Warmbloedig NNO gedirigeerd door Hossein Pishkar

Concert door het Noord Nederlands Orkest, o.l.v. Hossein Piskar, m.m.v. van Carolin Widmann, viool. Werken van Schumann, Bruch en Dvořák. Gehoord op 19 februari 2026, Oosterpoort, Groningen.
Door Dirk Meijer
Tempo en orkestratie
Lezers die wel eens een recensie van mij gelezen hebben zullen zich misschien herinneren, dat ik nogal eens zit te ‘zeuren’ over te snelle tempi. Wat heerlijk dat ik dat nou eens niet hoef te doen. Het was genieten gisteravond bij het NNO: Hossein Pishkar liet het orkest ‘zingen’ in een romantisch programma met werken van Schuman, Bruch en Dvořák, geheel in lijn met violiste Carolin Widmann, die op gloedvolle wijze haar kunsten ten toon spreidde in het 1steVioolconcert van Max Bruch.
Schumann en orkest? Is dat altijd een gelukkige combinatie geweest, of is zijn orkestratie ‘gewoon anders’ en daardoor misschien toch ook wel uniek? Je zou in eerste instantie kunnen zeggen dat de orkesten vroeger anders, lichter klonken dan tegenwoordig en dat, om toch het doel te bereiken dat de componist voor ogen stond, eerder verdubbelingen in het hout werden toegepast. Maar dat zou dan niet alleen voor Schumann moeten gelden maar ook voor zijn tijdgenoten. Laat ik het er op houden dat hij soms eigen inzichten had over de kunst van het orkestreren.

Zonder partituur
Pishkar dirigeerde zonder partituur voor zich en dat werkte heel goed, zowel op de musici als op het publiek in de redelijk gevulde zaal van de Oosterpoort in Groningen: je kon een speld horen vallen. Even was de allereerste inzet van de avond net niet helemaal spatgelijk, maar daar bleef het gelukkig bij. Daarna viel er meteen veel te genieten.
Gespeeld werd de Ouverture tot Schumann’s enige opera, geschreven in 1848/49, naar een gelijknamig Middeleeuws volksverhaal, wat zich afspeelt in de Belgische Ardennen.
Meteen al in de inleiding, Langsam, werden we meegenomen in een bijna schilderachtig en dromerig kleurpalet, bestaande uit zestienden-bewegingen in strijkers, fluiten en klarinetten, omspeeld door akkoorden in de rest van het orkest. In een lang uitgesponnen melodie gaat de muziek over in een Leidenschaftlich bewegt met grote contrasten. In de pastorale gedeeltes wanen we ons soms bij Mendelssohn, afgewisseld door felle en korte motieven in de hoorns à la Richard Strauß of misschien ook wel Carl Maria von Weber. Door de uitvoerige aandacht die Pishkar besteedde aan alle details, werd deze ouverure een waardige overgang tot het Eerste vioolconcert van Max Bruch (1838 – 1920).

Vioolconcert van Max Bruch
Het 1ste vioolconcert van Max Bruch op. 26 in g klein behoort tot de evergreens onder de vioolconcerten en als je de uitvoering van donderdagavond mag recenseren, ben je een gelukkig mens. Qua beleving sloten Pishkar en soliste Carolin Wildeman naadloos op elkaar aan. Op haar Guadagnini viool uit 1782 speelde de soliste letterlijk de sterren van de hemel. Toonladderfiguren aan de ene – en warm klinkende melodieën aan de andere kant parelden uit haar prachtige instrument.

Tumultueuze ontstaansgeschiedenis.
De beroemde violist Joseph Joachim heeft het werk in 1876 in première doen gaan en daarna zouden, tot aan de dag van vandaag nog vele uitvoeringen volgen. Het is één van Bruch’s bekendste composities geworden met een overigens nogal tumultueuze ontstaansgeschiedenis. Ondanks het feit dat de componist zelf één exemplaar behield, verkocht hij de rechten van het werk voor een luttel bedrag aan uitgever N. Simrock. Dat had hij misschien beter niet kunnen doen. Royalties voor zijn overige composities heeft hij, mede door alle chaos en ellende die de Eerste Wereld Oorlog met zich meebracht bijna nooit kunnen innen en van dit eerste vioolconcert werd hij dus ook niet rijk. Aan de gezusters Sutro uit Amerika, waarvoor hij in 1912 zijn concert voor twee piano’s had geschreven, gaf hij uiteindelijk de rechten voor verkoop aldaar; de compositie ging gretig van de hand, maar evenmin werd hij hier rijk van. Meer dan wat waardeloos geworden Duits papiergeld heeft Bruch bij leven nooit voor zijn werk ontvangen.
Max Bruch & Joseph Joachim
Drie-eenheid
Het spel van Widmann inspireerde ook de musici van het NNO, want orkest dirigent en solist vormden een echte drie-eenheid. De paukenist opende de compositie met een fijnzinnige roffel, de houtblazers antwoordden daarop ter introductie van de solist. Het is een compositie geworden vol hartstocht en weemoed en met een bijna sprookjesachtig middendeel, tenminste in de benadering van Widmann. Zonder enige opsmuk kroop zij als het ware midden in de partituur en dat leidde tot diepgang. Het contrast met het afsluitende Allegro enegico is groot. Vloeien de eerste twee delen nog in elkaar over, het afsluitende deel begint weer met een korte intro in het orkest, waarna de soloviool uitbarst in een bijna triomfantelijke finale. Heel even leek de balans te worden verstoord ten faveure van het orkest, maar dat heeft ook te maken met resonans van de Oosterpoort. Je zou het ook zo kunnen omschrijven, dat solist en orkest elkaar opzweepten tot grote hoogte. Pishkar gaf Widmann na afloop volledig de eer, die zij toekwam! Na de pauze nam de soliste gewoon plaats in de zaal, met haar vioolkist op schoot, om samen te luisteren naar de Zevende Symfonie van Antonin (in d klein, opus 70).

Zevende symfonie
Een paar jaar geleden vertelde voor Radio IV eens een van oorsprong Tsjechische dame dat een uitvoering van de muziek van Dvořák altijd een dansante snaar moest raken. Anders ontbrak een wezenlijk element aan de uitvoering… Daar hoefden we ons donderdagavond gelukkig geen zorgen over te maken. Meteen al het begin van het eerste deel klinkt in een lichtvoetig in 6/8 maat, en dan kan het werk maar door één componist geschreven zijn.

En toch heeft dit door en door Slavische werk een diep gevoelige, misschien wel wat somberder, in ieder geval diep gelaagde achtergrond, en dat haalt vaak het beste in een kunstenaar naar boven. Het staat nergens vermeld, maar het lijkt mij niet ondenkbaar dat de dood van zijn moeder, overleden 15 december 1882, niet zo heel ver voordat hij aan zijn nieuwe compositie begon hierin een rol speelt. Zelf schrijft hij hierover aan zijn vriend Antonin Rús:
‘Deze symfonie moet iets uitdrukken dat ik diep in mijn hart voelde, iets dat mij bewoog tot ernstige gedachten over mijn volk en mijn eigen leed.’[1]
Dvořák heeft natuurlijk al genoeg ellende in zijn leven meegemaakt, denk maar eens aan het heengaan op jonge leeftijd van drie van zijn kinderen vijf jaar eerder. En dat lijdt in 1877 tot het ontstaan van zijn Stabat Mater: een immens geladen en een droevige, diepgewortelde compositie. Gelukkig ondervond hij bij al dit leed veel steun van zijn vrouw Anna Čermáková.
Terug naar de zevende symfonie: de hierboven beschreven opening vormt de basis van het eerste deel. Sterk, krachtig maar toch ook weemoedig klinkend. Steeds keert dit motief, als herkenbare basis terug. Dit deel is gecomponeerd in de sonatevorm, dus dan moet er ook een tweede thema zijn. Dit staat in de parallel toonsoort, F groot, getoonzet door de hoorn door een dalende toonladderfiguur in zestiende noten; een lyrisch contrast ten opzichte van het beginthema.

De doorwerking brengt een innerlijke strijd met zich mee van veerkracht tegenover weemoed. Wat opvalt is het gebruik van intensief contrapunt. In de coda keert d klein terug, een uiting van de gemoedstoestand van de componist.
Hoogtepunt van deze symfonie is het tweede deel, het Poco Adagio. Je voelt als het ware een diep verlangen van Dvořák , menselijk, goddelijk? Het is een heldere compositie, mede geïnspireerd door Brahms. Het overkoepelend thema wordt eerst gespeeld door de houtblazers.

Het donkere timbre in het orkest heeft de overhand, en daarin krijgen met name de celli de kans zich met alle expressiviteit zich te etaleren.

Het vervolg, het derde deel is een furiant, een Boheemse, krachtige dans in 6/4 maat, maar vol onregelmatige ritmiek: vier tegen twee, drie keer twee, etc., etc…

Wederom toont de componist zijn grote veerkracht, maar toch blijft een enorme spanningsboog van de eerste tot de laatste noot hoorbaar. Het middengedeelte klinkt als contrast iets lichtvoetiger.

Om de hoop en de kracht weer te geven, eindigt de Finale in D groot, misschien wel een teken dat de hoop en de dankbaarheid uiteindelijk overwint!
Alle expressie in de aanwijzingen van Hossein Pishkar werd dankbaar opgevolgd door de musici van het NNO. De zevende van Dvořák is geloof ik niet zijn meest gespeelde, maar wel een van zijn meest persoonlijke en betekenisvolle composities uit zijn Tsjechische opus lijst. Dat hij en zijn vrouw een nieuwe start wilden maken aan de andere kant van de oceaan na zoveel leed is invoelbaar, maar we mogen ons gelukkig prijzen dat het niet alleen blijft bij zijn laatste symfonie ‘Uit de Nieuwe Wereld’.
De musici werden na afloop gefêteerd door de dirigent. Op één daarvan had ik vanaf mijn plaats precies het zicht en dat was paukenist Niels Verbeek, met zijn enorme arsenaal aan verschillende stokken. Prachtig om te zien en om naar hem te luisteren!
Symfonieorkesten in Nederland
Het is een goede zaak dat Nederland beschikt over zoveel goede symfonieorkesten en in het noorden mogen we ons gelukkig prijzen met één daarvan: het NNO. Ik weet dat men in Amsterdam, zoals in de meeste hoofdsteden, best verwend is met zoveel goede en gevarieerde muziekuitvoeringen, vaak op verschillende locaties. Toch, tot slot nog even een aanrader: het NNO speelt zaterdag 18 april in het Concertgebouw. Op het programma staat het vioolconcert van Beethoven en van Stravinsky ‘le Sacre du Printemps’. Het concert wordt gedirigeerd door chef-dirigent Eivind Gullberg Jensen.
Ik heb gezien dat de zaal nog niet is uitverkocht.
Dirk Meijer
[1] Michael Beckerman, Dvořák and His World (1993). Princeton University Press
Info:
https://nno.nu/concert/bruchs-vioolconcert-dvorak-7/