The 9th Vilnius Piano Festival: veelzijdig festival met pianomuziek op hoog niveau

Diptichas Ciurlioniui. 21 -29 november 2025, Vilnius

Door Willem Boone

Namens De Nieuwe Muze woonde ik samen met pianist Florian Verweij de tweede week van de 9e editie van het Vilnius Piano Festival bij, georganiseerd door de Litouwse pianiste Mûza Rubackyté. Deze was opgedragen aan de Litouwse schilder en componist Ciurlionis met als titel ‘Diptych for Cirulionis.’

 

In stilte luisteren

Het eerste concert dat ik bijwoonde werd gegeven door het Lithuanian Chamber Orchestra met François Frédéric Guy in de dubbelrol van pianist en dirigent. Zij begonnen met het Rondo voor piano en orkest in D KV 382, een niet al te diepgravend werk waarin de pianist wel direct liet horen dat zijn piano présence had en niet ‘popperig’ klonk. Meer substantie had het Pianoconcert nr 9 in es KV 271, het bekende ‘Jeunehomme’concert. Guy liet een aangenaam toucher horen en hij speelde samen met orkest in een aangenaam tempo. Wat in gunstige zin opviel, was dat het publiek in de concertzaal van de Philharmonie heel stil luisterde, vrijwel zonder gehoest of ander lawaai. Het tempo van het Andantino was misschien een fractie te snel en de intonatie van de blazers was niet overal ideaal, getuige enkele oneffenheden. Het afsluitende Rondo presto was vreugdevol van karakter. Na de pauze stond het Derde pianoconcert in c opus 37 van Beethoven op het programma. Het was mooi om te horen dat Guy dit met een forser toucher speelde dan hij bij Mozart gedaan had. Fraai was ook dat hij de cadens in het eerste deel niet te luid bracht. Bij het Largo had ik soms opnieuw twijfels over het tempo, maar dat van het Rondo allegro was goed gekozen, omdat het niet te snel was. De pianist liet horen dat hij gevoel voor lyriek had en bovendien dat hij een ervaren Beethoven-interpreet is: hij nam niet voor niets al eerder al diens concerten en sonates op en hij is momenteel bezig met een nieuwe reeks studio-opnames. Als toegift speelde hij het laatste deel, Rondo, uit de Pathétique van Beethoven.

 

 

Kunst, poëzie en Debussy

De volgende dag was het de beurt aan zijn Franse collega Philippe Cassard voor een geheel aan Debussy gewijd recital. Dit werd in de Chamber Hall van de Philharmonie gegeven. De intieme ruimte leende zich mogelijk voor deze muziek, maar het timbre van de Bösendorfer-vleugel kwam er misschien niet geheel tot zijn recht. Het was wollig en de bassen van het instrument klonken vooral in de forte-akkoorden dof. Cassard heeft zeker affiniteit met de muziek van Debussy, van wie hij eerder alle pianowerken opnam. Hij speelde met grote contrasten in dynamiek, die de vleugel als gezegd niet altijd ideaal weergaf. Het was interessant dat de pianist in zijn eigen taal uitgebreide toelichtingen bij de stukken gaf, die door een tolk kundig in het Litouws vertaald werden. Zo legde hij verbanden tussen de schilderkunst (Turner), de symbolistische poëzie (Maeterlinck) en de muziek van Debussy.  Bij de langzame en trieste prélude ‘Des pas sur la neige’ paste het timbre van de vleugel weer wel goed, al had het eind nog desolater kunnen klinken. Over de prélude ‘Ce qu’a vu le vent d’ouest’ vertelde de pianist dat de componist zich hier een erfgenaam van Liszt toont en dat hij deze oude meester nog in de Villa Médicis had horen spelen. Het programma was mooi opgebouwd met natuurverschijnselen als ‘sneeuw’ en ‘wind’, gevolgd door ‘water’ en ‘tuinen’. Bij het afsluitende l’Isle joyeuse zei Cassard dat dit stuk niet alleen gaat over de ‘plaisirs de l’isle enchantée’, naar het schilderij van Watteau, maar ook over de passie die de componist voelde voor zijn vrouw Emma Bardac. Dit stuk is een sensuele weergave van hun reis naar Guernsey (vandaar ook de Engelse schrijfwijze van dit Franse woord!). Het eind van deze ‘heidense orgie’ was soms wat te luid, maar in de toegift, het bekende ‘Clair de lune’, stroomde de muziek.

 

 

Prijswinnaars

Twee dagen later traden er twee prijswinnaars van bekende concoursen op, allereerst de Litouwse pianiste Anna Geniušiené, echtgenote van pianist Lukas Geniusas. Zij won in 2022 het Van Cliburn concours. Zij begon haar recital met de Waldszenen van Schumann, waarbij zij uiteraard duidelijk maakte dat zij heel goed piano kan spelen. Haar interpretatie is er alleen een van uitersten: ofwel onnadrukkelijk, om niet te zeggen voorzichtig en vluchtig in de langzame, meer naar binnen gekeerde gedeeltes, ofwel onnodig hard in de snelle, en meer heftige gedeeltes. Het wekte de indruk van een onevenwichtige vertolking. In stukken als ‘Jäger auf der Lauer’ en ‘Jagdlied’ was het af en toe echt schrikken van haar plotselinge forte-uitbarstingen. Bij het afsluitende ‘Abschied’ viel op dat haar toucher weinig gedifferentieerd klonk. Zij vervolgde met twee korte stukken van Mikalojus Konstantinas Ciurlionis, ‘Ruduo’ en ‘Sèjau rũtą’ waar zij meer kleuren liet horen. Het ging om korte, verstilde miniaturen, die soms aan stukken als de Visions fugitives van Prokofiev deden denken. Bij haar vertolking van de Estampes van Debussy viel zij helaas weer in dezelfde valkuil als bij Schumann: haar spel vergroofde in de fortes en niet zo zuinig ook. Daarnaast bracht zij nauwelijks kleuren in haar spel aan, terwijl deze muziek toch uiterst atmosferisch van karakter is. Zo klonk ‘La soirée dans Grenade’ hardhandig, terwijl ‘Jardins sous la pluie’ vlak en zwaar op de hand vorm kreeg. Ook uit haar toegift, Beethovens Bagatelle opus 33 nr 1, bleek opnieuw hoe grillig zij te werk ging, vooral door haar neiging om te veel te willen ‘doen’ met de muziek.

 

 

Uitstekende toonbeheersing

Haar Amerikaanse collega Evren Ozel, in 2024 prijswinnaar van het Concours van Cleveland en in 2025 van het Van Cliburn Concours ging op een heel andere manier te werk. Hij begon met drie Sonates van Scarlatti, waarbij die in g K 427 misschien wat gehaast maar levendig, K 11 introvert en K 159 vrolijk klonk. Zijn interpretatie van Beethovens Sonate in e opus 109 was daarna zeer geacheveerd: hij speelde het eerste deel bijna als een improvisatie, terwijl zijn tempo voor de variaties van het laatste deel natuurlijk overkwam. Bij twee, opnieuw korte stukken van Ciurlionis, ‘Lakštingala’ en ‘Tève mũsu’ liet hij horen dat hij in tegenstelling tot zijn collega voor de pauze een hele goede toonbeheersing heeft. Dat toonde hij ook overtuigend in Bartoks suite ‘Im Freien’, waar direct in het eerste deel, ‘With drums and pipes’ zijn forte nooit lelijk werd, maar een verende kern behield. Daarnaast was de alerte manier waarop hij de zo kenmerkende ritmes van Bartok speelde een plezier om naar te luisteren. De ‘Nigt’s Music’ was als altijd fascinerend, vooral de manier waarop hij in beide handen verschillende klanken liet horen. Het laatste deel, ‘The Chase’ was wild en werd zeer pianistisch gespeeld. Als toegift bracht hij ‘Le cygne’ van Saint Saens in de moeilijke bewerking van Godovsky dat net als de andere stukken die hij gespeeld had zeer helder van klank was.

 

 

Ravel met jaloersmakend gemak

Een hoogtepunt was het recital door de Franse pianist Jean Efflam Bavouzet om de jubilerende Ravel (die 150 jaar geleden geboren werd) te herdenken.  In de ‘Sérénde grotesque’ was zijn spel typerend voor de muziek van deze componist: beurtelings fel en verfijnd. De daaropvolgende ‘Pavane pour une infante défunte’ was misschien een fractie koel, maar dat paste eigenlijk goed bij het beeld van de ‘horloger suisse’ zoals Ravel vaak gezien wordt. Het was een verrassing om hem ‘Jeux d’eau’ te horen spelen, want dit stond niet in het programma (bij dit festival werden steeds de te spelen werken door een medewerker van het festival aangekondigd, maar in het Litouws. Mogelijk werden eventuele wijzigingen dus aangekondigd, maar deze kon ik niet verstaan). Zijn spel stroomde en was fel van toucher, de Franse pianist wist hier en overigens de hele avond heel goed wat hij deed en dat wist hij uitstekend over te brengen. Een ander sterk punt was de manier waarop hij soms een enkele noot het juiste timbre wist te geven. Dit deed hij op bewonderenswaardige manier in ‘Oiseaux tristes’ uit de ‘Miroirs’, waardoor ineens het woord ‘tristes’ een bijzondere lading kreeg. ‘Alborado del gracioso’ was strak en levendig van karakter met spectaculaire glissando’s aan het eind. Heel fraai was ook ‘La vallée des cloches’ met sonoor klinkende bassen.

 

 

Na de pauze had hij de ‘Valses nobles et sentimentales’ zullen spelen, maar interessant genoeg was aan de houding van zijn handen net voordat hij begon te zien dat hij iets anders zou gaan spelen. Tot mijn grote verrassing was dat ‘Gaspard de la nuit’! Ondine’speelde hij met jaloersmakend gemak en focus en de climax halverwege was bijna orkestraal. In ‘Le gibet’ schrok hij soms niet terug voor felle accenten en ‘Scarbo’ was afwisselend helder en spookachtig. Zijn lezing van ‘Le Tombeau de Couperin’ was ook gaaf, al hadden de tempi van de ‘fugue’ en ‘ménuet’ van mij iets langzamer gemogen. Bij de ‘Toccata’ werkte zijn strakke ritmische puls – een andere troef van deze meesterpianist – juist aanstekelijk. Dit hele programma met stukken als ‘Miroirs’, ‘Gaspard de la nuit’ en ’Le Tombeau de Couperin’ was op zich al heel zwaar, maar ik kon mijn oren nauwelijks geloven toen ik de eerste noten van zijn toegift hoorde: hier klonk toch echt het begin van ‘La Valse’…! Hoe is het mogelijk dat je na zo’n veeleisend recital nog de kracht hebt om een stuk van bijna 12 minuten te spelen? Dan heb je echt energie te over… en inderdaad, energie is precies wat deze pianist uitstraalt, daarin lijkt hij op zijn beroemde collega Vladimir Ashkenazy. De originele versie voor twee piano’s en de orkestversie zijn qua klank effectiever, maar Bavouzet wist erg goed de sfeer van decadentie en verval te treffen en aan het eind leek er een storm op te steken. Dit was een recital van uitzonderlijk hoog niveau!

 

 

Slotavond

Tijdens de laatste avond was het Lituanian National Symphony Orchestra te horen onder leiding van Stefan Lano, die ook het aan pianiste Mûza Rubackyté opgedragen Pianoconcert nr 2 componeerde en dat deze avond met haar samen ten doop hield. Voor de pauze klonken er orkestrale werken: allereerst ‘Straussiana’ van Korngold. Daarbij ging het om muziek van Johan en niet van Richard Strauss, van wie ook muziek uitgevoerd werd. Het klonk sprookjesachtig, maar duurde misschien net iets te lang. Daarna volgde een tweede première, die van de ‘Valse lente’van Franz Schreker, die qua sfeer goed paste bij Korngold. Hierbij viel op dat de grote zaal van de Philharmonie, een middelgrote zaal, een nogal droge akoestiek heeft. Dat was nog duidelijker hoorbaar in de Symphonic Fantasy on ‘Die Frau ohne Schatten’ van Richard Strauss. De inzet van de koperblazers was dof en de balans tussen strijkers en blazers stond een aantal keren onder druk. Zodoende kwam de climax niet helemaal tot zijn recht, het weelderige idioom van Strauss had nog extatischer kunnen klinken dan nu het geval was.

 

Na de pauze speelde het orkest in een enigszins uitgedunde bezetting de begeleiding van het Tweede pianoconcertvan Lano. Ook daar was de balans tussen orkest en solist niet altijd ideaal, door de ‘volle’ orkestpartij die soms de piano overstemde. Soliste Mûza Rubackyté speelde haar eveneens zeer notenrijke partij bewonderenswaardig, met ogenschijnlijk gemak en een ontspannen houding aan de vleugel. Zij speelde haar partij van blad, overigens zonder omslaander, maar dat leek haar zelfs in de snelle gedeeltes niet voor problemen te stellen. De stijl van dit concert is niet makkelijk te duiden: soms klonken er in de begeleiding gedeeltes die naar romantische muziek verwezen en in het eerste deel, Moderato- allegro energico- adagio waren er soms verwijzingen naar de stijl van Prokofiev. In het Larghetto was er een moment van ontspanning, dat van mij nog langer had mogen duren. Het laatste deel, Allegro giusto- tranquillo- tempo primo, was wederom zeer geanimeerd, waarbij de pianiste veel te doen had met akkoorden over het gehele toetsenbord. Lano verwerkte in dit deel ook het bekende ‘Dies-Irae’- thema. Na een ovationeel applaus brachten soliste, orkest en dirigent het laatste deel een tweede keer, wat een knappe prestatie was. Het klonk nog geanimeerder dan de eerste keer. Ik ben overigens benieuwd hoe dit concert in een zaal als de Grote Zaal van het Concertgebouw zou klinken!

Hiermee kwam er een eind aan een festival dat van een pianistisch hoog niveau was en dat in 2027 zijn eerste lustrum (het tiende festival) viert!

Willem Boone

 

You May Also Like

DNO: Mooie beelden in statische Boccanegra, maar waar is de emotie?

Spannende opening Holland Festival met west-oosterse klanken  

Nederlands Philharmonisch rondborstig in Rachmaninoffs Symfonische dansen

Danish String Quartet speelt Stravinsky, Ravel en Scandinavische volksmuziek in de Oosterpoort