Pianiste Imogen Cooper weet wat Schubert nodig heeft

Werken van: Schubert (Impromptu’s op. 90 en 142) en Beethoven (Bagatellen op. 33). Gehoord: Muziekgebouw aan het IJ, 30 mei 2026
Door Willem Boone
Laatste solorecital in Nederland
Imogen Cooper mag dan in recente interviews betreurd hebben dat ze in haar jeugd niet vaker stukken gestudeerd heeft die op het eerste gezicht ‘buiten haar bereik’ lagen, ze heeft in elk geval haar repertoire altijd wijs gekozen. Ze verdeed geen jaren met het studeren en spelen van stukken die haar uiteindelijk toch minder goed lagen, maar diende de muziek waarmee ze affiniteit heeft zo goed mogelijk. De componist met wie ze waarschijnlijk het meest geassocieerd wordt, is Schubert. En zijn muziek stond prominent op het programma van haar laatste solorecital in Nederland. Diens Impromptu’s behoren tot het overbekende, zeer geliefde repertoire, maar uiteindelijk hoor je ze toch weer niet zo vaak tijdens concerten, al helemaal niet beide series. Het was dus een buitenkans om ze op één avond door deze eminente Britse pianiste te horen spelen. Ze zette opus 90 nr. 1 in c fors in en speelde in een redelijk vlot tempo voor een ‘allegro molto moderato’. Aan de andere kant hield ze dit wel consequent vol en er stond veel tegenover: het fraaie, zangerige legato en het natuurlijk meebewegen met de ‘eb en vloed’ van de muziek. Je hoort aan alles dat ze jarenlang met deze composities geleefd heeft. Sterker nog: ze weet wat Schubert nodig heeft: natuurlijk spel en al helemaal geen overdrijving. Nr. 2 in es wordt vaak als toegift gespeeld en nogal wat pianisten leggen dan de nadruk op snel en briljant spel. Dat deed Cooper niet: haar articulatie bleef verzorgd en ze bewees dat haar techniek nog steeds uitstekend is. In nr. 3 in ges viel vooral haar vocale benadering van de muziek op door de lange (zang)lijnen. Het is geen wonder dat deze pianiste juist veel met zangers gewerkt heeft en zelfs op deze manier haar laatste concert in de Londense Wigmore Hall zal geven. Zij stelde zich als gezegd steeds dienend op, al draagt haar Schubert wel een eigen signatuur, waarbij zij dramatiek niet schuwt. In de laatste impromptu uit deze serie, nr. 4 in as, liet zij nog eens horen dat overgangen bij haar organisch verlopen. De overgang naar mineur klonk alsof het haar ter plekke inviel.

Juweeltjes van Beethoven
Daar waar Schubert mede bekend werd door zijn vele korte stukken, zoals Impromptu’s, Moments musicaux en de vele Dansen, Ecossaises en Walsen, is Beethoven dat veel minder. Toch zouden diens drie reeksen Bagatellen best wat vaker gespeeld mogen worden, want het zijn kleine juweeltjes die ondanks hun vaak beperkte omvang zijn stijl goed weergeven. Het was dus een aardige gedachte om de 7 Bagatellen opus 33 uit te voeren, die zij in twee delen ‘opknipte’. Nr. 1 in es speelde zij in de geest van Schubert, muziek die een glimlach op je gezicht tovert. Ze had daar wat mij betreft iets meer de humor mogen benadrukken, wat ze in de bruuske en speelse nr. 2 zeker deed. Nr. 3 in f klonk vloeiend en eveneens schubertiaans. In nr. 4 kwam een misslag voor die ze bij de herhaling nogmaals speelde, wat haar een lelijk gezicht ontlokte. Tsja, dat kan gebeuren, maar het deed verder weinig afbreuk aan het geheel.
Na de pauze speelde ze de laatste twee bagatellen uit deze reeks. Vooral de laatste, nr. 7 in as, is grappig. Het is typerend voor Beethovens stijl waarbij de muziek (net als bijvoorbeeld bij het eerste deel van de Waldsteinsonate)slechts uit korte, ritmische motieven, maar nauwelijks uit melodieën lijkt te bestaan. Als altijd weet deze componist er qua architectuur vaak binnen een kort bestek iets groots van te maken. Beethoven was met de pedaaleffecten in deze laatste Bagatelle zijn tijd al ver vooruit. Interessant was nog dat dit laatste stuk ritmisch enige overeenkomst vertoonde met de laatste Impromptu, nr. 4 in f, opus 142 die nog moest volgen.

Opus 142 van Schubert
De eerste Impromptu, nr. 1 in f, klonk net als bij opus 90 in een relatief vlot tempo voor een ‘allegro moderato’. Ook hier zat er wel duidelijk voorwaartse beweging in haar uitvoering. Ze speelde wederom met een mooi legato. Nr. 2 was daarentegen een ‘echt’ allegretto, waar ze de tijd nam om te fraseren. Bij de zogenoemde ‘Rosamunde’-impromptu, nr. 3 in bes, het thema met variaties, speelde ze het thema in een gaand tempo. Ook de variaties die daarop volgden, nam ze niet te snel, terwijl ze bij de mineurvariatie niet te zeer de nadruk op dit verschil legde. Heel geslaagd was de overgang naar de Vierde variatie, waarbij het opnieuw leek alsof deze haar spontaan inviel. Bij de Vijfde variatiemaakte zij, voor zover ze dat nog niet gedaan had, duidelijk dat ze er nooit op uit is om te epateren. Een kostelijk ‘geval’ blijf de Vierde impromptu in f die zij op levendige wijze speelde. Ik moest denken aan wat recensent Aad van der Ven hier ooit in ‘Luister’ over schreef: ‘Als Imogen Cooper dit speelt, ben ik bereid om me desnoods langdurig interlokaal te verplaatsen’ (terwijl hij over een pianist die hem minder aansprak schreef: ‘X moet het maar thuis bij mij op de vleugel komen spelen.’). Cooper kondigde na het ovationele applaus aan: ‘It has to be Schubert’ en gaf als toegift diens Allegretto in c D 900. Een raadselachtig stuk waarmee deze zeer sympathieke pianiste op passende wijze afscheid nam van het Amsterdamse publiek.
Willem Boone

Info:
www.muziekgebouw.nl