Bruckner VI uit de schaduw en Timothy Dowling in de bloemen
Verstopt tussen de geniaal geconstrueerde, weerbarstige Vijfde en de monumentaal uitgesponnen Zevende, leidt Bruckners Zesde symfonie een wat verwaarloosd bestaan. Misschien verklaarbaar, maar tegelijk ook onterecht. Jun Märkl, chef-dirigent van het Residentie Orkest is duidelijk verknocht aan dit werk. Zoveel bleek al uit het enthousiasme waarmee hij het toegestroomde publiek in de hal van Amare toesprak tijdens de ‘starter’.
Het uitbundige, energieke, optimistische karakter van de Zesde werkt inderdaad aanstekelijk. In die zin zou je een parallel kunnen trekken met Beethovens Zevende. Waar Beethovens muziek appelleert aan het menselijke en aardse, lijkt Bruckner eerder de elementen en het eeuwige aan te spreken. Sommige hemelbestormende passages uit de snelle delen zouden het verrassend goed doen Science Fiction films. Tegelijkertijd herbergt het tweede deel – net als in het geval van Beethovens Zevende – de diepere kern. Zelfs al is die bij Bruckner eerder gewijd dan tragisch zoals bij Beethoven.
Wie nog een zetje nodig heeft om deze Zesde te waarderen, zou zich afgelopen vrijdag allicht hebben kunnen laten overtuigen door Märkls pleidooi. De door mij veelgeprezen transparante klank die het Residentie Orkest onder aanvoering van deze dirigent telkens bereikt, ging hierin samen met ruim voldoende zwaartekracht vanuit het lage koper en de contrabassen. Uit het hoofd dirigerend, weet Jun Märkl precies wat hij waar moet halen en hoe hij dat aan de verschillende instrumentgroepen gebaart. Toch moet ik bekennen, dat hij die in de regel behulpzame diversiteit op een aantal plaatsen in deze symfonie iets had mogen versoberen. Om zo de aandacht zuiver en alleen op de puls te richten en daarmee ook sterk uiteenlopend tot klinken gebrachte instrumenten tot een gelijke lezing van eenzelfde punctering te bewegen. Zodat de voortgang, ook in langzamer gevoelde bewegingen nog beter bewaard zou zijn gebleven.
Laat ik mijn kleine kritiek echter meteen relativeren door de superbe begeleiding te prijzen die dirigent en orkest voor de pauze gaven aan violiste Bomsori Kim in Jean Sibelius’ Vioolconcert, waarin ongehoorde binnenstemmen voor waar een feest vol verrassing zorgden. Gelijktijdig droeg die finesse er zelfs in luide passages toe bij dat de Koreaanse haar onmiskenbare virtuositeit en muzikale charme kon etaleren zonder zichzelf als het ware te moeten overschreeuwen. Niet elke begaafde violist hoeft tenslotte de klankkracht van een Vengerov, Repin of Szeps-Znajder te produceren om de moeite waard te zijn. Ze oogstte een ovationeel applaus, dat ze beantwoordde met een effectvolle transcriptie voor solo viool van Kreislers Schön Rosmarin: puntgaaf en met feilloos afgemeten zwier.
Maar de bloemenode was op deze avond toch voor trombonist Timothy Dowling. De aanvoerder van de groep nam met dit concert afscheid van het orkest na bijna vier decennia trouwe dienst. Hij had nauwelijks een mooier hoogtepunt kunnen kiezen. Tenslotte vraagt Bruckner alles van de trombones – van plechtige koralen tot omineus gebulder.
Elger Niels
Gehoord: 22 mei, Concertzaal Amare, Den Haag