Simone Lamsma schittert in temperamentvolle Brahms met RPHO o.l.v. Tarmo Peltokoski

Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Tarmo Peltokoski, m.m.v. Simone Lamsma (viool), Brahms: Vioolconcert, Vaughan Williams: Derde symfonie ‘Pastorale’. Gehoord: 13 februari 2026, De Doelen, Rotterdam.
Door Wenneke Savenije
Helderheid en precisie
Voor de 25-jarige Finse dirigent Tarmo Peltokoski zijn het drukke weken. In Amsterdam dirigeert hij bij de Nationale Opera zes voorstellingen van Wagners Tristan en Isolde met het Rotterdams Philharmonisch Orkest (RPHO) in de regie van wijlen Pierre Audi en daar tussendoor dirigeerde hij in Rotterdam hetzelfde orkest tijdens twee concerten met Simone Lamsma in het Vioolconcert van Brahms en de Derde symfonie van Vaughan Williams. Ga er maar aanstaan… Maar Peltokoski, die de uitstraling heeft van het slimste jongetje uit de klas van de beroemde Finse dirigenten padagoog Jorma Panula (die ook Klaus Mäkelä heeft opgeleid), dirgeert met zo’n uitzonderlijke helderheid en precisie, dat je zou denken dat deze evenwichtig gesticulerende jongeman daar geen last van heeft. Toch was hij vanaf oktober j.l. een paar maanden overspannen, maar begin januari kondigde hij tot opluchting van alle partijen aan dat hij weer kon komen dirigeren. Wat maakt deze jonge, vaak als supertalent omschreven dirigent, die alles extreem en weloverwogen onder controle lijkt te willen hebben wanneer hij dirigeert, vatbaar voor overspannenheid? Ik denk dat zijn sterkste punt ook zijn zwaktse is. Peltokoski is uit op perfectie, evenwicht, nuance en stilistische beheersing. Hij staat rustig maar vastberaden voor het orkest en duldt geen gefoezel. Zijn slagtechniek is energiek maar gecontroleerd, zijn handen en onderarmen geven heel precies aan wat hij wil horen, maar met zijn bovenarmen en de rest van zijn lichaam beweegt hij nauwelijks. Zijn focus ligt meer op details, structuren en spanningsbogen, dan op gemoedsbewegingen en klankexpressie. Naar het schijnt heeft Peltokoski, die van huis uit pianist is, een uitzonderlijk geheugen, dus hij hoort en ziet alles. Hij dirigeert vaak uit het hoofd en staat bekend om zijn intense oogcontact met de musici. Dat alles maakt hem tot een ideale orkestrepetitor, maar in zijn uitstraling als musicus miste ik -z owel bij Wagner als bij Brahms en Vaughan Williams – overgave, vervoering, het talent om een authentiek en meeslepend een ‘verhaal’ te vertellen (zoals de enthousiaste en vrijere Mäkelä dat zo goed kan) en daarmee het pubiek te betoveren. Tarmo Peltokoski: ‘Leeftijd is irrelevant in muziek. Of je weet wat je wilt, of je weet het niet. Repetities draaien om helderheid. Als je helder bent, zullen musici je vertrouwen. Als ik de partituur goed genoeg ken, heb ik het papier niet nodig. De muziek moet in mij leven.’

Hoge morele waarden
Of het nu Wagners Tristan en Isolde of het Vioolconcert van Brahms en de Derde symfonie van Vaughan Williams betrof, het was duidelijk dat Peltokoski zich tot in de kleinste details had ingeleefd in de allesbehalve eenvoudige partituren ervan. Maar dat is nog geen garantie op intense emotionele betrokkenheid bij de soms kolkende emoties en de golfbewegingen van stemming en sfeer in de muziek. Peltokoski dirgeerde zowel Wagner als Brahms en Vaughan Williams voor mijn gevoel meer alsof hij een lecture hield over zijn hyperintelligente en ook fijngevoelige analyse van hun composities, dan dat hij de muziek werkelijk tot leven wist te brengen. Alles klonk evenwichtig, stijlvol, genuanceerd, uitgebalanceerd, helder, mooi van spanningsopbouw, timing, klankkleur en beweging, maar raken deed het niet. En daarmee gaf Peltokoski met zijn evenwichige maar niet echt meeslepend gedirigeerde inleiding van het symfonisch opgezette Vioolconcert van Brahms, waarin de soloviool pas na 87 maten inzet, vrij spel aan stervioliste Simone Lamsma om al bij haar eerste bevlogen noten alle remmen los te gooien en te kiezen voor passie en temperament. Lamsa deelt met Peltokoski een ongewoon hoge muzikale en instrumentale moraal: op topniveau musiceren kan alleen na heel intens studeren, muziek is in de eerste plaats een ambacht, pas wanneer je alles instrumentaal beheerst kan de muziek gaan ‘vliegen’, muziek moet integer, doordacht, glashelder en loepzuiver klinken, zwelgen of pseudo-romantisch rommelen is er niet bij, geen nuance of detail van een partituur mag aan de aandacht ontsnappen, alleen het beste is goed geoeg.

Brahms con amore
En zo vloog Lamsma er met de nobele kracht en elegantie van ‘de zwarte parel van Friesland’ als een moderne amazone vandoor om de monumentale én emotionele noten van Brahms’ Vioolconcert met haar sublieme vioolspel te bevrijden uit de kluisters van de partituur. Met felle maar altijd zingende fraseringen, stuwende ritmes, natuurlijke rubati, stijlvolle dynamiek en een prachtige, volle klank in een kaleidoscopische rijkdom aan kleurschakeringen, maakte ze duidelijk waarom de ooit vermaarde dirigent Hans von Bülow er goed naast zat, toen hij het aan violist Joseph Joachim opgedragen werk na de première in 1879 in Leipzig uitriep tot ‘een concert tegen de viool.’ Lamsma’s liefde voor Brahms doorwrochte maar ook uiterst melodieuze schrijfwijze en de extreme gevoeligheid die daarachter schuilgaat, bleek uit elke passage. Ze speelde Brahms niet om iets te bewijzen, te controleren of te becommentarieren, maar uit pure liefde, goudeerlijk en waarachtig, intens en glanzend in een warme gloed van betrokkenheid en respect. Omdat Peltokoski en het orkest aan de afstandelijke kant bleven, kwam het ingenieuze symfonische weefsel van Brahms’ Vioolconcert misschien niet altijd optimaal tot zijn recht. Lamsma verdween niet in die kleurrijke orkestrale wereld die door Brahms werd ontworpen maar zweefde eerder boven zijn fascinerende orkestrale tapijt, niet omdat ze wilde overheersen, maar eenvoudigweg omdat ze méér over Brahms te zeggen had dan Peltokoski en het RPHO, zodat ze als vanzelf de aandacht naar zich toetrok, uit passie en bevlogenheid. De violistische ooerkrachten van Lamsma kwamen nog eens extra fel en spontaan tot uiting in de virtuoze solocadens en tijdens haar toegift: ‘Dames en heren, jongens en meisjes, hopelijk (gelach in de zaal), als toegift het laatste deel uit de Tweede sonate voor vioolsolo van Ysaÿe.’ Daarmee doelde de violiste op Les Furies, het demonische slotdeel uit de aan Jacques Thibaud opgedragenTweede solosonate, bijgenaamd Obsession, waarin zowel het dies irae-motief als letterlijke citaten uit Bachs Partita voor vioolsolo in E (Preludio) zijn verwerkt. De weergaloos goed vioolspelende Lamsma gaf er een fenomenale lezing van.

Ralph Vaughan Williams
Qua vorm en inhoud, stemming en atmosfeer bleek de ogenschijnlijke ‘pastorale’ Derde symfonie (1916-1921) van de Britse componist Vaughan Williams beter op Peltokoski’s lijf geschreven te zijn dan Brahms. Hij inspireerde het uitgebalanceerd musicerende RPHO tot een quasi serene, beschouwelijke en overtuigende uitvoering van deze verkapte treurzang. Want deze symfonie beoogt in werkelijkheid allesbehalve een vredig natuurstuk te zijn. De meditatieve en soms dieptragische inhoud ervan stamt regelrecht uit Vaughan Williams’ heftige ervaringen als ambulancedrijver en artillerie-officier in Frankrijk tijdens de Eerste Wereldoorlog. De Derde symfonie is geen romantisch landschapsschilderij maar een reflectie op verlies, rouw en leegte. Het is als het ware een oorlogssymfonie in vermomming. Vaughan Willians verwerkte er zelfs een trompetsolo in die hij baseerde op een bugelsignaal dat hij aan het front had gehoord, vals gespeeld in de verte. Nu klonk deze trompetsolo fraai gespeeld vanaf het zijbalkon in De Doelen, terwijl Peltokoski en zijn orkestrale manschappen integer en gedisciplineerd de contemplatieve sfeer van deze vierdelige treurzang over het voetlicht brachten, zonder theatraal pathos, eerder een beetje afstandelijk, melancholiek en verstild.
Wenneke Savenije
Foto’s: Merlijn Doomernik e.a.

Info:
https://www.rotterdamsphilharmonisch.nl