Impressionistische Tristan und Isolde bij De Nationale Opera

Richard Wagner – Tristan und Isolde.Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Tarmo Peltokoski. Met Michael Weinius (Tristan), Malin Byström (Isolde), Liang Li (König Marke), Jordan Shanahan (Kurwenal), Leon Kosavic (Melot), Irene Roberts (Brangäne), Linard Vrielink (Ein Hirt/Ein junger Seemann), Roger Smeets (Ein Steuermann). Regie: Pierre Audi. Gehoord: 8 februari 2026 (première), Muziektheater, Amsterdam

Door Peter Schlamilch

 

Het was even schrikken, die eerste tien minuten van de Einleitung tot Wagners Tristan und Isolde, afgelopen zondag bij De Nationale Opera. De piepjonge Finse dirigent Tarmo Peltokoski (25) liet het Rotterdams Philharmonisch Orkest zó zijdezacht spelen, dat deze wereldberoemde noten niet Wagneriaans, maar bijna impressionistisch-mild klonken. Natuurlijk gaat Tristan over de liefde, maar wel over een heel aparte: het zijn niet de Romeo en Julia die elkaar, gek van liefde, door roeien en ruiten opzoeken en beminnen, alle sociale en andere hindernissen negerend, nee, Tristan en Isolde worden alleen maar verliefd op elkaar na het nuttigen van een liefdesdrank (ze wilde hem eigenlijk vergiftigen, maar het goedje werd omgewisseld) – het is een liefde tegen wil en dank, eentje die niet gezocht is, maar die ze is overkomen, hoewel sommigen erin lezen dat ze tevens onontkoombaar is.

 

 

Verwachtingsvolle spanning

Vandaar dat er in de Einleitung (eigenlijk gewoon de ouverture) eigenlijk geen noot staat die niet is doordrenkt van onrust, leed, verraad, van de dood en het verlangen, maar wel een onmogelijk verlangen. En ook al lijkt dat soms zo: voor ‘mooie’, zoete of zilverglanzende klanken is hier geen plaats, want vooral de onbereikbaarheid van het liefdesideaal staat hier centraal – Wagner kon ervan meepraten, weliswaar gestorven in het onvergankelijk Venetië, maar wel tijdens een echtelijke ruzie met Cosima, die hij eerst van zijn goede vriend en vereerder Hans von Bülow had afgepakt, maar daarover misschien een andere keer. Ook de climaxen en grillige dynamische wendingen (de partituur begint pp maar een bladzijde later zitten we al op ff) klonken wat futloos, de pauken werden klein gehouden en de verwachtingsvolle spanning aan het einde ontbrak – een heel aparte lezing.

 

 

 

Spanningsvol en indringend

Het Rotterdams Philharmonisch orkest klonk voortreffelijk, daar niet van, maar door Peltokoski’s heldere maar piepkleine en afstandelijke slag was het in de eerste inzetten niet echt gelijk (op de blazersinzet in maat 12 na), maar zo erg is dat niet, als het verzengende ongeluk maar in de lucht hangt, maar dat deed het niet: de ouverture bleef gepolijst en bijna Debussyaans van klank, en dat had het genie uit Leipzig zeker niet voor ogen gehad. Lag het aan de overwerktheid van de dirigent, voor wie dit project eigenlijk het eerste was na enkele maanden gedwongen rust, of was het een bewuste keuze? Misschien zullen we het nooit weten, maar toen Isolde (de Zweedse sopraan Malin Byström) haar eerste Wer wagt mich zu höhnen? zong, veranderde alles: ze overgoot de zaal met een Wagneriaanse oerdrift die alles goedmaakte en niet meer zou wijken tot het eind – wát een stem en volume, wát een dictie en frasering, maar ook: wát een verschijning en expressie. Ze had duidelijk besloten de voorstelling electrisch te laden, en er waren de uren erna eigenlijk geen momenten waarop ze niet spanningsvol en indringend Isoldes tragische lot vertolkte – het werd door haar furieuze inzet meteen een échte Wagner-opera, waardoor ook orkest en dirigent nieuw elan leken te krijgen.

 

 

Geweldig duo

Misschien nog wel spannender was de Brangäne van de Amerikaanse mezzosopraan Irene Roberts: deze zangeres heeft alles in huis wat voor de zware rol nodig is, en meer: ze zingt beeldend, expressief, warm en altijd perfect hoorbaar (in Amsterdam niet altijd makkelijk), en speelt zo intuïtief dat het lijkt alsof ze het verhaal op het moment zelf beleeft: heel fijn. Haar stem is prachtig, en heeft soms sopraan-achtige tinten, terwijl collega Byström juist soms donkere kleuren kiest, waardoor je ze met ogen dicht zou kunnen verwisselen, maar waardoor ze ook heerlijk bij elkaar passen – wat een geweldig duo is dit! De Zweedse tenor Michael Weinius heeft de rol van Tristan vaak gezongen en begint er dan ook voortvarend aan, maar raakt naarmate de opera vordert steeds vaker in de problemen in de hoogte, waardoor zijn legato het soms laat afweten. De zachte passages in de tweede akte zijn beeldschoon, maar zijn slotmonoloog valt een beetje in het water, terwijl we horen dat deze zanger echt wel meer in zijn mars heeft – misschien had hij, als zovelen, een griepje te pakken in dit voor zangers zo ongenadige seizoen?

 

 

Angstaanjagend mooi

Het kan ook zijn dat Weinius weinig affiniteit heeft met de enscenering van de onlangs plotseling overleden Pierre Audi, want veel meer dan een paar houten panelen staan er niet op het toneel: hoewel hij naar eigen zeggen met zijn regie ‘sterke, abstracte beelden wilde scheppen om de muziek te versterken en de kracht van de liefde voelbaar te maken’, is het eerder de kille onmogelijkheid van de liefde die naar voren komt en die de tenor misschien weinig inspireerde, wat ik me goed kan voorstellen. Ook de minimale gestiek en de chirurgische precisie van dirigent Peltokoski nodigt niet direct uit tot grote lyrische prestaties, en dat dat bij de andere zangers wel lukte was geheel op hun eigen conto te schrijven. De Jonge Zeeman van de Nederlandse tenor Linard Vrielink was adembenemend mooi, helder en dragend, de Hawaïaanse bariton Jordan Shanahan was een geweldige, edele en voluit zingende Kurwenal en Liang Li een zeer indrukwekkende Koning Marke, eigenlijk de enige personage met oprechte gevoelens, die de Chinese bas prachtig wist te treffen: donderend maar humaan van klank, en het wat kale toneelbeeld inkleurend met zijn verdriet en rouw – fenomenaal. Ook de Kroatische bariton Leon Kosavic zong weergaloos: zijn Melot was geniepig, verraderlijk en angstaanjagend mooi.

 

 

Harde werkelijkheid en verraad

Audi’s toneelbeeld werkt in de eerste akte heel goed (geholpen door de mooie kleding), en geeft inderdaad alle ruimte aan muziek en verhaal, hoewel de liefdesscène na het drinken van het elixer wel een knuffel had kunnen gebruiken, maar ja: ik begrijp dat dat tegen het regieconcept is. Ook had de fakkel, waarvan in de tweede akte vaak sprake is, niet misstaan en de ontdekking van het overspel, door een klein gordijntje op te halen, was wel érg minimalistisch. Het licht bleef erg lang grijs en grauw (het patent van belichter Jean Kalman), maar het was vooral de ogenschijnlijke liefdeloosheid tussen de beide hoofdpersonen die nog het meest opviel: Wagners zinderende liefdesteksten werden over de volle breedte van het toneel, zo’n 25 meter, naar elkaar toe gezongen zonder dat er enige wederzijdse aantrekkingskracht te bespeuren was. Natuurlijk, in de kern draait Tristan om de onmogelijkheid van aardse liefde en het verlangen naar een totale, mystieke versmelting die alleen in de dood bereikt kan worden, maar was die misschien niet nog treffender geïllustreerd door er eerst een flinke omarming (of meer?) aan toe te voegen? Nu waren de geliefden vanaf de eerste seconde al onbereikbaar voor elkaar, en wekten ze nergens de indruk veel interesse in de ander te hebben – er gaat dan iets verloren wat we als toeschouwers nog niet eens hebben kunnen beleven. Het slotbeeld was echter prachtig: Isolde die door het sterke tegenlicht bijna onwaarneembaar wordt, en opgaat in de dag die ze zo verafschuwt, omdat hij symbool staat voor de harde werkelijkheid en het verraad. Hier was opgaan in het duister misschien voor de hand liggender geweest: opgaan in de droom, in de wereld van geheimen en de ‘verduistering van het bewustzijn’ – of zoals Tristan het zegt: Het verlangen dat nooit sterft, smeekt nu om de vrede van de dood.

Een mooie voorstelling die iedereen moet gaan beluisteren.

Peter Schlamilch

 

 

 

Speeldata: 8-23 februari, Nationale Opera en Ballet, Amsterdam

Meer info: DNO

You May Also Like

Pianist Pietro De Maria is meer dan een meesterpianist: een meesterlijk musicus

András Schiff laat Bachs Kunst der Fuge intelligent, gracieus en diepmenselijk stralen  

Jan Martens met overdadig dancespektakel bij NDT 1

KCO’s Bruckner onder leiding van Klaus Mäkelä moet nog groeien