Hardenbergers Trompetconcert raakt geen seconde, Mahlers Vierde wél

Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Jukka-Pekka Saraste. Met Håkan Hardenberger, trompet, Christiane Karg, sopraan. Jörg Widmann – Towards Paradise (Labyrinth VI), Gustav Mahler – Symfonie nr. 4. Gehoord: 21 december 2025, Concertgebouw, Grote zaal, Amsterdam*

Door Peter Schlamilch

 

Even dacht ik dat ik bij een memorabel concert aanwezig was, afgelopen zondagmiddag in het Concertgebouw: de vele ramen van de Grote Zaal (ja, die zijn er) werden verduisterd en het zaallicht werd geheel gedoofd, waardoor het behoorlijk donker werd in het auditorium. Toen, opeens, hoorden we van ver weg (op de gang, met, bleek later, de deuren dicht) een eenzame trompet met een lange, klagende melodie, niet geheel tonaal, maar zeker goed te volgen.

 

Toscaanse landschappen

Toen zich vervolgens de deuren bovenaan de lange trap openden, verscheen daar de wereldberoemde Zweedse trompettist Håkan Hardenberger, die, slechts bijgelicht door een kleine volgspot, al spelend langzaam de trap af schreed, halverwege onderbroken door de solotrompettist van het Concertgebouworkest – compleet onzichtbaar in het donker – qua toon en zeggingskracht overigens een volwaardige gesprekspartner. Meer blazers mengden zich in het discours en uiteindelijk werd het lichter op het toneel, zodat ook de strijkers in konden zetten – een prachtig, sprookjesachtig en mysterieus begin: heel spannend allemaal. Hardenberger koos, verrassend, positie achter zijn orkestcollega’s, en begon aan ingewikkelde, grillige en atonale loopjes waarvan ik eerlijk gezegd steeds minder begon te begrijpen. Het orkest barstte nu in volle hevigheid uit, en ik raakte het spoor bijster: harmonisch, melodisch noch structureel gaf deze muziek enige richting en duiding – waar ging dit heen? Naar het paradijs, zoals de titel Towards Paradise ons had beloofd? Te genen dele, want tenzij de hof van Eden uit totale chaos bestaat (wat ik beslist niet hoop!), leek hij in niets op de schilderachtige Toscaanse landschappen waar ikzelf de hemel altijd mee associeerde. Als dit het paradijs is, dan hoef ik er niet terecht te komen,

 

 

Willekeur en nihilisme

De grote vraag die de muziekwereld al meer dan een eeuw, sinds de Tweede Weense School (atonaliteit) dus, bezighoudt, is: wat is de toekomst van de scheppende toonkunst? Terug naar Mozart en Bach gaat natuurlijk niet, maar de weg van de atonaliteit bleek ook dood te lopen. Bij elke première van een muziekstuk leeft altijd de hoop: zou dit dan de wegbereider zijn uit de vastgelopen muziekgeschiedenis? Toegegeven, Hardenberger speelde vaak beeldschoon, loepzuiver en expressief, hoewel ik regelmatig het idee had dat hij kleine haperingen vertoonde of net niet helemaal op de juiste toon zat, maar wie zou het kunnen controleren? Misschien had Jörg Widmann wel kwarttonen voorgeschreven, of listige en minuscule voorslagjes, zodat alles eigenlijk perfect was.

Maar daarmee zijn we dan ook bij de kern van het probleem van veel moderne composities: in tegenstelling tot de muziek van Bach en Mozart kennen we vaak de regels van het spel niet, dat door velen als ‘vrijheid’ wordt geïnterpreteerd, maar in feite tot willekeur en nihilisme kan leiden. Voetballen zonder lijnen en met onbekende regels wordt niet leuker, maar saaier: wat is nog goed en wat is slecht, en hoe kunnen we nog communiceren als de muzikale taal ongedefinieerd en vooral: onbekend is voor de luisteraar?

 

 

Fenomenale prestatie

Het is dan alsof je naar een schitterende vertaling van Shakespeare in het Japans zit te luisteren: iedereen doet vreselijk zijn best, maar snappen doe je er niets van en dan zijn 40 minuten best lang. En als je je niet op je verstand kunt verlaten, blijft eigenlijk alleen nog het gevoel over, en daar is niets mis mee, want hoeveel mensen snappen niets van Wagner maar zijn nog dagenlang geëmotioneerd en zelfs ondersteboven na een concert? Helaas lukte ook dat niet, want daarvoor bevatte Widmanns Trompetconcert teveel volstrekt willekeurige klanken en motieven, en ook het Mahler-achtige koraal in de koperblazers vermocht niet te ontroeren of te raken, net zomin als de jazzy of zelfs crooner-achtige reminiscenties in het ‘middendeel’. Wel prachtig waren de spaarzame dialogen met de subliem spelende trompettist uit het orkest en de eenzame afgang aan het eind, gelaten spelend de trap weer oplopend, weer slechts belicht door de eenzame volgspot, tot tenslotte het duister weer intrad. Er was iets heel ingewikkelds gebeurd, het orkest en de solist hadden een fenomenale prestatie geleverd, maar het had ons helaas geen seconde geraakt. De staande ovatie, in het buitenland alleen bij zeer hoge uitzondering maar in ons land vrijwel standaard, bleef dan ook grotendeels uit, zeer veelzeggend.

 

 

Beeldschone solo’s

Ook na de pauze speelde het KCO op de toppen van zijn kunnen, en Mahlers Vierde is natuurlijk een lijfstuk van het orkest, en zo klonk het ook, zonder plichtmatig te zijn, mede dankzij de geraffineerde, soms zelfs geparfumeerde aanpak van de Finse dirigent Jukka-Pekka Saraste, die inviel voor Andris Nelsons, die zich vanwege familieomstandigheden had moeten terugtrekken. Saraste toverde een adembenemende klank uit het orkest, voornamelijk door de musici de vrijheid te geven ‘hun ding’ te doen, en dat is slim, als invaller voor een orkest dat je al 20 jaar niet meer gedirigeerd hebt en zoveel Mahler-kennis in huis heeft. Hij dirigeerde superduidelijk en vertrouwde, volledig terecht, op de ervaring van zijn musici, waardoor er vele beeldschone solo’s bij de blazers ontstonden, die elk hun eigen verantwoordelijkheid namen om Mahler, en zijn vele aanwijzingen (Schalltrichter hoch!) zo goed mogelijk recht te doen: een genot voor het oor.

 

 

Magere Hein

Ook die magische strijkersklank die het KCO zo goed kan laten ontstaan ontbrak geen moment, hoewel het jammer was dat Saraste nergens de scherpe randjes van de partituur opzocht: hij trapte, als zovele dirigenten, in de val van Mahlers uitspraken over de Vierde als ‘een verkenning van het hemelse leven door de ogen van een kind’, en zijn vergelijking van ‘de atmosfeer van de symfonie met het strakke blauw van de hemel.’ Hij beschreef de melodieën uit het eerste deel met een ‘dauwdruppel op een bloem die, plotseling verlicht door de zon, uiteen spat in duizend kleuren’. Toch noemde hij de sleebellen aan het begin de ‘bellen van de narrenkap’, en waarschuwde dat het hemelse blauw soms ‘fantasmagorisch en angstaanjagend’ kan worden, vergelijkbaar met de plotselinge paniek die je kan overvallen in een zonovergoten bos op een prachtige dag. Zo opgewekt en kinderlijk, onbevangen en vrolijk is deze symfonie niet altijd, zeker niet als Magere Hein met zijn ‘valse’ viool (meesterlijk gespeeld door de concertmeester Vesko Eschkenazy) de feestvreugde komt verstoren.

 

 

Liefdevol bouwwerk

Het langzame deel was prachtig, maar eerder impressionistisch dan expressionistisch, maar dat mag een keuze zijn: de strijkers mochten geen Bruckneriaanse kathedralen bouwen van Saraste, maar moesten het bij lieflijke Romaanse kerkjes houden, maar ze klonken er niet minder mooi door, al had ik zelf bij vlagen wel iets meer diepte in de klank gewenst. Maar Saraste zoekt niet naar drama, zoekt niet naar het diabolische, maar concentreert zich op klankschoonheid en technische perfectie, en die  stroomden dan ook volop door de gefascineerde en muisstille zaal. Geen tempoverschillen of bittere bijgedachten, maar een zorgvuldig geconstrueerd transparant en liefdevol bouwwerk werd opgericht, een boeiend monument voor de pure klank.

 

 

Zoetgevooisde stemmen

Misschien geïnspireerd door de verschillende posities van het trompetconcert voor de pauze, liet de dirigent zijn sopraan ook tussen de orkestmusici plaats nemen, maar dat was een vergissing: een zangeres is geen trompet en de Duitse sopraan Christiane Karg was niet voor niets gecast vanwege haar prachtige, maar ragfijne, slanke en wat ‘kinderlijk-expressieve’ stem (zoals Mahler dat wilde) – ze kwam door haar locatie in het orkest moeilijk boven de spelers uit, terwijl iedereen toch al heel zacht probeerde te spelen. In de laatste strofe, die alleen door de fluisterstille strijkers (en wat blazers met harp) werd begeleid, ging dat beter en kwam de tekst over de zoetgevooisde stemmen der engelen schitterend en uiterst teder tot zijn recht – een feest van liefelijk klankschoonheid.

Peter Schlamilch

Foto’s: Marco Borggreve e.a.

 

Info:

www.concertgebouworkest.nl

* Deze recensie betreft de live-versie in de zaal. De concertregistratie kan, door de opnametechniek, uiteraard afwijken.

You May Also Like

Cecilia Bartoli en Lang Lang samen in Concertgebouw

DNO: Tsjaikovski’s Maagd komt niet tot leven

Kleztory brengt brengt aanstekelijke mix van klezmermuziek, jazz en klassiek

Jorge Luis Prats laat de stier bulderen en de liefde bloeien in Iberia