Lahav Shani magistraal in afscheidsconcert op NTR ZaterdagMatinee in Amsterdam

Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Lahav Shani. Met Chen Reiss, sopraan, Lahav Shani, piano. Wolfgang Amadeus Mozart – Aria ‘Ch’io mi scordi di te’, KV 505, Tsotne Zedginidze – nieuw werk (Nederlandse première), Johan Wagenaar – Ouverture ‘Cyrano de Bergerac’, Gustav Mahler – Symfonie nr. 4 Gehoord: 30 mei 2026, NTR ZaterdagMatinee, Concertgebouw, Grote zaal, Amsterdam*

Door Peter Schlamilch

 

Ik hield mijn hart vast, toen de Israëlische sopraan Chen Reiss (1979) Mozarts meesterlijke aria ‘Ch’io mi scordi di te’ KV 505 inzette: hoewel haar stem schitterend van klank is, warm, zacht-zoemend en fluwelig, leek ze geen idee te hebben wat die openingswoorden betekenden: ze zette weliswaar zacht in, zoals Mozart ook had genoteerd, maar de diepe pijn die uit deze verlatingsaria sprak leek ze op geen enkel moment te voelen, ook niet op de vele, vele heftige momenten die het genie uit Salzburg haar de minuten erop nog zou toebedelen, alles om het doodsverlangen van de wanhopige vrouw te schilderen. Dirigent Lahav Shani was kennelijk ook in een milde bui, want hij zette het Rotterdams Philharmonisch Orkest barmhartig en vergevingsgezind in, terwijl de tekst toch echt van onblusbaar verdriet spreekt en de naderende liefdesdood. Toen hij de obligate pianopartij voor zijn rekening nam, sprankelend en vlekkeloos, leken we – heel merkwaardig – meer in een Chopin-recital terecht te zijn gekomen dan in een werk uit de Eerste Weense School, heel vreemd, en ook: onverklaarbaar, ook omdat hij zijn orkest eerder als Schubert dan als Mozart liet klinken – vele fraseringen en articulaties pasten beter bij de vroege romantiek dan bij Mozart. Een mooi geheel, maar te gepolijst en te weinig expressief en erg stijlonzuiver.

 

 

Belofte voor de toekomst

Gelukkig betraden we meteen daarna een heel andere wereld, namelijk die van de 17-jarige Tsotne Zedginidze, een Georgische pianist en componist die internationaal bekend staat als een muzikaal wonderkind, en door dirigent en muziekgrootheid Daniel Barenboim is omschreven als de ‘Mozart van de 21e eeuw’. En hoewel ik denk dat Mozart in onze tijd volstrekt anders zou hebben gecomponeerd dan de jonge Georgiër, was zijn nieuwe werk, getiteld ‘nieuw werk’, een fascinerend spektakel van massieve, grommende, grauwe klanken, vaak Mahler- en soms Bartók-achtig maar altijd verrassend, met tonale melodieën, verpakt in geraffineerde bijna atonale clusters (deels een opdracht van de Vrienden van de Matinee). Ik snapte meteen waarom zoveel grote musici in hem een belofte voor de toekomst van de moderne muziek zien, want Zedginidze snapt dat de atonaliteit een definitief afgesloten hoofdstuk is en dat muziek, wil zij blijvend kunnen communiceren met het publiek, niet alleen harmonisch houvast moet bieden maar ook metrisch en melodisch. Het was er gelukkig allemaal, hoewel de klanken nergens kopieën van het verleden waren, maar eerder respectvolle voortzettingen ervan. Bij Zedginidze geen ingewikkelde ritmen en metra, geen gezochte ‘moderne’ speelwijzen en eindeloos gedoe met slagwerk, maar een klassieke bezetting die toch vernieuwend en spanningsvol klinkt, hoewel in het middendeeltje soms iets te eentonig, vooral door de onafgebroken isoritmische notenwaarden. Het orkest speelde voorbeeldig, en Zedginidze is een naam om heel goed in de gaten te houden.

 

 

Spectaculair mooi

Vervolgd werd met Johan Wagenaars uiterst vermakelijke Ouverture ‘Cyrano de Bergerac’, dat de Rotterdammers naar eigen zeggen dit jaar als ‘exportproduct’ op internationale tournees spelen, en terecht: wat een feest maken zowel dirigent als musici van dit energieke werk, dat overduidelijk geïnspireerd is op Strauss’ Don Juan. Toch verloopt dit werk, na de bijna gelijkluidende opening, heel anders en eigen, en het werd door Shani meesterlijk over het voetlicht gebracht: mooi dat hij op zijn afscheidsconcert als chef van het ‘Rotterdams’ een hommage aan de Nederlandse toonkunst bracht. Het past de Rotterdammers dan ook als een handschoen, en ze konden er hun heerlijke, viriele, bijna metaalachtige strijkersklank (ik houd ervan) volop in kwijt – een klank die altijd kernachtig is, ook in de zachtere passages. Hout en koper waren meesterlijk, net als in het hoofdgerecht van de middag: Mahlers Vierde symfonie, die spectaculair mooi werd. Alles uit het hoofd dirigerend heeft Shani een voortreffelijke controle over het orkest, dirigeert volop retorisch maar altijd betrokken en in constant contact met zijn musici. Shani heeft een zeer breed repertoire aan gestiek om zijn ideeën over te brengen, en hij doet dat zo efficiënt dat hij zijn spelers aan een touwtje lijkt te hebben – deze musici houden van hun scheidend dirigent, zoveel is duidelijk.

 

 

Kwelduiveltjes

Shani geeft het orkest daarnaast ook de vrijheid om te ademen en te stromen, en hij dirigeert, net als alle grote dirigenten, geen tellen en maten, maar motieven, melodieën en dialogen: heel bijzonder. Het orkest is in kennelijke topvorm, te horen aan de vrijwel allemaal perfecte solo’s in het hout, dat schitterend en heel karakteristiek is. De strijkers klinken wat je noemt hartverwarmend: homogeen en massief, en toch wendbaar en genuanceerd, en koper en slagwerk zijn van topklasse. Shani is soms zo vrij en soepel dat zijn gebaren af en toe wat te klein (of: beheerst) lijken voor de grote verhalen die Mahler ons vertelt, over sleebelletjes, maar ook over de dood en het paradijs, alles door de ogen van een onschuldig kind. Heel soms verlang je naar een iets groter gebaar of een heftiger climax, naar dissonanten die iets wranger zijn of accenten die iets meer pijn doen, zoals die met de harp in het tweede deel, die nu eerder vriendelijke interrupties waren dan de kwelduiveltjes die in de partituur staan.

 

 

Beeldschoon wegsterven

Het derde, langzame deel was Ruhevoll; het had misschien een fractie verstilder gemogen maar klonk weer ragfijn en nu hoogpoëtisch: adembenemend mooi in de strijkers, en heerlijk dat dirigent Shani ons elke midden- en tussenstem laat horen alsof het kinderspel is, zonder ooit de grote lijn uit het oog te verliezen – dat alles met een extreem dirigeergemak en een flexibele souplesse: heel knap. Na een prachtig-klagende hobosolo met dito fagotbegeleiding en een werkelijk adembenemend wegstervend einde was het tijd voor de apotheose – de sopraan was al zachtjes naar beneden geslopen en zette haar kinderlijk-naïeve tekst prachtig in, maar net een beetje te donker en zwaarmoedig voor het onbevangen kind dat ze moest vertolken, maar over het algemeen heel fraai. Het orkest speelt weer als in een droom: etherisch en ijl, licht, ongrijpbaar en precies zo hemels als Mahler het zich voorstelde. ‘Das Wichtigste in der Musik steht nicht in den Noten’, zei de grote Weense meester over zijn muziek, en over muziek in het algemeen. Scheidend dirigent Lahav Shani begrijpt dat als geen ander en perste de betekenis tussen de noten uit en liet dat ‘belangrijkste’ volop aan het publiek horen, zoals in het beeldschone wegsterven, ook hier, van de laatste maten. Nederland gaat hem missen.

Peter Schlamilch

Foto’s: Eduardus Lee e.a.

* Deze recensie betreft de live-versie in de zaal. De concertregistratie kan, door de opnametechniek, uiteraard afwijken.

 

 

Meer info: concertgebouw.nl

You May Also Like

Brahms, Debussy, Adès, Simone Lamsma en Kerem Hasan bij het NNO

Shani bewijst bij zijn afscheidsconcert in Rotterdam zijn veelzijdigheid

Opgewekte Beethoven in uitverkocht Concertgebouw

Pianiste Imogen Cooper weet wat Schubert nodig heeft