Hamelen. Hij combineert een glanzende solocarrière met een post als eerste fluitist bij de Berliner Philharmoniker. Deze bekleedt hij sinds zijn 22e, dus al 34 jaar. Dit mag in de wereld van de klassieke een bijzonderheid genoemd worden. In Amsterdam speelde hij de Nederlandse première van het Fluitconcert van de Canadese componist Samy Moussa.
Inspirerende vuurdoop
Laatstgenoemde is dit seizoen ‘artist in residence’ en van hem beleven in de NTR ZaterdagMatinee maar liefst vier werken hun première. Dit Fluitconcert werd mede in opdracht van de NTR ZaterdagMatinee gecomponeerd. Het was niet per se in een modern idioom geschreven, tonaal zo men wil, maar – aldus de componist – ‘dit is een illusie, want de harmonieën moduleren voortdurend, nooit in een bepaalde toonsoort, altijd in transformatie.’ In het eerste deel was de muziek onrustig van karakter en de fluit had hierin veel te doen. De gouden toon van Pahud kwam natuurlijk het best tot zijn recht in lange lijnen. Over het instrument zei Moussa dat ‘het weinig laagte heeft. Je kunt niet constant in het hoge register spelen, want dat is vermoeiend voor de luisteraar.’ Er waren soms ook snerpende uithalen die strijdig waren met het lieflijke imago dat de fluit vaak aankleeft. Pahud speelde zijn partij virtuoos en orkest en dirigente reageerden alert.

Moussa haalde er met dit concert alles uit en vooral het rustige eind van het eerste deel was prachtig. In het tweede deel speelde de fluitist met een warm vibrato en een mooi ingehouden toon. Wanneer nodig kon hij echter behoorlijk krachtig spelen en soms vroeg de componist ook in dit deel om een opzettelijk scherp timbre te produceren. Al met al was het een interessante, hoewel niet heel erg evenwichtige compositie. Aan het pianissimo eind bleven zowel Pahud als Cannelakis lang stil staan, bijna als twee standbeelden. Tijdens de ovatie verscheen ook de componist op het podium. Aan de respectvolle manier waarop Pahud diverse orkestleden bedankte was te merken dat hij zelf al jarenlang in een (top)orkest speelt.

Fascinerende Nielsen
Op het programma van dit concert stonden verder een nagenoeg onbekend en een overbekend symfonisch werk. Allereerst speelde het Radio Filharmonisch Orkest de Ouverture Helios opus 17 van Carl Nielsen, die minder bekend is dan zijn Symfonieën. Vooral de manier waarop de muziek zich na het pianissimo begin ontvouwde was fascinerend. Al net zo fascinerend was de steeds hoorbare, onderliggende puls. Het orkest speelde vaardig, in de fuga soms bijna te luid, maar het nam ook weer mooi terug. Het eindigde pianissimo, precies zoals het begonnen was. Hier was sprake van een intrigerende compositie, die vaker zou mogen klinken aan het begin van orkestconcerten!

Ruige Brahms
Met de Eerste Symfonie van Brahms begaven orkest en dirigente zich natuurlijk op (zeer) vertrouwd terrein. In de toelichting stond nog eens goed te lezen hoe langdurig de ontstaansgeschiedenis van deze symfonie geweest is. Brahms voelde de hete adem van zijn voorbeeld Beethoven in de nek. Ik heb vaak de indruk bij deze compositie, zeker aan het begin van het Eerste deel (Un poco sostenuto) en het Vierde deel (Adagio), dat Brahms zich daar heel goed bewust van was en tegelijk een bijzonder sterk eigen statement tegenover wilde stellen. Orkest en dirigente zetten het openingsdeel op buitengewoon ernstige wijze in, waarbij de felle slagen van paukenist Paul Jussen als leitmotiv dienden. Het daaropvolgende Allegro werd in een voortvarend tempo gespeeld. Het orkestspel was bijna ruig te noemen, wat deels goed past bij de muziek van Brahms. Dit werd opgeroepen door de energieke dirigeerstijl met veel wijde armgebaren van Cannelakis. In het Andante sostenuto waren er mooie bijdragen van de hobo en klarinet. In dit deel liet Brahms overigens in zijn symfonische eersteling horen dat hij wel degelijk een persoonlijke stijl had, die naast die van Beethoven overeind bleef. Het Derde deel, Un poco allegretto e grazioso, zorgde voor een lichtvoetig intermezzo in een verder ernstige compositie. Het is zonnige muziek die doet denken aan een optimistisch werk als de Eerste Serenade opus 11. Er lag een donkerrode gloed over dit musiceren. In de introductie van het Vierde deel was het spel van het orkest wederom ‘plechtig’ en het afsluitende allegro werd breed gespeeld. Net als bij het eerste deelwas de benadering door orkest en dirigent ruig, om niet te zeggen gespierd. Als gezegd, het misstond niet, maar het ging af en toe ten koste van een bepaalde verfijning. Het slot, allegro non troppo, ma con brio, klonk als een triomf onder leiding van een zeer vurige Cannelakis.
Willem Boone

Info: