Warmbloedig en doorleefd: Dvořáks Achtste bij het NedPho

Nederlands Philharmonisch o.l.v. Martin Rajna. Met Nikola Meeuwsen, piano. Ludwig van Beethoven – Pianoconcert nr. 3 in c, Antonin Dvořák – Symfonie nr. 8 in G. Gehoord: 13 juni 2026, Concertgebouw, Grote zaal, Amsterdam

Door Peter Schlamilch

 

Wat een feest maakte het Nederlands Philharmonisch afgelopen zaterdagavond van Dvořáks Achtste symfonie: ze bruiste, kolkte en stormde, en het orkest had er zin in – het speelplezier droop ervan af en alles lukte: elke overgang was organisch, elke solo trof de juiste snaar en alle contrasten uit de partituur van de grote Tsjech werden gehonoreerd, heerlijk.

 

 

Bloedmooie orkestklank

Dat lag niet in de laatste plaats aan de inzet van de jonge Hongaarse dirigent Martin Rajna (30), nu al chef-dirigent van de Hongaarse Staatsopera en steeds bekender in West-Europa, waar hij dan graag Dvořáks Achtste dirigeert – het is kennelijk een lijfstuk, en dat was te horen: uit het hoofd, gewoon met baton (voor de pauze liet hij die achterwege en werd de klank veel milder) en met oog en oor voor elk detail in deze prachtig geïnstrumenteerde partituur. Rajna spoort zijn orkest aan tot waar speelplezier, nee, speelvreugde, en dat vertaalde zich in een bloedmooie orkestklank met vaak waarlijk Slavische trekjes. Het begon al met die idioot mooie cellomelodie waarmee Dvořák zijn symfonie start en waarin, nadat begonnen wordt in g-klein, via het uiterst verrassende As-groot in G-groot wordt geëindigd, dat allemaal in nog geen 17 maten: typisch Dvořák om ogenschijnlijk simpele thema’s te verpakken in harmonieën waarbij de kenners toch even staan te knipperen met de ogen. Dit hoofdthema werd fabuleus voorgedragen door de prachtige cellogroep, die de grote hoeveelheid streepjes, boogjes, crescendi en andere dynamische tekens feilloos interpreteerde – zeer genuanceerd maar meeslepend en nooit academisch.

 

 

Handtas reorganiseren

Het hele eerste deel was van die kwaliteit, waarbij dirigent Rajna, die wat mij betreft veel vaker naar Nederland mag komen, uiterst organische tempi en dito tempo-overgangen koos, en orkest en publiek als een gids door Dvořáks heerlijke muziek loodste: hij heeft de gave om te ademen (hij is operadirigent), te fraseren (hij is operadirigent) en drama te creëren – hij is namelijk operadirigent, hoewel dat echt niet altijd alles zegt. Rajna is een van die dirigenten die alles heeft: een perfecte slagtechniek, een steengoed gevoel voor timing en articulatie en een breed, zangerig gebaar waar het kan en precisie als het moet. Hij vertelt een logisch boeiend maar vooral meeslepend verhaal – kom daar nog eens om in deze tijden waarin zo vaak alleen nog de maat wordt geslagen – hoewel de geweldig spelende trompetten in de reprise van mij nog iets triomfantelijker hadden gemogen.

Het tweede deel was beeldschoon, poëtisch en af en toe vrijwel onhoorbaar zacht (steevast hét moment voor sommige concertbezoekers om snoepjes te pakken of hun handtas te reorganiseren): ook dat kunnen niet veel dirigenten afdwingen. Het duet in de fluit en de hobo was prachtig en pauken en koper waren geweldig op dreef – het Tsjechische koren stroomde en golfde in ruime mate in de wind.

 

 

‘Olifantengebrul’

Rajna koos in het derde deel een heerlijk walstempo, maar bewust niet Weens, maar nèt iets langzamer, zodat de Slavische tragiek er prachtig doorheen kon schijnen. De fraseringen waren om van te dromen (Rajna rondt elke zin zó mooi af) en de sfeer was… ja, hoe zeg je dat? Groots en toch intiem – Rajna haalt werkelijk het beste uit zijn musici. De trompetten in het, gelukkig, direct aansluitende vierde deel waren subliem, en het orkest explodeerde volop, hoewel het leuke en vrolijke ‘olifantengebrul’ (de hoorntrillers na letter C) wat mij betreft nog veel ‘gestoorder’ had mogen klinken, maar da’s misschien een kwestie van smaak. Het dromerige slotdeel, vlak voor het slot, was weer voorbeeldig (en ook wérkelijk een droom) en de slotmaten raasden hun onvermijdelijk einde tegemoet – fenomenaal orkestspel en evenzeer dito met twee forse, perfect getimede knallen. (Wie mij overigens kan uitleggen wat Dvořák met zijn lege slotmaat bedoelde, verdient een prijs.)

 

 

Radeloze componist

Beethovens Derde pianoconcert, dat voor de pauze ging, leek uit een heel andere wereld te komen, zachter, liever en vriendelijker, woorden die je nou niet direct met de norse meester uit Bonn associeert. Alle grote emotionele contrasten die na de pauze klonken, waren daarvoor nog niet aanwezig: de jonge Nederlandse pianist Nikola Meeuwsen (23) is een echt supertalent, maar moet misschien de tragiek van het leven nog meer ervaren om Beethovens muziek dieper te kunnen doorgronden – de radeloze componist (gehoorverlies) was depressief en speelde met zelfmoordgedachten. Zijn pianoconcert heeft weliswaar een heroïsch Luctor-et-emergo-gehalte, maar dat wist de jonge pianist toch net te weinig gestalte te geven, ondanks dat zijn spel van zeer hoog kwalitatief niveau was (een paar kleine, vergevenswaardige misslagjes daargelaten). Zijn snelle passages zijn zó volkomen adembenemend egaal en perfect dat je verstand er bijna bij stilstaat, en zijn klankvorming is ronduit prachtig, ook al wordt het soms meer Schubert (bij vlagen richting Chopin) dan Beethoven.

 

 

Grote ontwikkeling

Het begon al met de orkestinleiding, die dirigent Martin Rajna verrassenderwijs in tweeën dirigeerde (Beethoven schreef uitdrukkelijk een vierkwartsmaat) – daardoor gaat dat heerlijk nerveus-gespannen karakter verloren en ontstaat er een soort milde zangerigheid die in het eerste thema helemaal niet op zijn plaats is. Misschien dat de dirigent zich dienstbaar had aangepast aan de solist, want Meeuwsen bracht een net zo lyrische, ronde en romantische interpretatie – allemaal grote kwaliteiten, maar bij Beethoven spaarzame goederen. Was dat slecht? Nee, in absoluut tegendeel. Dat Meeuwsen een enorm talent is, is zonneklaar en wat viel er veel te genieten aan zijn spel: een prachtige, heldere balans, mooie lange frasen en een fabelachtige techniek, waarin heel vaak ook ritmisch goed gearticuleerd werd. Keerzijde was wel dat het geheel wat weinig contrastrijk was (toch een codewoord bij Beethoven), zowel qua kleur, sfeer als dynamiek. Anderzijds heb ik geen enkele twijfel dat de jonge pianist nog een grote ontwikkeling gaat doormaken en een dito carrière, en terecht. De cadens was groots en, nu wel,  Beethoveniaans: diep in de toetsen, spannend, volop dramatisch en meeslepend: hij leek hier helemaal naar opgebouwd te hebben.

 

 

Pure schoonheid

Het tweede deel paste natuurlijk veel beter in Meeuwsens straatje – het kan soms wat langdradig zijn, maar het tegendeel was waar: pure schoonheid en poëzie stroomde door de zaal, zowel van de pianist als van het orkest, met weer voorbeeldige loopjes en in een wonderschone, feeërieke sfeer. Een absoluut hoogtepunt, hoewel ik het duet tussen fagot en fluit altijd graag iets smachtender hoor. Het grillige laatste deel verliep in een lekker vlot tempo, maar mocht ook hier soms iets wilder en ironischer, hoewel die laatste eigenschap in onze ‘doeslief-maatschappij’ steeds schaarser lijkt te worden. De prachtige klarinetsolo maakte indruk en het messa di voce in de paukenroffel vlak voor de uitstekend gespeelde cadens was een leuk extraatje (staat er niet, maar mooie artistieke vrijheid).

De toegift was schrikken: Meeuwsen speelde Aleksandr Skrjabins eerste van Deux Poèmes Op. 32 – echt wel goed, maar na het geweld van Beethovens Derde pianoconcert past alleen eigenlijk maar een gepast zwijgen, of, en ik snap dat een jonge pianist elke kans moet grijpen, een ander werk van de Bonner meester. Nu deed Meeuwsen niet alleen Beethoven, maar ook zichzelf onrecht, want elke prachtige noot Beethoven was helaas vervlogen, en dat was zonde.

Peter Schlamilch

Info: concertgebouw.nl

You May Also Like

Arooj Aftab tast in het duister

Bloedeloze Tweede Mahler onder Karina Canellakis

NDT 1 danst het zinderende ZŌ van Ohad Naharin 

Beschrijving van een dag Beethoven Festival in Zutphen