Payare en Zimmermann brengen Vioolconcert van Martin als een spannend epos

Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Rafael Payare m.m.v. Frank Peter Zimmermann, viool. Goebaidoelina: Sprookjesgedicht, Martin: Vioolconcert, Sjostakovitsj: Symfonie nr. 10 in e, op. 93. Gehoord: 18 februari 2026, Grote Zaal, Concertgebouw, Amsterdam.
Door Wenneke Savenije
“Ik zoek voor alles helderheid’ – Frank Martin
Spontaan en energiek
Nog niet eerder stond hij voor het Concertgebouworkest, de energieke Venezolaanse dirigent Rafael Payare (Puerto La Cruz, 1980). Met zijn woeste haardos en floddrende pandjesjas doet hij op de rug gezien denken aan het prototype van een bevlogen dirigent uit de vorige eeuw. Zijn slagbewegingen – rechts tamelijk exact met het stokje, links expressief als een strijker – reiken opwaarts, terwijl zijn beweeglijke lichaam alle kanten uitschiet. Saai gaat het vanavond niet worden, begrijp je al meteen door zijn beweeglijke gestiek, waarmee hij de muziek vanaf de allereerste noten van Goebaildulina tot aan de laatste maten van Sjostakovitsj tot leven probeerde te wekken. Want voor Payare betekent een partituur geen abstracte werkelijkheid of een briljante architectuur van structuren. Muziek is voor hem als het leven zelf. Daarom ontdoet hij alle noten van hun steriliteit en zweept hij niet alleen de orkestmusici maar ook het publiek op met zijn aanstekelijke enthousiasme. Payare begon op zijn 14e met cello spelen binnen de gelederen van El Sistema, het sociale onderwijsproject voor veelal straatarme kinderen dat in 1975 werd opgericht door José Antonio Abreu. Van 2001 tot 2012 speelde hij als eerste solohoornist in het Simón Bolívar Symphony Orchestra, maar in 2004 begon hij daarnaast aan een directie-opleiding bij Abreu. Hij werkte nauw samen met Gustave Dudamel, de inmiddels alom bejubelde dirigent, die ook vanuit El Sistema de wereld veroverde. Ook de leergierige en bloedmuzkale Payare manifesteerde zich al snel als een groot talent. De doorbraak kwam toen hij in 2012 in Kopenhagen de Malko Conducting Competition won. Tegenwoordig is hij ondermeer Music Director van het San Diego Symhony Orchestra en vanaf seizoen 2022-2023 ook van het Orchestre symphonique de Montréal. Voor het Concertgebouworkest had hij nog niet eerder gestaan.

Alles draait om communicatie
Ook al waren er geruchten dat het tijdens de repetities afgelopen week niet altijd even goed klikte tussen orkest en dirgent, toen Payare zich woensdagavond met zijn hele ziel en zaligheid op de muziek stortte om de niet eenvoudige partituren van Gubaidoelina, Martin en Sjostakovitsj tot leven te brengen, klonk het Concertgebouworkest ineens opmerkelijk geanimeerd en meeslepend. ‘Muziek draait om communicatie. Als we niet communiceren, maken we alleen maar geluid,’ aldus Payare, die gelooft in ‘helderheid van intentie’ en ‘volledige emotionele toewijding.’ Het ontwapende aan deze dirigent is dan ook dat hij niet alleen dirigeert met zijn handen, maar met zijn hele lijf. Hij is allesbehalve een cerebrale ‘analist’ of een door ego gedreven ‘expressionist’, die vanaf de bok het orkest zijn wil en emoties probeert op te leggen. Payare wordt al dirigerend onderdeel van het orkest en vloeit samen met de verschillende instrumentgroepen en solostemen. Hij dirigeert alsof het orkest zijn instrument is, alsof hij alles wat er klinkt zelf speelt en daar doet elke vezel van zijn beweeglijke lichaam aan mee. Daarmee heft Payare als het ware de eerbiedige afstand tussen dirgent en orkestmusici een beetje op, zodat samen musiceren een opzwepende sociale gebeurtenis wordt waarin iedereen, inclusief hijzelf, samenvalt met het klinkende geheel. Zo’n benadering is wellicht even wennen voor het KCO, dat gewend is met maestro’s te werken, die zich niet zelden boven het orkest verheven voelen en proberen de musici hun visie op te leggen, wat niet altijd bevordelijk is voor de spontaniteit. Maar bij de Payare draait alles om communicatie, samenwerken, grenzeloze toewijding, openheid en betrokkenheid. Wat niet wil zeggen dat hij zijn zaakjes niet goed op orde heeft. Het is duidelijk dat Payare de muziek die hij uitvoert door en door kent. Van de orkestmusici verwacht hij hetzelfde, waardoor hij soms wel eens vergeet lastige inzetten exact aan te geven. Hij vliegt vol vuur achter de muziek aan, doorleeft alle noten en sleurt iedereen mee in de flow van de muziek.

Goebaidoelina
‘Ze zeggen dat dit een van haar toegankelijkste werken is’, hoorde ik een mijnheer in de zaal hoopvol fluisteren, voor Payare en het KCO begonnen aan een betoverende lezing van Goebaidulina’s Sprookjesgedicht uit 1971, een vroeg werk dat ontstond als muziek bij een animatiefilm op een sprookje van de Tsjechische schrijver Miloš Macourek. Daarin tekent een stukje krijt een idyllische wereld, maar het krijtje wordt geleidelijk opgebruikt en verdwijnt. De tekening vervaagt. Uiteindelijk blijft een kleine kern over die opnieuw iets nieuws kan scheppen. ‘Mijn wens voor jou is dat je doorgaat op de verkeerde weg,’ zei Sjostakovitsj in 1959 tegen Goebaidulina. Gaandeweg ontwikkelde de muziek van haar Märchenpoem, waarin de componiste in verhulde vorm kritiek uitte op het Russische regime, zich tot een zelfstandig concertwerk dat regelmatig wordt uitgevoerd. Een vrolijk sprookje is het niet, want ondanks de transparante orkestratie dansen demonen tussen de boomstammen van het bos. Contrasten tussen naïeve eenvoud en schrijnende klankvelden zetten de toon. Goebaidoelina gebruikte scherpe artculaties en abrupte stiltes om de expressieve opbouw van het stuk kracht bij te zetten, zonder te vervallen in romantisch pathos. Haar mengelmoes van speelse motieven, verstilde kinderdromen en dreigende klankclusters klonk onder leiding van Payare spannend als de sprookjes van Roald Dahl. Het zal de mijnheer achter me zeker zijn meegevallen.

Zimmermann en Martin
Terwijl alles aan Payare opwaarts gericht is, heeft violist Fank Peter Zimmermann juist de neiging neerwaarts te opereren. De violistiek van deze Duitse violist, die ooit bij Herman Krebbers studeerde, is even indrukwekkend als zijn verlangen om door te dringen tot in de diepste mazen van de partituur. Daarbij kijkt Zimmermann niet naar de hemel maar naar de aarde, zijn manier van musiceren is eerder apollinisch dan dyonisisch, intelligent en gegrond, rationeel en orderlijk. ‘Perfectie valt niet te verbeteren.’ Deze spreuk die in Krebbers leskamer op de Nieuwe Prinsengracht aan de muur hing om zijn vioolleerlingen te inspireren, heeft Zimmermann ter harte genomen. Vioolspelen is voor hem een gewetensvol ambacht, waarbij alle elementen van een uitvoering niet alleen op orde, maar liefst ook perfect moeten zijn, een kunst waarin de violist zich tot indrukwekkende hoogte heeft bekwaamd. Zijn uitvoering van het ten onrechte weinig gespeelde Vioolconcert van Martin was dan ook voorbeeldig, op misschien een enkel smetje in de intonatie na, mede veroorzaakt door de vaak hondsmoeilijke vioolpartij. Zimmermann speelde het in 1951 door violist Theo Olof voor het eerst uitgevoerde werk, waarin Martin op vrije wijze gebruik maakte van Schönbergs twaalftoontechniek, integer en met een verfijnde toonvorming, die een zilverachtige kern had. Martin woonde sinds de Tweede Wereldoorlog in Nederland (Naarden) toen hij zijn driedelige Vioolconcert in 1950 componeerde, een periode waarin hij zijn persoonlijke synthese van laatromantiek, impressionisme en twaalftoontechniek volledig had uitgekristalliseerd. Opmerkelijke stijkenmerken zijn dan ook zijn vrije omgang met de dodecafonie (Martin gebruikte reeksen, maar niet strikt volgens Schönbergiaanse regels), een heldere intellectuele structuur, focus op contrapuntisch denken als de essentie van het muzikale betoog, meer meditatief dan briljant en met een spirtuele ondertoon. Martins Vioolconcert is geen virtuozenconcert in romantische zin (zoals Brahms of Tsjaikovski), maar eerder een innerlijke dialoog. Van de solist wordt absolute intonatiezekerheid, grote concentratie, diep inzicht in structuur en een subtiele toonvorming gevergd, waar het orkest allert en genuanceerd op in dient te springen. Voor dit alles bleek Zimmermann een hele geschikte kandidaat, terwijl Payare intellectuele verstarring wist te verjagen met levendige, kamermuzikale dialogen tussen solist en orkest, dat afwisselend excelleerde in sprookjesachtige en dan weer donkere en gespannen of zoekende passages. Het klonk indrukwekkend, zodat het eigenlijk doodzonde was dat Zimmermann besloot nog een toegift te geven: de Carmen Fantasie van Waxman, zo ongeveer het moeilijkste solostuk dat ooit voor viool werd geschreven, gebaseerd op Schuberts lied Erlkonig. Obsessed met het overwinnen van alle technische obstakels, vergat Zimmermann op de muzikale lijnen ervan te letten, zodat er enkel klinkende chaos overbleef. Vergelijk zijn toegift met de opnames van o.a. Jascha Heifetz, Itzhak Perlman, Vadim Repin, Kristóf Baráti en Hilarary Hahn en je zou bijna denken dat Zimmermann een heel ander stuk uitvoerde. Waxman bleek helaas niet echt zijn cup of tea.

Sjostakovitsj
Na de pauze triomfeerden Payare en het Concertgebouworkest in een spectaculaire lezing van de Tiende symfonie van Sjostakovitsj uit 1953, voltooid vlak na de dood van Stalin en bijna gierend en stampend van woede, zingend van opluchting, bijtend van protest en mijmerend van verlangen naar een betere wereld. Voor het altijd goed musicerende Concertgeboworkest heeft de partituur van dit indrukwekkende stuk, dat regelmatig op de lessenaars heeft gestaan, eigenlijk geen geheimen meer. Of er nu wel of niet een dirigent voor staat, maakt in zovere niet uit dat de orkestmusici de enerverende noten van Sjostakovitsj sowieso nagenoeg feilloos kunnen spelen. Maar Payare voegde met zijn opzwepende muzikaliteit wel degelijk iets wezenlijks aan de uitvoering toe: hij sleurde de musici mee door een turbulent en emotioneel geladen universum waarin hij de muziek liet grommen, huilen, stampen en verleiden, elegant en doortastend tegelijk, waarbij hij zich volledig vereenzelvigde met de bijtende ritmiek, de vlijmscherpe accenten en de mechanische waanzin van sommmige passages, waarbij hij het groteske organisch liet overvloeien in het persoonlijke en lyrische, het duistere in kracht en energie. Payare manifesteerde zich vol overtuiging als een soort muzikale vrijheidstrijder en het orkest liet zich meeslepen, zodat het slot niet enkel ironisch maar ook bevrijdend klonk.
Wenneke Savenije
Foto’s: Simon van Boxtel
Info:
www.concertgebouworkest.nl
www.concertgebouw.nl