Lea Desandre en Jupiter Ensemble zorgen voor zen in muziek van Dowland

Lea Desandre, sopraan en Jupiter Ensemble o.l.v. Thomas Dunford. Werken van: Dowland en Purcell. Gehoord: Musis Stadstheater Arnhem, 23 september 2025

Door Willem Boone

 

Warm samenspel en samenzang

Kort voor aanvang van het concert vroeg ik me af of de toch redelijk grote Parkzaal van Musis Stadstheater Arnhem niet wat te groot zou zijn voor dit intieme concert in kleine bezetting. Gelukkig bleek die vrees ongegrond, want al bij het eerste onderdeel, Come again uit First book of Songs and Ayres van Dowland waren het Jupiter Ensemble en zangeres Lea Desandre goed hoorbaar. De grotendeels verduisterde zaal oogde zelfs sfeervol, niet het minst door het fraaie uitzicht op de grote boom in het park buiten. Met een beetje fantasie deed de zaal aan een Engels kasteel denken. Het ensemble speelde direct geanimeerd en de sopraan zong helder, waarbij het verrassend was dat de strijkers en Thomas Dunford soms meezongen. Het ensemble zag er prachtig uit, waarbij Desandre in het midden zat bij de instrumentale gedeeltes. Gelukkig klonken de instrumenten niet iel, zoals dat vaak het geval is bij barokensembles. In de toelichting stond te lezen dat het Jupiter Ensemble zich beweegt tussen barok en andere stijlen, dus waarschijnlijk zal men niet altijd op oude instrumenten spelen. Het klavecimbel werd in de eerste stukken van dit programma niet bespeeld en produceerde later op de avond een uiterst bescheiden geluid.

 

 

Dunford solo en hoe ‘kleine’ zang groots kan zijn

In Lachrimae or Seven Tears: Semper Dowland semper dolens speelde Thomas Dunford solo en het had iets betoverends door het rustgevende geluid van zijn luit.  Hij richtte na het eerste nummer overigens het woord tot het publiek, maar wat hij zei was vanaf mijn plek niet te verstaan. De muziek van Dowland die voor de pauze klonk, was grotendeels ingetogen van karakter. Ook in Go crystal tears was de sfeer verstild: de zang van Lea Desandre was ontroerend, hoewel zij niet altijd goed te verstaan was. Als zij niet zong en even zat, bewoog zij wel mee. Opvallend was het zeer verfijnde en levendige musiceren van het kleine ensemble, dat uit slechts vijf strijkers, een klavecimbel/orgel en een luit bestond. Eigenlijk vormde het een prachtig collectief, waar de zangeres regelmatig ‘in’ en soms even ‘uit’ stapte. De stem van de sopraan was mooi strak, met relatief weinig vibrato en deed denken aan die van Dame Emma Kirkby, die in dit repertoire een grote naam had. In Flow my tears liet Desandre horen dat zij niet alleen een operazangeres is, maar dat zij ook ‘klein’ kan zingen. De meeste aria’s zong zij ingetogen, maar niet zonder subtiele schakeringen aan te brengen. De muziek voor de pauze was zo rustgevend dat je er een soort van zen van werd en ze vormde een welkom rustpunt in een vaak hectische wereld waar vaak lelijke geluiden klinken.

 

 

Operahuis met Purcell

Na een gelukkig niet al te lange pauze, vervolgden de musici met muziek van Purcell. Was de denkbeeldige scène tijdens het eerste gedeelte van het concert een kasteel, na de pauze was het een podium van een operahuis. Het ging hier namelijk om uit opera’s afkomstige aria’s die om een andere musiceertrant vroegen. De stem van de zangeres klonk groter en zij zong zonder bladmuziek (in tegenstelling tot het gedeelte voor de pauze), wat haar voordracht duidelijk ten goede kwam. De muziek was levendiger van aard en dat gold ook voor de begeleiding door het Jupiter Ensemble en luitist Dunford. Bij deze muziek speelde het klavecimbel ook mee, al was dat als gezegd uiterst bescheiden van volume. Het spel van contrabassist Ismael Companero deed soms bijna jazzy aan. In Let me weep uit The Fairy Queen was de zang van Desandre dramatisch en in Ah Belinda uit Dido and Aenas diepzinnig. Verreweg de bekendste aria van Purcell was natuurlijk When I a laid in earth uit laatstgenoemde opera. Ook hier was haar zang dramatisch en recht vanuit het hart. Hier was duidelijk hoorbaar dat zij vooral een operazangeres is.

 

 

Zingen met het publiek

Er volgde een originele toegift, ingeleid door Dunford. Hij stelde voor om ‘samen te zingen’. Daarbij verdeelde hij het pubiek in vier groepen die elk op hun eigen manier en in hun eigen ritme ‘bam bam bam bam’ moesten zingen. Het ging bij mijn weten niet om een bekende melodie of een bekend stuk, maar het leek meer op een improvisatie, waaraan de musici enthousiast meededen. Het klonk nog goed ook, zeker het eind waarbij vrijwel iedereen pianissimo zingend tegelijk stopte. Dat had wel iets heel spontaans en magisch. Het was uiterst charmant hoe Dunford de musici van het ensemble, die stuk voor stuk gespeeld hadden, liet delen in het applaus. Het mooie van dit programma – dat overigens in zijn geheel op een dubbelcd van Erato uitgekomen is – was dat het gedeelte voor en na de pauze elkaar in hun verscheidenheid aanvulden.

Willem Boone

 

Info:

https://www.musisenstadstheater.nl/nl/

You May Also Like

Te aardse Schumann door celliste Julia Hagen en het Residentie Orkest o.l.v. Pablo González

Semyon Bychkov dirigeert lyrische Beethoven en Schubert, Kissin fenomenaal in Prokofjev

Aimard brengt intelligente en menselijke Bach

Radio Filharmonisch Orkest overtuigend in Messiaens Turangalîla-symfonie