Altviolist Timothy Ridout de ideale held in Harold en Italie van Berlioz

Nederlands Philharmonisch Orkest o.l.v. Sir Mark Elder m.m.v. Timothy Ridout (altviool), Nationaal Vrouwen Jeugdkoor. Wagner: Siegrfried-Idyll, Debussy: Nocturnes voor orkest en vrouwenkoor, Berlioz; Harold en Italie. Gehoord: 23 februari 2026, Grote Zaal, Concertgebouw, Amsterdam.
Door Wenneke Savenije
Meest menselijke instrument
‘De altviool spreekt met de stem van het hart’, verklaarde Lionel Tertis, een van de pioniers van de moderne altvioolschool. Daar voegde zijn collega William Primrose aan toe: ‘De altviool is het meest menselijke van alle strijkinstrumenten.’ Van nature melancholiek, kan de altviool met zijn warme en donkere timbre innig en droefgeestig zingen, maar ook helder en krachtig spreken, zonder dat het schreeuwen wordt. Op zijn enorme Italiaanse Peregrino di Zanetto-altviool uit ca. 1565-1575, opgedoken uit een la bij Beare’s in Londen, weet de jonge Engelse altvioolster Timothy Ridout (1995) al deze aangeboren eigenschappen van de altviool te sublimeren: ‘Het instrument voelt ouder en wijzer dan ik. Ik viel onmiddelijk voor de kracht en de schoonheid van de lage c-snaar. Deze altviool heeft ook een ongelooflijke diepte in het middenregister. Ik heb geleerd het instrument te laten spreken; het reageert niet op geweld, maar op aandacht.’ Niets afdwingen maar al musicerend luisteren en laten ontstaan, spelen in verwondering, zodat de klank zich kan ontvouwen vanuit de partituur met de altviool als medium … Door die menatle houding, waarbij de solist behalve een virtuoos instrumentalist en doorvorser van de partituur ook toehoorder is, bleek Ridout bij uitstek geschikt om de heldenrol in Berlioz’ Harold en Italie te vervullen. Maar eerst een stukje geschiedenis.

Harold en Italie
In 1833 bracht Paganini, de duivelskunstenaar op de viool, een bezoek aan Parijs. Hij had net een uitzonderlijk mooie Stradivarius-altviool uit 1731 aangeschaft, waarop hij wilde schitteren. Daarom vroeg hij Hector Berlioz om een nieuw concert voor altviool te componeren. Voortdurend geplaagd door geldzorgen, ging Berlioz daar maar al te graag op in. Hij besloot geen traditioneel soloconcert te schrijven, maar een symfonie waarin de altviool als karakter optreedt. Daarbij liet hij zich inspireren door het gedicht Childe Harold Pilgrimage van Lord Byron. Berlioz: ‘Ik stelde mij een melancholische dromer voor, zoals Byrons Harold, die door de bergen van Italië zwerft.’ Dat was ook een beetje autobiografisch, want als het hem te veel werd in Parijs, vluchtte Berlioz ook graag de bergen in om tot zichzelf te komen. In vier schilderachtige symfonische delen – Harold aux montagnes, Marche des pèlerins, Sérénade d’un montagnard, Orgie des brigands – zwerft Berlioz’ Harold, verklankt door de altviool, door de bergen van Italië als een melacholieke dromer, die meer observeert dan acteert, een rol die uitstekend past bij het van nature al weemodige instrument. Berlioz: ‘De altviool behoudt haar karakter, maar mengt zich met de scènes zonder ze te domineren.’ Toen Paganini ontdekte dat de altviool niet voortdurtrend het hoogste woord voerde in het in 1834 voltooide werk, liet hij Berlioz weten: ‘Dat is niets voor mij.’ Maar Berlioz weigerde zijn ‘symfonie met obligate altviool’ on te vormen tot een virtuoos altvioolconcert. Toen altviolist Narcisse Girard het werk op 23 november 1834 in Parijs in première bracht, begreep het publiek maar weinig van het concert, dat meer weg had van een symfonisch gedicht. Paganini zat in de zaal toen het stuk in 1838 nogmaals werd uitgevoerd. Na afloop knielde de vioolvirtuoos voor Berlioz en noemde hem de erfgenaam van Beethoven. In zijn memoires noteerde de componist: ‘Hij viel voor mij op de knieën en zei: ‘Beethoven is dood; alleen Berlioz kan hem doen herleven.’ Kort daarna stuurde Paganini hem een cheque van 20.000 frank, in die tijd een enorm fortuin, waardoor Berlioz vooropig gered was van bankroet.

Wagner voor het ontbijt
Op grote blauwe sneakers daalde Sir Mark Elder de rode trappen af om met een klein ensemble uit de gelederen van het Nederlands Philharmonisch Orkest Wagners verjaardagscadeu aan zijn kersverse echtgenote Cosima te gaan dirgeren. Dat Wagner dertien jaar later in Venetië aan een hartaanval zou bezwijken na een knallende ruzie met diezelfde Cosima, was in 1870 nog niet te voorzien. Wagner verraste zijn geliefde met een idyllische aubade, uitgevoerd door enkele leden uit het orkest van Zürich, op de traptreden onder de slaapkamer van Cosima in hun villa Tribschen. De volledige titel van het stuk luidde: Tribschener Idyll mit Fidi-Vogelsang und Orange-Sonnenaufgang, als Symphonischer Gerburtstagsgruss. Cosima, die net was bevallen van hun zoontje Fidi waarbij Wagner een vogel had horen fluiten, verklaarde later dat ze nooit eerder op zo’n bijzondere manier was ontwaakt. Mark Elder is er de man niet naar om Wagner te laten smoren in gezwelg en een overdaad aan sentimenten. Hij kiest voor een ‘moderne’ en daarmee wat mij betreft sympatiekere Wagner, helder en levendig, ontdaan van hyper-romantische overdaad en smaakvol ingedikt tot de essentie. Dat was overigens niet de reden van zijn sportieve schoeisel: Elder bleek zijn deftige concertschoenen vergeten te zijn, had ’s middags nog gauw een paar nieuwe schoenen aangeschaft, maar ontdekte dat die zo glad waren, dat hij toch maar voor zijn sneakers koos om niet van de trap te vallen. En zo belandde hij veilig op het podium, waar hij met de toegewijd en liefdevol spelende musici uit het Nedpho een krachtige maar charmante aubade afleverde, in dezelfde bezeting als het ensemble dat Cosima wakker schudde uit haar dromen.

Debussy’s sirenen
Daarna leefden Elder en het Nedpho zich uit in een transparante en lichtvoetige lezing van Debussy’s Nocturnes voor orkest en vrouwenkoor, waarin de wolken voorbijdreven als fascinerende en beweeglijke constelaties tegen een blauwige achtergrond, het opzwepende dansfeest tot de verbeelding sprak in onstuimige triolen en de sirenes uit het Nationaal Vrouwen Jeugdkoor opstegen als mythologische wezens in een mysterieus universum van klank en kleur. Binnen de impressionistisch getinte ‘mist’ van Debussy’s klankwereld streeft Elder, die in Nederland ondermeer Pelléas et Mélisande dirigeerde bij De Nationale Opera, net als bij zijn Wagner naar beweeglijke precisie, balans en helderheid en dat is een groot goed. Elder: ‘Als je Debussy vaag maakt, verlies je de structuur. Het orkest is bij Debussy als een aquarel. Je moet voorzichtig mengen. Te veel gewicht verstikt de lichtheid. De muziek moet ademen. Het drama zit tussen de noten.’ En zo trokken de fascinerende, op reflecties over de natuur gebaseerde klankwerelden van Debussy elegant en welsprekend voorbij in verfijnde en vloeiende golfbewegingen, waarbij het Nedpho een beetje boven het juk van de zwaartekracht uitsteeg in fraaie kleurschakeringen, terwijl de zangeressen uit het koor zich door Elger lieten verleiden tot intieme samenzang die opsteeg uit de watermassa en werd meegveoerd door de wind.

De ideale Harold
Als ware hij de David Attenborough van de muziek, hield Elder na de pauze een geestig pleidooi voor de muziek van Berlioz in het algemeen en Harold en Italie in het bijzonder. Terwijl ooit Mendelssohn de partituren van zijn tijdgenoot Berlioz afdeed als te morsig en chaotisch (alsof er allemaal vlekken op geknoeid zijn …), geldt Elger al jaren als een belangrijk pleitbezorger van Berlioz, waarvan hij veel werken opnam met het Hallé Orchestra. Volgens hem was Berlioz zijn tijd ver vooruit. Elger: ‘Je moet Berlioz dirigeren alsof het kamermuziek is. Anders wordt het modderig. Berlioz hoorde alles. Hij wist precies welke kleur hij wide, en hij schreef die zonder compromis op. Het is een misvatting dat Berlioz alleen maar effect zocht. Zijn partituren zijn ongelooflijk gedetailleerd. Als je die details volgt, ontstaat vanzelf de dramatische spanning.’ Elder ziet de held in Harold en Italie, waarin Berlioz volgens hem ‘in licht en schaduw’ componeerde, als een commentator: ‘Harold is geen virtuoos die het orkest domineert. Hij is een reiziger die door het orkestlandschap dwaalt. Harold is een figuur die observeert. Hij neemt deel, maar hij overheerst niet.’ Ook bij dit werk opteerde Elder net als in Wagner en Debussy voor architectonische helderheid en orkestrale lichtheid: ‘Als je Berlioz te zwaar maakt, verliest hij zijn licht.’ En zo ontspon zich onder zijn leiding een meesterlijke raamvertelling in de bergen van Italië, met een slanke strijkersklank, helder gedefinieerde houtblazers, gepolijst koper en een zorgvuldig gecontroleerde dynamiek in de forte passages.

De held Timothy Ridout voegde zich moeiteloos in het orkestrale weefsel, zonder daarbij een theatrale solistenhouding aan te nemen. Zijn spel was hartveroverend mooi van klank, kleur en fraseringen, maar nooit overheersend, meer introspectief dan gericht op solistische expressie, meer zingend dan strijdend, lyrisch en wars van effectbejag, gevoed door empathie voor zijn ‘personage’. Het orkest vertaalde de partituur in lange spanningsbogen en deed de tot de verbeelding sprekende titels van de vier delen alle eer aan. Voor het moment dat de held in het laatste deel minutenlang zwijgt, waarna hij tenslotte weer opduikt om in dialoog met enkele strijkers over zichzelf te refecteren, was een aardige oplossing bedacht: Ridout en enkele strijkers verlieten het podium om pas na verloop van tijd weer te verschijnen bovenaan de linker trap. Hoog boven het orkest mijmerden ze over alle belevenissen, waarbij de sympathieke, relaxte en majestueus ‘solerende’ Ridout zijn altviool nog eenmaal donker en warm liet opflakkeren boven het orkest. Het was in alle opzichten een geweldige uitvoering.
Wenneke Savenije

Info:
https://orkest.nl

https://www.timothyridout.com