Oekraïne; bakermat van de beschaving voor Rusland?

Noord Nederlands Orkest (NNO) o.l.v. Hartmut Haenchen m.m.v. Anna Fedorova, piano. Werken van Tsjaikovksi en Sjostakovitsj. Gehoord: Oosterpoort 11 maart 2026
Door Dirk Meijer
Zaterdagavond klonk in een bijna uitverkochte Oosterpoort in Groningen het Eerste pianoconcert van Tsjaikovsky, gekoppeld aan de Vijftiende (en laatste) symfonie van Sjostakovitsj. Dirigent Hartmut Haenchen dirigeerde in de lijdensweek bij hetzelfde orkest de Matthäus-Passion van Bach: als we hem mogen geloven dirigeert hij alleen nog maar de muziek die hij zelf leuk vindt. Waarvan akte.
Vleugel
Door persoonlijke omstandigheden was het mij nog niet gelukt om de nieuwe vleugel van het NNO te mogen beluisteren. Deze is in het najaar in gebruik genomen met een uitvoering van het pianoconcert van Maurice Ravel. Daar kan ik dus niks over zeggen, maar de voortekenen klonken zeer veel belovend. Onder handen van de Oekraïense pianiste Anna Fedorova klonk het instrument als een groot feest voor het oor!! Bijna onvoorspelbaar en ook onvoorstelbaar waren de klanken die zij eruit wist te toveren.
Tsjaikovski’s Eerste pianoconcert
Tsjaikovski’s Eerste pianoconcert in bes klein op. 23 bevat invloeden van Oekraïense volksmuziek. Dat heeft te maken met de periode waarin hij veel tijd doorbracht in het huidige Oekraïne (met name op het landgoed van zijn zus in Kamenka), waar hij lokale liederen hoorde en noteerde.
Meteen het eerste thema, dat klinkt na de inleiding door de hoorns is hier een voorbeeld van: ‘Oy, kryatshe, kryatshe ta chornenkyy voron’ (Oi, hij kraait, hij kraait die zwarte raaf). Hij gebruikt dit thema overigens niet als letterlijk citaat, maar verwerkt het in zijn compositie. Het klinkt ongeveer zoiets als:

in allerlei variaties, transposities, ritmische verschuivingen, syncopen, versnellingen, etc., etc… en zo wordt een sonatevorm verweven met en tot eenheid en symfonische ontwikkeling van het werk. (Ruim een maand geleden zagen we hetzelfde effect terug in Dvorak’s Zevende symfonie, uitgevoerd door het NNO).

Innig spel
Fedorova zat van achter de vleugel zichtbaar te genieten en dat sloeg over op orkest en dirigent. Zonder de grote solist te willen uithangen klonk haar spel zeer innig, zonder enig misplaatst pathos of sentiment. Met een parelend toucher bracht zij de Slavische melancholie naar boven en dat bracht ook de luisteraar in beroering. Hartmut Haenchen en het orkest aan de ene kant en Fedorova aan de andere vormden vanaf de eerste tot de laatste noot een complete twee-eenheid.
Het tweede thema staat in groot contrast en klinkt veel zangeriger en het geeft tegelijkertijd ruimte aan de solist om ritmische vrijheden toe te passen en om het melancholisch hart te laten spreken: een bijna aria zonder tekst.

Door deze ook weer quasi eenvoudige melodie bouwt de componist een enorme spanningsboog op en tegelijk een spel van vraag en antwoord.
Frans volksliedje
Het tweede deel is nu eens niet geïnspireerd op een Oekraïens – ook niet op een Russisch maar op een Frans volksliedje: ‘Il faut s’amuser, danser et rire’ (Je moet plezier maken, dansen en lachen). Dat was eens een kolfje naar de hand van Jeltsin en Clinton; vandaag de dag zou dat eens wat meer moeten gelden voor Poetin en Trump, dan kwam het allemaal nog wel goed in de wereld, maar dit terzijde.
Deze melodie wordt voorgedragen door de solo fluit, en dat horen we ook weer niet al te vaak. De manier waarop de piano behandeld wordt door de componist, doet soms haast denken aan Ravel, of is het andersom? Ik bedoel hier de bijna harpachtige arpeggio’s.
Bij Tsjaikovski zit je eigenlijk altijd te wachten op het grote contrast, en dat komt tijdens de overgang naar het bijna klassiek Scherzo, vol schwung en in de beleving van de soliste met een vleugje jazz: of is toch Mendelssohn hier nog meer op z’n plaats? De pizzicati in het orkest versterken het dansante karakter.
De terugkeer naar het A thema is meer een doorwerking dan een exacte herhaling. De orkestratie is rijker en het biedt weer volop ruimte aan met name de houtblazers van het orkest.
Kom naar buiten
Voor het laatste deel gaan we weer terug naar Oekraïne: ‘Vyidy, vyidy, Ivanku’ (kom naar buiten, kom naar buiten Ivanku). Ook hier weer zonder letterlijk citaat wordt de springende en dansende Ivanku op treffende wijze weer gegeven door pianist en orkest.

De energie spat er bijna van af, flitsend, dan weer syncopisch, uitlopend naar de coda: he thema wordt als het ware ingekort, de herhalingen volgen elkaar in rap temp op, de transposities worden steeds hoger waardoor Tsjaikovsky toewerkt naar een haast felle ontlading. Werkelijk lijkt hem geen zee te hoog te gaan, en dat geldt zeker ook voor Anna Fedorova!
Het aanhoudend applaus werd beloond: Chopin klonk in haar handen al even sprankelend en tegelijkertijd ingetogen als het voorafgaande.

‘Protest’ symfonie
In weinig composities heeft Sjostakovitsj zoveel gebruik gemaakt van muziek van zijn collega’s als in zijn laatste symfonie: Rossini, Wagner, Glinka, maar ook horen we citaten uit zijn eerdere Vierde symfonie. Bij het beluisteren van dit werk vraag je je meteen af, hoe dat wel niet mogelijk is: in zijn voorgaande 14 symfonieën heeft hij ons toch zoveel gebracht dat onbewust de vraag bij je boven komt drijven of het gebruik van al die citaten niet een soort zwaktebod is, of dat Sjostakovitsj misschien wel over z’n hoogtepunt heen is.
Toegegeven: als je ook weer naar deze ‘protest’ symfonie zit te luisteren kan het eigenlijk maar door één componist geschreven zijn: quasi liefelijke melodieën, afgewisseld door felle dissonanten in het koper (vaak klinkend als schrille septiemakkoorden), op hun beurt weer afgewisseld door geheimzinnig klinkend slagwerk: voor die laatste orkestgroep vraagt hij niet minder dan zes uitvoerenden! Sjostakovitsj blijft het regime op de hak nemen!
En dan is er nog iets wat opvalt: bijna citaten uit die andere protestsong: de zesde symfonie van de Deen Carl Nielsen, Sinfonia Semplice. Alleen schreef hij zijn laatste symfonie bijna vijftig jaar eerder dan zijn collega uit Rusland.
DSCH-motief
Herkenbaar is, zowel in het allereerste begin als in het slot van de compositie het D – S (Eb) – C – H (B) (de Duits genoteerde H klinkend als B) motief, iets wat, zijn symfonie in de ogen van de componist zelf iets persoonlijks meegeeft, gebaseerd op de Duitse transliteratie van van zijn naam: Dmitri Schostakowitsch. In de derde maat wordt dit motief getransponeerd gespeeld door de fluiten en het langzame Coda van het laatste deel geparodiëerd door de strijkers. (Persoonlijk moet ik zeggen dat ik dit hier nooit achter gezocht zou hebben, maar er zijn meerdere bronnen die deze lezing bevestigen.)

Als dramatisch hulpmiddel gaat Sjostakovitsh in het laatst van zijn leven ook gebruik maken van twaalftoons reeksen, alleen zonder dat we hem een strikt dodecafonisch componist mogen noemen. In het tweede deel maakt hij gebruik van vrij harmonisch samengestelde reeksen.

De dramatische cello solo aan het begin van het tweede deel doet ondubbelzinnig denken aan de eerder geschreven celloconcerten van de maestro, waarin hij het beste van zichzelf naar boven haalt.

Ook in het vervolg van het tweede deel wordt de hierboven genoemde reeks gespeeld door de celesta.

Onheilspellend maar ingetogen karakter
We beleefden zaterdagavond een zeer degelijke uitvoering van deze symfonische zwanenzang van deze Russische meester. Het had wat mij betreft hier en daar iets spiritueler gekund, waardoor de contrasten nog helderder voor het voetlicht hadden kunnen komen. Dirigent Haenchen koos echter meer voor het onheilspellende karakter, met ingehouden tempi. Een mooi voorbeeld daarvan zijn de open kwinten, die klinken in de overgang van het tweede naar het derde deel in de beide fagotten. Van Haenchen mocht dat niet rauw genoeg klinken. Het NNO speelde het werk naar behoren met mooie solistische bijdragen van de concertmeester, cello, solo fluit, fagot, trompet, trombone, tuba en slagwerk; eigenlijk klinkt deze symfonie als bijna kamermuziek. Niet als zijn absolute meesterwerk, maar wel als op en top Sjostakovitsj.
Dat het NNO nog niet klaar is met Rusland, toont het programma van volgende week: na de pauze klinkt de Sacre du Printemps van Igor Stravinsky.
Dirk Meijer
Foto’s: Nocholas Schwartz e.a.
Info:
https://nno.nu