Scala van Milaan: Myung-Whun Chung met zeer eigenzinnige Pathétique

Filharmonica della Scala o.l.v. Myung-Whun Chung en Mao Fujita, piano. Sergei Rachmaninoff: Tweede Pianoconcert Pjotr Iljitsj Tsjaikovski: Zesde Symfonie (Pathétique). Gehoord: 12 oktober 2025, Teatro alla Scala, Milaan
Door Peter Schlamilch
Myung-Whun Chungs relatie met het Teatro alla Scala in Milaan is significant en evolueert nog steeds: hij heeft een lange geschiedenis met dit prestigieuze operahuis en zijn orkest, de Filarmonica della Scala. Hij maakte er zijn debuut in 1987 (Aida) en is er sindsdien altijd teruggevraagd. In 2023 werd Chung benoemd tot de eerste Direttore Emerito(emeritus-dirigent) van het Scala-orkest, een unieke eretitel die zijn langdurige bijdrage aan het orkest erkent.
Cultureel baken
Chung zal vanaf het seizoen 2027/2028 de eerste Aziatische muzikaal leider van de Scala worden, als opvolger van Riccardo Chailly. Een historische benoeming, erop gericht ‘het artistieke profiel van de Scala verder te ontwikkelen’ en ‘de Scala te positioneren als een cultureel baken dat traditie combineert met innovatie.’ Veel mooie woorden, die zich in de praktijk allemaal moeten bewijzen, maar een treffend staaltje kregen we waarschijnlijk in zijn interpretatie van Tsjaikovski’s Zesde, gespeeld door het enorme orkest van de Scala in de evenzo indrukwekkende theaterzaal. Dat de Scala een cultureel baken is in het Europese muzieklandschap staat natuurlijk buiten kijf, want het historische operahuis produceert niet alleen zo’n 14 operavoorstellingen per jaar (met in totaal ongeveer 150-200 uitvoeringen), maar er zijn ook zo’n 50-60 balletvoorstellingen en evenzovele symfonieconcerten, recitals en optredens voor kinderen.

Wegstervende doodsspasmen
Chungs interpretatie van Tsjaikovski’s Pathétique was monumentaal, zwartgallig en somber, precies zoals de componist dat wilde. De dirigent gebruikt uiterst sobere bewegingen, die zich, als een Herbert von Karajan après la lettre op navelniveau afspeelden en de muziek lijken te willen kneden, zonder erg veel informatie over tempo en puls te geven. Het orkest van de Scala redt het gelukkig ook zonder een heldere slag en reageert gedreven op Chungs gebaren, die voor sommigen ongetwijfeld lastig te interpreteren zullen zijn, maar wel een brede, diepe klankrivier als van een onafwendbare stroom lava opleveren. Chung loopt ver voor de troepen uit qua slag, en hij heeft zich duidelijk voorgenomen Tsjaikovski zo monumentaal (en ook: uiterst traag) neer te zetten, dat het bijna Mahler wordt. Resultaat is wel dat de inleiding in de contrabassen (8, zoals dat hoort) groots en vol klonk, er was geen spoor van het voorgeschreven pp en ook de heerlijke fagotsolo vulde de hele zaal: zoveel passie beviel mij allemaal uitermate. De slot-pizzicati in diezelfde contrabassen (pppp), zo’n tien minuten later, klonken als zweepslagen en niet als wegstervende doodsspasmen, maar ook hier: ik kon deze dramatische aanpak wel waarderen. Maar de tien minuten ertussen waren bij vlagen erg langzaam en ontbeerden soms de gigantische climaxen die deze symfonie zo nodig heeft.

Superieure strijkers
Ook in het tweede deel speelde het orkest uiterst fraai, dit is echt een toporkest, hoor! Chung koos een prima ‘wals’tempo, maar hier, in het enige lichtpuntje van de symfonie, was de stemming dan weer wat al te somber en niet naïef-onbevangen, zoals eigenlijk zou moeten – alsof niet Tsjaikovski, maar iemand als Mahler zelf op de bok stond. Er ontstond een wat mysterieuze sfeer die niet helemaal bij dit toch optimistische deel paste, en de lange lijnen die de dirigent liet spelen strookten niet altijd met de vele articulatieaanwijzingen in de partituur. Het derde deel was ronduit fantastisch: extreem ritmisch en retorisch, en dat alles met dezelfde minimale gebaren van de aankomende chef-dirigent, die als een veldheer zijn troepen afstandelijk aanvoerde. De technisch superieure strijkers (wat wil je anders in Italië?) ontlokten, zoals gebruikelijk, een groot applaus aan de uitverkochte zaal (meer dan 2000 zitplaatsen, vroeger zelfs 3000), waaraan de dirigent zelfs meedeed.

Pompeï
Het vierde deel was weer extreem traag, maar dreigend en majestueus opgebouwd door Chung – zo moeten de inwoners van het oude Pompeï zich hebben gevoeld bij het naderen van de massieve muur van lava die alles zou verzwelgen. De bassen aan het einde fluisterden niet, zoals gebruikelijk, maar donderden, net als het magistrale koper dat de hele symfonie al raasde en tierde. De zeer, zeer lange stilte na afloop was magisch.
Electrische spanning
Voor de pauze stond het Tweede Pianoconcert van Rachmaninoff op het programma, en de invloed van Chung was overduidelijk: zelden hoorde ik de inleiding zó langzaam gespeeld, terwijl Rachmaninoff zelf hier niets van moest hebben volgens de partituur, en ook zijn eigen opname is redelijk vlot in de inleiding. Toegegeven, die langzame dreiging is prachtig en de Japanse pianist Mao Fujita heeft er een heerlijk toucher bij, maar Rachmaninoff zou er verbaasd van hebben opgekeken.
Fujita speelt technisch volslagen vlekkeloos en heeft een virtuoze voordracht, maar ontbeert bij vlagen wel de electrische spanning en de dramatisch-emotionele lading die Rachmaninoffs concert zo beroemd heeft gemaakt. Aan het orkest lag het niet, want dat slaagde erin de trage tempi te vullen met een diep en rijk geluid, waardoor de enorme zaal toch zinderde van een vibrerende, ronde klank.

Langzame climaxen
Het tweede deel was magisch en poëtisch, waarin Fujita’s solo’s waanzinnig perfect en beeldschoon klonken, vaak met een fluweelzacht geluid, daarbij geholpen door het werkelijk fenomenale instrument. Ook het derde deel werd weer voortreffelijk gespeeld, maar had in de piano wel wat meer verschillende kleuren mogen opleveren en ook wat meer dynamische contrasten en verrassingen – een werkelijk pp of ff ontbraken. Een weergaloze avond, die gekenmerkt werd door langzame climaxen en grote ontladingen.
Peter Schlamilch