Mahler-marathon is spannende reis bij Pynarello

Pynarello. Gustav Mahler – Mahler-marathon, alle tien symfonieën in één uur. Gehoord: 27 januari 2026, TivoliVredenburg, Grote zaal, Utrecht
Door Peter Schlamilch
Alle tien de Mahler-symfonieën, ruim 15 uur in totaal, in één uur samengevat: dat kan alleen als je vijftien keer zo snel speelt of er heel, heel veel muziek uit weglaat en alleen de hoogtepunten speelt. Het idee is zo krankzinnig, zeker als je hoort dat het met kamerorkest gaat, zonder dirigent en uit het hoofd gespeeld, dat je al je afspraken ervoor afzegt en gaat luisteren, want dat kán eigenlijk niks worden.
Heksenketel van muziek
Het tegendeel was echter waar – Pynarello, naar eigen zeggen een groep ‘muzikale vrijdenkers die klassieke muziek uit haar ivoren toren haalt en midden in het hier en nu plant’, slaagde erin om alle topmelodieën uit Mahlers enorme werk tot een logisch, coherent maar vooral verrassend geheel samen te smeden, waardoor een volslagen nieuwe kijk op de noten ontstond. Je had echt het gevoel om aan de hand van deze musici door het hoofd van de Weense meester te dwalen, en de heksenketel van muziek te horen die Mahler zelf misschien ook door het hoofd spookte.

Diepere logica
Julian Schneemann had de ‘samenstelling’ verzorgd, Gijs Kramers, tevens altviolist in het ensemble, de muzikale bewerking, en die was op zijn minst verrassend te noemen, want wat deed de accordeon eigenlijk in Mahlers klankwereld, en die saxofoon? Die laatste bestond nog maar 20 jaar toen Mahler werd geboren, en komt zeker niet voor in zijn symfonieën. Anderzijds was de Wener natuurlijk ook niet vies van instrumentele experimenten, zoals de tenorhoorn, gitaar en mandoline, de machtige dreunen van de enorme houten hamer, de takkenbos, de posthoorn en zelfs koeienbellen. En lijkt die accordeon niet eigenlijk best veel op het harmonium uit de Achtste? Langzaam werd het de luisteraar duidelijk dat ook hier een diepere logica achter schuilging, die vaak verraste maar nooit stoorde – waarom opende de saxofoon eigenlijk de beroemde treurmars uit de Eerste (Vader Jacob in mineur) en niet de contrabas, zoals Mahler voorschreef?

Groot compliment
Niet alle beslissingen waren dus even goed te begrijpen, maar ze werkten perfect en dat was nu belangrijker – origineel zou het toch al nooit worden, en dat was ook de bedoeling niet. Hier werd gepoogd een nieuw werk te scheppen, gebaseerd op Mahlers gedachtenwereld, en net zoals Bachs eeuwige noten uitstekend overeind blijven, zelfs op bijvoorbeeld een draaiorgel, bleken Mahlers thema’s ook prima te werken in onverwachte combinaties als klarinet en saxofoon of fagot en accordeon. Je moet er maar op komen, en degene die dat gedaan heeft verdient een groot compliment: hij heeft intelligent gearrangeerd en samengesteld, want het was een gouden vondst om in al die expressieve notenchaos driemaal het Adagietto uit de Vijfde te laten horen – even op adem komen bij wat het orkest noemt ‘misschien wel de mooiste muziek ooit geschreven’.

Grote inzet
Voor de musici moet het heel lastig geweest zijn: in slechts vijf repetitiedagen een eigenlijk compleet nieuwe – samengestelde – symfonie in elkaar te zetten, die ook nog op de eerste repetitie uit het hoofd moest zijn gekend: klassieke musici zijn daar over het algemeen niet voor opgeleid en het kan ook eigenlijk niet anders dan van blad als je elke week een nieuw programma voor je neus krijgt. Het verliep echter volkomen vlekkeloos, makkelijk te controleren want het valt de kenner direct op als er iemand niet of verkeerd inzet, of onzeker is. Niets van dat al, Mahler stroomde niet minder genereus door Vredenburg dan een regulier orkest dat zou hebben bereikt, hoewel natuurlijk hun enorme strijkersbezetting soms node gemist werd: Pynarello deed het met 25 strijkers en blazers, terwijl een groot orkest dat alleen al aan violen heeft. Toch maakte ook dit niet uit, en ik ben echt de makkelijkste niet als het op experimenteren met grote meesters aankomt: de oren wenden al snel aan de kleine bezetting, die ook verbluffend gecompenseerd werd door de grote inzet en individuele kwaliteiten van de musici.

Geforceerd of gênant
Want wat werd hier uitstekend en warmbloedig gemusiceerd! Het concert werd geopend (nou ja, nadat de muzikanten, als echte marathonatleten, eerst een minuut of vijf wat rek- en strekoefeningen op het toneel hadden gedaan, voorzien van rugnummers) door een perfecte trompetsolo (Arthur Kerklaan), maar andere solisten waren niet minder, zoals de waanzinnige fluitsolo (Maria Cristina Gonzalez, in de zaal), de diep-sonore hoornsolo’s (Mees Vos), de fluwelen klarinetten van Arno Stoffelsma (hoorde ik nou even een bassethoorn?), de ronkende fagot van Marije van der Ende en nog veel meer topmusici. Ook het feit dat de spelers subtiel positie kozen om hun solo’s of duetten voor het voetlicht te brengen hielp mee aan het doorgronden van dit nieuwe muziekwerk, en voelde nergens geforceerd of gênant, zoals modern theater dat nog wel eens kan zijn.

Weldadig en briljant
Natuurlijk waren er vele, vele momenten waarop sommige thema’s (noodgedwongen) ingekort moesten worden, maar veel essentialia waren aanwezig: het onmiskenbare, furieuze begin van de Tweede, de lieflijke belletjes van de Vierde, maar zelfs de wanhopige, zeer expressieve cluster uit de onvoltooide Tiende wàs er niet alleen, maar klonk ook nog eens nèt echt en sneed door merg en been – misschien wel het beste accoord ooit gecomponeerd. Nee, dat is wel zeker.
Elke seconde was spannend in dit concert, en het duurde gelukkig uiteindelijk zelfs 5 kwartier, maar 2 uur was ook prima geweest, want zoveel musici die niet alleen staande (en lopende) spelen maar dus ook nog uit het hoofd – dat geeft een bepaalde concentratie en bijzonder contact, zowel onderling als met het publiek. De afsluiting met nog een klein stukje Adagietto was weldadig en briljant, en dat er nog een kleine toegift was, met het publiek op het podium, deed mij verzuchten: wat was dit een mooi en leuk concert!
Peter Schlamilch

Info: