Twee volstrekt tegengestelde wereldbeelden in Mahlers Tweede en Vijfde

Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Karina Canellakis. Gustav Mahler –Symfonie nr. 5. Gehoord: 17 januari 2026, NTR ZaterdagMatinee, Concertgebouw, Grote zaal, Amsterdam*
Nederlands Philharmonisch o.l.v. Lorenzo Viotti. Nikola Hillebrand, sopraan, Marina Viotti, mezzosopraan. Laurens Symfonisch Koor. Gustav Mahler – Symfonie nr. 2 ‘Auferstehung. Gehoord: 17 januari 2026, NTR Avondconcert, Concertgebouw, Grote zaal, Amsterdam*
Door Peter Schlamilch
Twee Mahlers te mogen beleven op één dag, door twee geweldige orkesten en in één en dezelfde zaal: het is een ongekende weldaad die alleen mogelijk is in een hoge culturele beschaving en die deed denken aan het prachtige Mahlerfestival, nu alweer acht maanden geleden in dezelfde zaal, een zaal waar Mahler zelf zoveel heeft gedirigeerd, maar dat is bekend.
Reis van kerkhof naar bruiloft
Het Radio Filharmonisch Orkest beet ’s middags het spits af met Mahlers Vijfde symfonie (waarvan het prachtige Adagietto natuurlijk het bekendst is – Mahlers ‘liefdesbrief’ aan zijn grote liefde Alma), en ’s avonds trad het Nederlandsch Philharmonisch in het strijdperk met de Tweede, de zgn. ‘Opstandingssymfonie’, met een stralend zingend Laurens Symfonisch Koor en twee uitstekende solisten. Niet alleen hebben beide symfonieën gemeen dat ze vijf delen hebben (best bijzonder, maar het kwam meer voor), maar vooral dat ze van het duister naar het licht gaan, van de dood naar het leven of van treurnis naar genot. Mahler schreef zijn Vijfde in een heel bewogen periode: in 1901 kreeg hij een zware bloeding en was overtuigd te zullen sterven, maar kort daarna ontmoette hij Alma Schindler, met wie hij in 1902 trouwde: de symfonie klinkt als een reis van het kerkhof naar een bruiloft, met daar middenin dus die schitterende liefdesbrief aan zijn pas ontdekte muze.

Herinnering uit kindertijd
Het Radio Filharmonisch klonk fantastisch onder zijn chef Karina Canellakis, maar ik miste vele nuanceringen in tempi, rubati, korte inhoudingen en andere gevoeligheden die Mahler zo graag door zijn partituren strooide, en dat begon al in de eerste vier noten, waarin de trompet volgens Mahlers aanwijzingen (toegegeven: er zijn meerdere partituur-versies) de triool in de opmaat ‘quasi-vluchtig’ moet spelen, als een ‘militaire fanfare’ – een herinnering uit zijn kindertijd, opgroeiend in een garnizoensstad met veel militaire optochten waar hij als kleuter graag achteraan liep. Canellakis gaf de opmaat echter zo strak en beheerst dat dát gevoel er niet uitkwam, en ook de rest van de uitvoering was zo gedoseerd en overdacht dat het warmbloedige en vooral grillige van deze muziek ver te zoeken waren.
Eenvoudige metra
Dat lag niet aan het orkest, want dat speelde op topniveau: alle solo’s in hout en koper lukten, de strijkers waren alert en accuraat en het slagwerk formidabel. Maar Canellakis’ felle klikbewegingen passen gewoon niet goed bij bijvoorbeeld het grote ‘treurthema’ (partituurcijfer 2), waar je eerder bezielende, brede lijnen zou verwachten. Ze houdt met deze heldere takteertechniek het orkest overigens uitstekend bijeen, maar laten we eerlijk zijn: een formidabel en superprofessioneel orkest als het Radio Filharmonisch is zelfstandig al tot heel veel in staat, en is vooral gebaat met veel richting, duiding en expressie van de dirigent: Mahlers relatief eenvoudige metra kunnen ze echt zelf prima vasthouden (voor de leek: in de maat spelen). Het ‘gepassioneerd wild’ van maat 155 was zeker gepassioneerd, maar wild? Het was gewoon keurig in de maat, maar dat is bij Mahler niet genoeg – zijn muziek staat of valt bij het op organische wijze incorporeren van alle tientallen, soms honderden aanwijzingen die de componist erbij schreef: ‘gewoon’ de maat slaan is niet voldoende.

Prachtige klarinetten en fagotten
Het Radio Phil volgt zijn chef voorbeeldig, en dat leidde heel vaak tot prachtige kleuren, vooral in het tweede deel, dat veel beter overtuigde en vaak zelfs ‘Stürmisch’ klonk: het orkest wil echt wel, maar krijgt soms niet de vrijheid die het zoekt: een Ferrari met de handrem nét niet helemaal los.
Het derde deel klonk subliem met prachtige klarinetten en fagotten, en dito hoorn- en vioolsolo’s. Het was allemaal feilloos, zeer gelijk (al heel lastig in dit grillige stuk) en klankschoon, maar ook hier: het mag allemaal iets avontuurlijker. Waar kies je voor als dirigent? Het ‘Nicht eilen’ (niet haasten) of Scherzo, schertsend? Het meeste avontuur kwam helaas van een vele minuten durende fluittoon van waarschijnlijk een hoortoestel in de zaal, die wonderlijk genoeg in dezelfde toonsoort stond als dit Scherzo: soms was het storende element de kwint, dan weer de terts en dan weer de tonica van de toonsoort. Waarom kennelijk niemand van de omzittenden er iets aan deed is mij een raadsel: meteen úit, dat ding!

Bloedmuzikaal toporkest
Het bekende Adagietto begon magisch: fluisterzacht, met een prachtige harpsolo en spatgelijke contrabassen, zacht maar sonoor. Maar waarom dat magische moment na de opmaat van de eerste violen, 3 noten waar Mahler zowel molto ritenuto, crescendo als espressivo bij weet te schrijven zo makkelijk voorbij laten gaan? Het is een schot voor open doel, en misschien wil Canellakis juist daarom niet scoren (te makkelijk), maar jammer is het wel, want dit deel staat er bol van. Het is Mahlers Liefdesdood, en het klonk werkelijk hemels, maar het verlangen zit hem in de spanning die hij er steeds weer bij schrijft: etwas drängend – fliessend – zurückhaltend… Die spanning miste ik soms, maar het wegstervende slotaccoord duurde eindeloos en was adembenemend. De fluittoon was gelukkig ook weg.
Alleen in de laatste tien minuten van deze lange symfonie ontketende Canellakis het orkest écht: onherkenbaar ontpopte ze zich (geholpen door een grandioze eerste hoornist) tot ware strijdster voor menselijk geluk en de overwinning van de liefde – die voor Mahler zelf overigens van korte duur zou blijken, zoals hij in zijn Tiende zou optekenen. Maar daarvan hier nog geen spoor, en het orkest speelde voor wat het waard was: een bloedmuzikaal toporkest.

Mahlers honderden aanwijzingen
De uitvoering van de Tweede symfonie, des avonds, had een compleet ander karakter, en Lorenzo Viotti is dan ook een compleet andere dirigent dan zijn collega van die middag: waar Canellakis zo helder mogelijk de boel bijeen houdt en daar heel goed in is, onderzoekt Viotti vrijwel elke maat, en dat zijn er toch zo’n slordige 2157 in dit werk, naar een mogelijkheid om expressie toe te voegen, ‘magische momenten’ te creëren of anderszins iets ‘bijzonders’ te doen, wat na de abstracte benadering van de middag ervoor aanvankelijk als een weldadige verademing voelde. Viotti slingerde ‘zijn’ orkest (hij is nog steeds vaste gastdirigent) na een goed getimede stilte vurig en snoeihard aan: als een onbesuisde Harley-Davidsonfanaat trapte hij op de kickstarter, en nog eens, en ja, daar ging het beestje van start, precies zoals Mahler dat bedoelde. Het ‘wild’ dat erbij staat klonk ook echt wild, het fff, het accent en het sforzato (ook een soort accent) waren er allemaal. Het ‘immer wuchtig’ (een combinatie van zwaar, krachtig en energiek) in de fagotten hoorden we, en het molto espressivo in de violen ook: dat ál Mahlers honderden aanwijzingen vanavond zouden worden gevolgd was in de eerste maten al zeker.

Allesverzengende destructie
Viotti en zijn orkest maken grote dynamische verschillen, creëren expressieve contrasten (tweede thema als van fluweel) en vooral die ‘magische momenten’ waar Mahler zo op uit is: nét even iets tegenhouden of juist versnellen – Viotti draait er zijn hand niet voor om. Het orkest speelt gedreven en zingt en fraseert als een dolle, en er gebeurt gewoon heel, heel veel moois. Toch heeft deze aanpak het gevaar van de overdrive: de grote climax van het eerste deel (vlak na cijfer 20, waar subdominant en dominant op duivelse wijze worden samengeperst tot één accoord) valt bijna een beetje weg in een zo expressieve context, en ook de allesverzengende triolen van de slotmaten leken wat teveel op een goedbedoelde vingeroefening dan op de vernietigende destructie, waar deze symfonie óók over gaat: alles wat goed en mooi is, moet steeds weer lelijk en kapot gemaakt worden, waarna de mens zich steeds weer, tegenslag na tegenslag, opricht en uiteindelijk ‘opstaat’. De enorme pauze die Viotti afdwong na het eerste deel was prachtig – weliswaar niet de door Mahler voorgeschreven ‘minimaal 5 minuten’, maar toch zeker 2 of 3: bravo.

Beeldschoon begeleid
Het tweede deel was beeldschoon van klank, hoewel voor mij iets te ‘gemächlich’, het derde deel juist net een tikje te snel – ‘nicht eilen’, staat erbij, maar dat is subjectief. Wat niet subjectief is, is Mahlers vrijwel unieke gebruik van de takkenbos als dreigend-ironisch element, zo karakteristiek dat ik het best wel wat prominenter had willen horen. Klarinetten, overig hout en hoorn waren schitterend op dreef, maar ook hier waren de destructieve krachten, die telkens weer alles komen vergallen, veel te lief en verwachtbaar. De inzet van O Röschchen rot! van mezzosopraan Marina Viotti was helaas veel te laag (beruchte overgang van c naar Des) en wankelde daardoor in de eerste noten, maar werd, toen ze vaste grond onder de voeten kreeg weer prachtig en vol, zoals we haar kennen, maar het was wel even schrikken. Het hele vierde deel werd weer beeldschoon begeleid door het NedPho, dat in de strijkers nog nét iets warmer had mogen zijn, en misschien ook weer iets vloeiender van tempo.

Diep in het universum
Het laatste deel begon niet met Mahlers gewenste ‘Wild herausfahren’ (wild uithalen), maar was weer veel te lief en ook de octaafinzet van cijfer 11 werd om onbegrijpelijke redenen niet fff maar piano gespeeld, en daar wreekte zich het enige tekort van deze mooie avond: je kunt, zelfs in Mahler, ook te veel interpreteren en boetseren – de kunst is om Mahlers honderden aanwijzingen tot één organische interpretatie samen te ballen die alleen zo hun geheimen prijsgeven.
Het Laurens Symfonisch Koor zong grandioos: onhoorbaar zacht, maar sonoor en superzuiver inzettend (met die lage bes waarvan Mahler erbij schreef dat hij best wist dat die onzingbaar laag was) en furieus uitbarstend, de Schepper bijna eisend ons te redden, onze doodsangst overschreeuwend – fenomenaal mooi.
Nikola Hillebrand zong haar sopraansolo mooi maar licht aarzelend, en even dreigde de boel weer te traag te worden door de soms veel te grote controledrift door Viotti, die in de laatste koormaten gelukkig zijn operatalent wist te vinden en de Grote Zaal liet ontploffen met een prachtig Aufersteh’n, dat tot diep in het universum gehoord moet zijn geweest.
Peter Schlamilch
Foto’s: Marco Borggreve, Melle Meijvogel, Eduardus Lee e.a.
* Deze recensie betreft de live-versie in de zaal. De concertregistratie kan, door de opnametechniek, uiteraard afwijken.

Info: