Opgewekte Beethoven in uitverkocht Concertgebouw

Scottish Chamber Orchestra o.l.v. Maxim Emelyanychev. Met Maxim Emelyanychev, piano. Felix Mendelssohn – Ouverture ‘Die Hebriden’, Wolfgang Amadeus Mozart – Pianoconcert nr. 25 in C, Ludwig van Beethoven – Symfonie nr. 7. Gehoord: 27 mei 2026, Concertgebouw, Grote Zaal, Amsterdam

 

Door Peter Schlamilch

Al toen ik hem vorig jaar interviewde voor De Nieuwe Muze viel het me op: Maxim Emelyanychev is een uiterst vriendelijke en aimabele musicus, die bezeten is van zijn vak: hij leeft voor en door de muziek en ziet haar als een manier om mensen ‘beter te maken’, vrede en harmonie te creëren, zelfs al is het maar voor twee uur in de concertzaal. Hij zoekt contact met het publiek en met zijn musici, inspireert, poogt een spirit of adventure te creëren en zorgt voor een gedeelde energie tussen musici en publiek.

 

 

Samensmelting

En precies zo was de uitwerking van het concert op iemand die ik na afloop sprak: die prees de samensmelting van pianosolist en orkest, terwijl ik die eenwording nu juist wat te veel vond. We raakten in een discussie in hoeverre Mozarts concerten nu meer met ‘wedijveren’, ‘strijden’ of zelfs ‘vechten’ te maken hebben (wat het woord ‘concerto’ betekent), of toch meer met ‘samenwerken’, zoals de onhandige etymologie ook mogelijk maakt. Zelf zie ik Mozart toch vooral als geniale plaaggeest, oproerkraaier en soms zelfs etterbakje, die zijn luisteraars (en de musici in het orkest) maar al te graag op het verkeerde been zet of zelfs ronduit misleidt, en voor velen, waaronder mijzelf, ligt zijn allergrootste kracht (hoewel de verschillen minimaal zijn) toch vooral in zijn opera’s. Ik heb zijn soloconcerten, zeker de pianoconcerten, dan ook altijd meer als confronterende, dramatische dialogen tussen twee gelijkwaardige partners gezien dan als hun samensmelting, hoewel er natuurlijk ook langzame delen zijn die wél lijken te versmelten, zoals bijvoorbeeld in KV. 488, ofschoon ook daar de opbouw eerder blokvormig dan symbiotisch is.

 

 

Springerige articulatie

Mijn appreciatie van Mozarts Pianoconcert nr. 25 in C, door Maxim Emelyanychev gedirigeerd vanachter een werkelijk schitterend uitgebalanceerde en bijna ‘fluwelig’ klinkende Erard uit 1863 (geleverd door Andriessen uit Haarlem), was dus een wat andere: hoewel Emelyanychev uitstekend en heel uitgebalanceerd speelt en zijn voordracht vrijwel foutloos was, vond ik het ook wat te lief, te aardig en te veel op zoek naar harmonie – van die geniale pestkop, die Mozart ook kon zijn, was te weinig te merken, en inderdaad, de samensmelting van orkest was bij vlagen adembenemend mooi, maar nogmaals: was dat echt Mozarts doel? Ik denk helemaal van niet, maar als dat het doel van de dirigent was, slaagde hij met vlag en wimpel. Maar ik miste te veel spitsvondigheden in de frasering, springerige articulatie en vooral dynamische contrasten, toch de handtekening van de grote Salzburger.

 

 

Spectaculaire momenten

Emelyanychev danste en huppelde, wanneer hij even niet hoefde te spelen, in het rond en creëerde daarmee een prachtige ongedwongen losheid, net zo ongedwongen als hij het eerste deel nog tijdens het welkomstapplaus inzette. Hij voelt zich volledig vrij en dat is prachtig om te zien, zo vrij dat hij na het eerste deel allerlei akkoorden speelde om het orkest te laten stemmen, en niet schroomde om even een dominantseptiemaccoord aan te slaan om naar het tweede deel te sturen (heel ongebruikelijk, hoewel Mozart dat zeker zelf ook gedaan zou hebben), dat prachtig, haast contemplatief klonk. In het derde deel wreekte zich dat het Scottish Chamber Orchestra, hoewel het op darmsnaren speelde en met natuurhoorns en dito trompetten, toch een ‘gewoon’, traditioneel orkest is dat een stuk minder lichtvoetig is dan de springerige dirigent: het speelde meer dan uitstekend, maar het ontbrak aan spectaculaire momenten en ook: er zitten nog zoveel meer details in de partituur…

Mendelssohns Ouverture ‘Die Hebriden’, waarmee het concert werd geopend, klonk ook zo: uitermate overtuigend voor wie naar harmonie streefde, maar wie de diepe eenzaamheid van de grot zocht, of de onrust van de wilde zeestorm, moest nog even doorzoeken: groot drama is niet het doel van Emelyanychev, noch van het orkest – het ging hier om klankschoonheid, en die was uitstekend, ook al was de bezetting met maar 30 strijkers, zeker op darmsnaren, echt wat te klein: Mendelssohn had bij de première naar verluidt al beschikking over 40 strijkers.

 

 

Gepriegel

Nog sterker gold dat uiteraard voor Beethovens Zevende symfonie, die ik eind april al in een spectaculaire uitvoeringvan Jörg Widmann hoorde, die nog altijd nadreunde. Hoewel Emelyanychev net zo’n buitencategorie ‘muziekbezetene’ is als Widmann, klonk ook Beethoven in zijn handen vaak te vriendelijk en te gepolijst, wat misschien ook aan de (wellicht te) beleefde Schotten lag. Het bekende woord van Richard Wagner, die Beethovens Zevende als de ‘apotheose van de dans’ omschreef, werd zeker waargemaakt, hoewel het veeleer een lieflijke dans werd dan de sardonische, die ik er zelf in meen te lezen – het hoofdmotief klonk verleidelijk en charmant, en niet spottend, boosaardig, schamper of wrang, wat misschien dichter bij Beethovens bedoelingen zou liggen: wie zal het zeggen? Er waren prachtige, spannend-zachte momenten, zeker waar de soloklarinet, -hobo en fluit hun fenomenale aandeel hadden, maar waar bleven Beethovens machtige uitbarstingen en razernij, zeker in de veel te matte pauken? Emelyanychev liet ook heel veel non-vibrato spelen, wat bij een Beethoven-symfonie toch echt te veel gepriegel oplevert.

 

 

Historische uitvoeringspraktijk

Beethoven noemde zijn Zevende in een beroemde brief ‘een van mijn beste’. De première vond plaats in 1813 in Wenen, met Beethoven zelf als dirigent. De uitvoering maakte deel uit van een benefietconcert voor gewonde Oostenrijkse en Beierse soldaten tijdens de oorlog tegen Napoleon, en werd het grootste publiekssucces tijdens Beethovens leven. Belangrijk daarbij te weten is dat er voor die gelegenheid een gigantisch orkest van 69 strijkers en verdubbeld koper en hout (met geheime contrafagotten) was samengesteld, wat natuurlijk het ultieme bewijs is dat componisten hun werk doorgaans weliswaar vaak met kleine, vaak niet al te beste orkestjes uitvoerden, maar dat áls ze de kans kregen maar al te graag een orkest ter grootte van het huidige Concertgebouworkest gebruikten (over de talloze conflicten met de beroemde componisten en musici die destijds in dit sterren-orkest meespeelden zullen we het hier maar niet hebben, maar hilarisch zijn de berichten wel). Mijn punt is: de Zevende symfonie met een kamerorkest op darmsnaren te spelen is misschien een gangbare ‘authentieke keuze’, omdat de praktijk inderdaad vaak zo was, maar wel een keuze die eens compleet heroverwogen zou moeten worden, want Beethoven had zijn werken in onze tijd heel graag door grote orkesten gespeeld horen worden, daarvan ben ik overtuigd. (Ja, in feite ondergraaf ik hiermee de complete historische uitvoeringspraktijk, want hoewel er bijvoorbeeld bronnen zijn dat iemand als Bach zijn Matthäus-Passion met 24 koorzangers uitvoerde, weet natuurlijk niemand of hem dat niet enorm frustreerde, en of hij er niet liever 36, 48 of nog veel meer gehad zou willen hebben – maar dit terzijde).

 

 

Poëtisch en beeldschoon

Terug naar het huidige concert, waar het tweede deel van Emelyanychevs interpretatie prachtig, vlot en spannend verliep, met een fuga die ‘op zijn Bachs’ werd benaderd: heel mooi, hoewel niet erg stijlzuiver. Het derde deel was in deze symfonie het beste: de energie spatte ervan af: fris, wild, pittig en wild-energetisch: heerlijk. Het vierde deel leek weer op het eerst: prima gespeeld, met veel problemen in de natuurhoorns en een te matte strijkersklank, hoewel de fantastisch gespeelde opbouw naar de geweldige climax weer écht Beethoven was. Toch zat de perfectie hem in de toegift: Schuberts Rosamunde klonk zó volmaakt, zo poëtisch en zo beeldschoon van sfeer dat ze het hoogtepunt van de avond was – hier zit de ware kracht van zowel dirigent als orkest: prachtige, gevoelig-expressieve fijnbesnaardheid die de avond tot een groot succes bij het publiek maakten, al had Beethoven waarschijnlijk briesend de zaal verlaten.

Peter Schlamilch

Meer info: concertgebouw.nl

You May Also Like

Pianiste Imogen Cooper weet wat Schubert nodig heeft

In de Waalse kerk stijgt muziek van Joodse componisten uit boven hedendaagse politiek

Pianist Antoine Préat doet verlangen naar meer

Tenor Nicky Spence blijkt een echt theaterdier in wisselend recital in Zeist