Violist Nikolaj Szeps-Znaider benadert Beethoven als een geniale architect

Concertgebouworkest o.l.v. Antonio Pappano m.m.v. Nikolaj Szeps-Znaider, viool. Beethoven: Vioolconcert, Elgar Symfonie nr. 1 in As op. 55. Gehoord: 30 januari 2026
Door Wenneke Savenije
‘De uitvoerder moet verdwijnen, zodat de muziek kan verschijnen.’ – Nikolaj Szeps-Znaider
Beminnelijke reus
Onder de grote violisten van deze tijd neemt de Deense violist Nikolaj Szeps-Znaider (Kopenhagen, 1975), zoon van Pools-Joodse ouders, een bijzondere plaats in. Wat mij betreft staat hij als waardig en waarachtig violist, gewetensvol dirigent en bevlogen musicus op de top van de muzikale Olympus, maar aan sterallures doet hij niet. Znaider torent ook fysiek boven veel van zijn collega’s uit, omdat hij met zijn lange postuur wel iets weg heeft van een reus, maar dan wel een hele beminnelijke, zoals de GVR-reus van Roald Dahl. In zijn jonge jaren deed hij fanatiek aan martial arts, maar tegenwoordig geniet de internationaal zeer hoog aangeslagen Znaider vooral van de drie plekken waar hij zich als ‘over de wereld rondtrekkende balling’ het meeste thuis voelt: zijn kinderrrjke gezin, de natuur (‘waar je geen auto’s hoort’) en de muziek, zo’n beetje in die volgorde.

Violist én dirigent
Nadat Znaider in 1997 met zijn instrumentaal verbluffende en muzikaal goudeerlijke vioolspel de prestigieuze Elisabethwedstrijd had gewonnen, speelde hij over de hele wereld met vooraanstaande orkesten en beroemde dirigenten, en dat doet hij nog steeds, maar wel verstandig gedoseerd. Hij speelt ook regelmatig kamermuziek en heeft een eigen zomerfestival in Denemarken opgericht, waar hij met veel kennis, inzicht en humor professionals en amateurs lesgeeft. Intussen ontwikkelde hij zich ook tot een gerespecteerde dirigent. Op dit moment is hij chefdirigent van het Orchestre National de Lyon als opvolger van Leonid Slatkin en daarnaast een geliefde gastdirigent, die begon te dirigeren bij het Zweeds Kamerorkest, de Mariinski-opera van Sint-Petersburg, de Wiener Symphoniker en het London Symphony Orchestra (waarmee hij alle Vioolconcerten van Mozart opnam), heen en weer pendelend tussen Londen, Cleveland, New York, Duisburg en Dresden. Ook het Concertgebouworkest, waarmee hij regelmatig als solist optrad, nodigde hem in 2012 uit om te komen dirigeren. Op het programma stonden Brahms, Bloch en Kodály. Maar het bleef bij één concert in de Grote Zaal. En toen ging hij er als de bliksem vandoor. Znaider: ‘Mijn eerste kind hield er een ongelukkige timing op na. Het kwam vier weken te vroeg.’

Tijdens de repetities met Pappano
Soberder en eerlijker
De violist, die altijd al droomde van dirigeren, kreeg van Daniel Barenboim en later vooral van Colin Davis dirigeerlessen: ‘Ik wil me graag richten op de volle breedte van het repertoire. Als dirigent leer je nederigheid. Je staat niet vóór de muziek, maar er middenin. Een dirigent die effect zoekt, verliest het vertrouwen van het orkest. Dirigeren heeft mijn vioolspel soberder gemaakt — en eerlijker.’ Tijdens een interview voor Preludium in 2021 verklaarde Znaider tegen Ronald de Beer: ‘De ideale manier van dirigeren is niet dat je anderen een opvatting oplegt, maar dat je je medespelers tijdens de muziek als het ware een voorstel doet vanuit de muziek, en dat je daar onderwijl gezamenlijk vorm aan geeft. Hetzelfde doe je als je er na 89 maten inkomt als vioolsolist. Luister naar wat er gebeurt en voeg er het beste wat je hebt aan toe.’ Die 89 maten sloegen op het Vioolconcert van Brahms. In het nu door Znaider en het KCO uitgevoerde Vioolconcert van Beethoven zijn het er 47, waarna de solist niet zozeer als de solistische held ten tonele verschijnt, maar als onderdeel van een al bestaand symfonisch discours. Een kolfje naar Znaiders hand, want ook als violist denkt hij vooral symfonisch. Dat het KCO onder de sympathieke leiding van Antonio Pappano garant stond voor een gestroomlijnde, transparante en genuanceerde orkestinleiding, hoeft geen betoog. Znaider dook tijdens de orkestinleiding alvast even onder in het orkest door enkele maten mee te spelen met de eerste violen, voordat hij de door veel violisten gevreesde octavenpassage inzette, waarin de soloviool vanuit het niets opstijgt in (als het tenminste meezit) loepzuivere octaven. Een geniale zet van Znaider, die nu letterlijk opsteeg vanuit het orkest met een nobel crescendo van volmaakte octaven, waarna zich een boeiend betoog ontvouwde tussen orkest en solist, zonder dat een van beide partijen muzikaal de overhand kreeg.

Gouden toon
Alsof hij gouden zonnestralen uit zijn viool tevoorschijn kon toveren, verweefde de violist zijn solostem met de orkestpartij, fijnzinnig en empathisch, spontaan en intens, edel en oprecht. Pappano en de orkestmusici reageerden daarop met openheid, warmte en sympathie, zodat Beethovens ‘vioolconcert der vioolconcerten’ vleugels kreeg en tot de verbeelding sprak alof het een gerestaureerd monument van grote allure betrof, waar de luisteraars in verwondering doorheen konden dwalen, met Pappano en Znaider als bevlogen reisleiders. De violist bespeelt de Guarneri-viool uit 1741 die ooit toebehoorde aan de legendarische viiolist Fritz Kreisler, die net als hijzelf excelleerde in puurheid en lieflijkheid. Maar dat was zeker niet de enige verklaring voor Znaiders wonderbaarlijk mooie, ‘ruisloze’ en hartverwarmende toonvorming, zijn rijke palet aan fonkelende klankkleuren, zijn gracieuze fraseringen, zijn fenomenale timing, subtiele dynamiek en wijd uitgesponnen spanningsopbouw. De monumentale muzikaliteit en instrumentale finesse waarmee Znaider de muziek in glasheldere structuren weet te ontleden, zonder dat de beweging van de muziek ooit stokt, is instrumentaal gezien vooral te danken aan zijn belangrijkste leraar Boris Kuschnir, van wie hij in 1994 leerling werd.

Boris Kuschnir
Tijdens een interview voor NRC Handelsblad vertelde Znaider me in 2007: ‘Tot die tijd was ik een muzikale flierefluiter, happy- go- lucky. Maar al die tijd had ik intuïtief aangevoeld dat er iets niet klopte, dat ik niet alles kon uitdrukken wat ik wilde. Kuschnir kon me precies uitleggen wat er mis was met mijn vioolspel. “Vergeet niet dat je muzikaliteit niet weg kan lopen”, zei Kuchnir tegen me. Technisch moest ik opnieuw leren lopen.’ Znaider, die o.a. had gestudeerd bij de befaamde Dorothy Delay aan de Juilliard School in New York, sprong in het diepe. Maandenlang was hij alleen maar bezig om zijn streektechniek te verbeteren. Hij doorliep eenzelfde leerproces met basisoefeningen voor de linkerhand. Daarna werkte hij een jaar lang enkel en alleen aan het Derde Vioolconcert van Saint-Saëns. Zo ontstond zijn unieke vioolstijl, volkomen gegrond en goudeerlijk, met een fantastische intonatie, een smaakvol gedoseerd vibrato en een onwaarschijnlijk soepele streek, waarmee hij een zeer diepzinnige en gedetailleerde muzikale analyse koppelt aan een natuurlijke muzikale beweging en een gepassioneerd, sensitief, nobel en persoonlijk geluid. Binnen zijn elegante fraseringen gaat hij er soms als een raspaard vandoor om zijn muzikale betoog te intensiveren met kleine ‘verrassingen’ in dynamiek, articulatie, vibrato, klankkleur of ritme, zonder daarmee de muziek te verstoren. Znaider behoort tot de zeldzame violisten wiens geluid je uit duizenden herkent. Zijn Beethoven klonk overweldigend in alle opzichten, waarna Znaider en het orkest bij wijze van toegift het zeer geconcentreerd luisterende en dolenthousiast klappende publiek beloonden met A. Hillborgs bewerking voor viool en orkest van Bachs koraal Ich ruf zu dir Herr Jesus Christ, BWV 639, een bezielde ode aan de nederigheid.

Met Pappano in de artiestenkamer
Elgars Eerste symfonie
Dat de hemelse bevlogenheid na de pauze weer veranderde in de beslommeringen van ons aardse tranendal kwam voor rekening van de moeizame, doowrocht en chaotisch gecomponeerde Eerste symfonie van de Briste componist Edward Elgar uit 1907-1908. Volgens hemzelf drukt het centrale thema, dat als een moreel kompas door de hele symfonie weerklinkt, ‘iets edels en idealistisch uit, wat boven het dagelijkse staat.’ In het verloop van deze vierdelige symfonie wordt dit hoofdthema ondergraven, vervormd en onderbroken door woelige, soms ronduit agressieve muziek, zodat er een spanningsveld tussen ideaal en werkelijkheid ontstaat. Dat levert rusteloze, hoekige en soms wrange episodes op waar geen einde aan lijkt te komen, todat aan het slot het nobele thema overwint. Maar als luisteraar snak je al veel eerder naar een escape, omdat deze muziek zo somber, hectisch en overladen is. Dat geldt vermoedelijk ook voor de dirigent en de orkestmusici, die Elgars hondsmoeilijke partituur, waarin de beschaving kort voor de Eerste Wereldoorlog haar zekerheden al voelt wankelen, tot een samenhangend geheel moeten zien te smeden. Pappano en het KCO deden er alles aan om Elgar respectvol tot de verbeelding te laten spreken, maar zelf haalde ik opgelucht adem na de slotmaat.
Wenneke Savenije

In het vioolbouw atelier van Andreas Post
Info:
www.concertgebouworkest.nl
www.concertgebouw.nl