Shani bewijst bij zijn afscheidsconcert in Rotterdam zijn veelzijdigheid

Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v Lahav Shani, m.m.v Chen Reiss, sopraan. Werken van: Mozart (Recitatief en aria met obligaat piano ‘Ch’io di scordi di te? Non temer amato bene KV 505), Zedginidze (Symfonisch gedicht), Wagenaar (Ouverture Cyrano de Bergerac) en Mahler (Symfonie nr 4). Gehoord: De Doelen, Rotterdam, 31 mei 2026
Door Willem Boone
Overtuigende dubbelrol
Voor zijn afscheidsconcert als chef-dirigent liet Lahav Shani nog eens zien en horen hoe veelzijdig hij als musicus is. Hij speelt op topniveau piano, als dirigent verzorgt hij regelmatig premières van opdrachtwerken en naast het grote symfonische werk dirigeert hij ook Nederlands repertoire. Het concert begon in alle rust met het Recitatief en aria ‘Ch’io di scordi di te? Non temer amato bene’ dat Mozart voor zangeres Nancy Storace schreef. Hij componeerde daarbij een obligate partij voor de piano, zodat hij haar kon begeleiden. ‘Obligaat’ doet vermoeden dat het om een minder belangrijk aandeel gaat, maar er is sprake van een gelijkwaardige partij. Shani begon staand en al dirigerend zette hij zich aan de vleugel om daar met kristalhelder pianospel sopraan Chen Reiss partij te geven. Ook nu weer overtuigde hij volledig in de rol van pianist. Hij zal zonder twijfel de geschiedenis ingaan als een van de muzikaalste dirigenten die dit orkest gekend heeft! Reiss heeft een prachtige stem met een warm timbre en dat zorgde voor een muzikale opening.
‘A combination of serenity and excitement’
Bij de changementen werden korte filmpjes met impressies van repetities en gesprekken met solisten en orkestleden getoond. Treffend waren de woorden van pianiste Martha Argerich, die dankzij Shani al vijf keer tijdens zijn chef-dirigentschap in Rotterdam optrad. Zij noemde hem een ‘combination of serenity and excitement.’ Rob Streevelaar, artistiek directeur van het orkest, memoreerde dat Shani bij zijn eerste optreden in 2016 al direct de ‘wowfactor’ had die het orkest gebruikte als instrument waarmee hij kon toveren. Hij is inmiddels tot eredirigent benoemd en blijft terugkomen, zodat de groei tussen hem en het orkest niet stopt. Overigens staan er nog optredens in Praag, Dresden en Taiwan gepland, dus het is nog geen onmiddellijk afscheid. Voor dit concert in Rotterdam had hij een paar wensen, zoals gezamenlijk optreden met Chen Reiss en het dirigeren van een compositieopdracht. Daarbij ging het om Symfonisch gedicht van de 16 (!) jarige Zedginidze, een componist die de dirigent al enige tijd volgde. Het orkest speelde in grote bezetting en allereerst viel op dat de muziek niet heel modern geschreven was. De sfeer gedurende dit circa 15 minuten durende symfonische gedicht was zwaar, dreigend en kende maar af en toe rustige momenten. De strijkers klonken donker en de blazers, vooral de koperblazers, waren prominent vertegenwoordigd. Er was slechts een rustig intermezzo, maar daarna zwol de dreigende ondertoon weer aan. Shani dirigeerde deze première uiterst geconcentreerd en liet de informeel geklede componist na afloop delen in het applaus.

Wagenaar
Het is verheugend dat buitenlandse dirigenten zich interesseren voor Nederlands repertoire, zoals Riccardo Chailly dat tijdens zijn chef-dirigentschap bij het Koninklijk Concertgebouworkest ook deed. De ouverture Cyrano de Bergerac van Johan Wagenaar paste qua tijdsbeeld bij de Vierde symfonie van Mahler. Nadat het orkest versterkt was met een fluit en trompet, dook Shani direct in de materie. Het vormde een sterk contrast met het opdrachtwerk, want hier ging het om flitsende laatromantische muziek met een steeds herkenbaar terugkerend motief. Er waren mooie solo’s van onder andere de hobo, fagot en eerste viool. Soms leek het idioom van Wagenaar een beetje op dat van Richard Strauss. Bij deze ouverture gaat het om een omvangrijk werk, dat voor een dergelijk stuk behoorlijk lang uitgevallen is. Shani dirigeerde het op zijn gebruikelijke geestdriftige manier en de coda werd briljant gespeeld. Overigens hebben orkest en dirigent Cyrano de Bergerac van Wagenaar op hun laatste cd opgenomen, gecombineerd met de Negende symfonie van Dvorak.

De Vierde van Mahler
Het pièce de résistance van dit concert vormde de Vierde symfonie van Mahler. Bij de aria van Mozart ging het om ‘afscheid’ en in deze symfonie speelt de eerste viool in het tweede deel een doodslied. Bij het derde deel gaat het om het langzaam opstijgen naar de hemel, waar aan het eind van dat deel aangeklopt wordt. In het vierde deel bezingt de sopraan in het lied ‘Wir geniessen die himmlischen Freuden’ een nogal naïef beeld van het paradijs. Het orkest klonk direct fris in het eerste deel Bedächtig nicht eilen – recht gemächlich. Het leek erop alsof ze tijdens dit afscheidsconcert extra mooi voor hun dirigent speelden! Er lag een serene glans over dit musiceren en Shani produceerde weer het wonder om het orkest bijna als een kamermuziekensemble te laten klinken, terwijl het in grote bezetting speelde. Opvallend was de transparantie van de klank, die overigens in een geweldige climax culmineerde. Prachtig was aan het eind de pianissimo hoornsolo, waarbij de strijkers langzaam het beginthema speelde, waarna het gehele orkest versnelde.

Hoewel deze symfonie tot de kortste en meest toegankelijke van Mahler behoort, zijn er, zeker in het tweede deel In gemächlicher Bewegung momenten waarop de muziek ronduit ‘ongemakkelijk’, ‘spookachtig’, ‘macaber’ van karakter is. Het slot dooft langzaam uit en daarbij dacht ik weer eens: wat een vreemde muziek is dit eigenlijk! Orkest en dirigent namen dit deel in niet slepend tempo met een hele duidelijk aanwezige puls. De eerste violist heeft een belangrijke solo en hij deed iets wat ik niet eerder gezien heb: hij speelde op twee violen. Overigens is dit verklaarbaar, want Mahler laat de soloviool een vedel-achtig timbre produceren. Om dit opvallende effect te bereiken liet hij de soloviool een toon hoger stemmen dan gebruikelijk. De eerste violist klonk ook duidelijk ‘anders’ op het instrument waarop hij de rest van het concert speelde.

De inzet van het derde deel, Ruhevoll poco adagio, was hemels, waarbij vooral het tempo goed gekozen was. De musici klopten niet al te beschroomd bij de hemel aan. Shani deed waar hij altijd al uitzonderlijk in geweest is: het boetseren van de klank. Anderzijds zijn er ook in dit deel uiterst desolate momenten, waarbij je bijna zou zeggen dat Mahler voorvoeld moet hebben wat de wereld in de twintigste eeuw aan verschrikkingen te wachten stond. Zo klonken de eerste viool en hoorns aan het eind schrijnend en de klap waarmee bij de hemel aangeklopt wordt, miste ook nu zijn uitwerking niet. In het vierde deel, sehr behaglich, kwam Chen Reiss van rechts op en zij bleef midden in het orkest staan. Zij gaf de sopraansolo (‘mit kindlich heiterer Ausdrückung’) goed weer met een engelachtig, juichend timbre. Altijd weer indrukwekkend is het moment waarbij de sopraan de strofen ‘Kein’ Musik ist ja nicht auf Erden, die unsrer verglichen kann werden’. Het einde met de harp en Engelse hoorn die langzaam uitdoofden waren ook nu indrukwekkend, maar nog indrukwekkender was de minuut stilte die volgde.

Uiteraard was er een ovationeel applaus na afloop, ook voor eerste violiste Rachel Browne die eveneens afscheid nam. Ik had, net als bij het afscheid van de ‘andere’ eredirigent Yannick Nézet-Seguin, speeches verwacht, maar deze vonden in besloten kring na het concert plaats.
Willem Boone
Foto’s: Eduardus Lee

Info:
https://www.rotterdamsphilharmonisch.nl