Louis Andriessens De Materie op orkaankracht

Louis Andriessen – De Materie. Het Muziek o.l.v. Bas Wiegers. Met Elisabeth Hetherington, sopraan, Robin Tritschler, tenor, Yela de Koning, spreekstem, Stephanie Pan, spreekstem. Gehoord: 10 januari 2026, NTR ZaterdagMatinee, Concertgebouw, Grote zaal, Amsterdam*

Door Peter Schlamilch

 

‘Een sadistische aanslag op de kunst van het componeren’, zo noemde de befaamde Nederlandse componist Peter Schat De Materie – de opera van Louis Andriessen die tijdens de laatste NTR ZaterdagMatinee werd gespeeld – direct na de première in 1989 in het Muziektheater in Amsterdam.

 

Anti-muziek

Schat ging nog veel verder, want hij vond de compositie te veel gebaseerd op externe concepten en te weinig op autonome muzikale logica. Hij typeerde de stijl van Andriessen in die periode vaak als ‘monolithisch’ en had ook ideologische bezwaren: Andriessen koos volgens hem voor een minimalistische, strakke en vaak luidruchtige ensembleklank, en hij zag de weg die Andriessen insloeg met De Materie als een doodlopend spoor van het modernisme, louter ‘klankarchitectuur’ zonder ziel.

 

 

Verschillende bezoekers waren het afgelopen zaterdag met hem eens en verlieten de zaal, zowel tijdens het concert – zoals mijn buurman op het balkon en enkelen in de zaal – of tijdens de pauze: ‘Ik drink mijn thee nog even op en dan houd ik het voor gezien’, zo verklaarde mij een zeer geroutineerde en trouwe concertbezoekster – ze vond het werk veel te luid en repetitief, bijna anti-muziek.

 

Frenetieke ritmiek

Ook mij zal Andriessens muziek nooit gaan bekoren, hoewel dat van secundair belang is voor een recensent: die moet, als het geen première betreft, zich gewoon houden bij de uitvoering ervan, en kan hooguit constateren dat het werk de tand des tijds weliswaar heeft doorstaan, maar niet zozeer op muzikale gronden, als wel op de eigenheid van deze ‘opera’, die dat – door het gebrek aan handeling en dialogen – natuurlijk helemaal niet is: het is eerder een wereldlijk oratorium, waarvan de teksten overigens lastig te begrijpen zijn. Andriessens magnum opus is wel volstrekt ‘eigen’ en uniek, al was het maar door de instrumentatie (met koor, solisten, spreekstemmen, veel koper en slagwerk, piano’s, gitaren, strijkers etc.) en de frenetieke ritmiek: welk ander werk begint er met 144 cluster-achtige tutti-accoorden, metrisch gecompliceerd verstopt in de maat? ‘Nauwelijks te omschrijven’, zegt Jacqueline Oskamp terecht in haar uitstekende programmatoelichting.

 

Een verbijsterd koningspaar na de première in 1989 in het Muziektheater in Amsterdam

 

Orkaankracht

De energie en oerkracht van het werk zijn vaak geroemd en die waren in de uitvoering van Het Muziek (voorheen Asko|Schönberg) ruimschoots aanwezig, zozeer zelfs dat de acoustiek van het Concertgebouw in het eerste deel volledig ‘volliep’, waardoor het lastig was de vocalisten, die toch stevig versterkt waren, te ontwaren in de klankmassa (al zullen de radioluisteraars, door de uitstekende geluidstechnici van Radio 4, misschien een andere ervaring gehad hebben). De eerste 144 accoorden werden dan ook wel érg ‘hard’ gespeeld: in de partituur staat ‘slechts’ fortissimo, hetgeen helemaal niet zo extreem is (Beethoven schrijft het regelmatig voor, zoals in de Coriolan, de Vijfde en het vierde deel van de Zevende), maar omdat alles met een onnodig tutta forza (alle kracht) werd gespeeld was het eerste half uur bijna ondraaglijk luid. De Engelse tenorsolist, Robin Tritschler, bleek op de spaarzame momenten waarin hij wél hoorbaar was uitstekend te zingen (hoewel wat wankel in de – toegegeven – absurde hoogte), maar meestentijds kwam hij niet boven de op orkaankracht spelende musici uit, net als het kleine koor van acht (versterkte) zangers. Een Nederlandse solist was overigens te prefereren geweest, gezien de taal van de teksten, die voor een buitenlander natuurlijk erg lastig is.

 

 

Liefdesverlangen

Waarschijnlijk was dirigent Bas Wiegers vergeten dat het werk voor het Muziektheater was geschreven, waar de acoustiek, zeker in de jaren ’90, nogal doods was en het orkest bovendien uiteraard in de orkestbak zat. Hij had er goed aan gedaan die verhoudingen te ‘vertalen’ naar de Grote Zaal van het Concertgebouw, waar de meeste opera’s van na 1850 al heel lastig in balans zijn te brengen, maar een kolossaal modern muziekwerk, propvol koper, slagwerk en piano’s, nog veel lastiger. Een weldaad was dan ook het tweede deel, Hadewijch, waarin alles zachter geïnstrumenteerd was en sopraan Elisabeth Hetherington haar prachtige stemgeluid kon laten horen, een klank die soms echter net te ijl was om het liefdesverlangen (en later de extase ervan) overtuigend te projecteren. En ook hier was een Nederlandstalige solist natuurlijk gepaster geweest.

 

 

Pianisten feilloos

Het orkest speelde over het algemeen zeer accuraat en energiek, hoewel niet alle 144 accoorden in het begin even gelijk waren. Misschien had dirigent Bas Wiegers, die overigens zeer helder en overtuigend takteerde, er beter aan gedaan om met een baton te slaan, want precisie is vaak alles in deze muziek. Het vrouwenkoortje klonk overigens prachtig en lyrisch in de weinige, maar prachtige poëtische momenten die dit deel kent, heerlijk vloeiend gedirigeerd door Wiegers.

Na de pauze was de balans veel beter, natuurlijk omdat de bezetting zo ongeveer gehalveerd is in het derde deel, De Stijl: veel pop- en jazzinvloeden, één zangeres swingde er zelfs bij: leuk! Hier klonken koor en orkest uitstekend, en met name de pianisten waren feilloos in hun lastige partijen.

 

 

Communistische betrokkenheid

Het vierde deel werd prachtig, tergend langzaam opgebouwd door Wiegers, waardoor een Stravinsky-achtige vibeontstond, uitmondend in de prachtige mannenstemmen van het koor en twee, wat mij betreft volkomen overbodige, monologen, waartijdens de muziek overigens weinig relatie vertoonde met de teksten. Maar dat hoorde juist ook zo, in die typische Andriessen-stijl van minimalisme, invloeden uit de jazz en popmuziek, van een anti-romantische houding en die voorkeur voor heldere, vaak luide klanken.

Andriessens muziek is doorspekt met herhalende basfiguren (ostinati), krachtige, stuwende ritmes, hoketus en ritmisch unisono. Zijn composities weerspiegelen zijn (communistische) politieke en sociale betrokkenheid, voor veel intimiteit is geen ruimte. Peter Schat verweet hem dan ook ‘het opnieuw aanroepen van Marx’, gesymboliseerd in veel trommelvliestergend hamergeknal en scheepsbouwteksten. Mijn oren waren er nog uren later door van slag.

Peter Schlamilch

* Deze recensie betreft de live-versie in de zaal. De concertregistratie kan, door de opnametechniek, uiteraard afwijken.

You May Also Like

Capella Amsterdam met bijzondere Stravinsky-avond

Mahler-marathon is spannende reis bij Pynarello

Een middag oude en nieuwe strijkkwartetten door ADAM Quartet en Quator Arod in Muziekgebouw aan het IJ.

Levendige Petroesjka bij VU-orkest