Gloedvolle Traviata in La Fenice

Giuseppe Verdi – La traviata. Orkest en koor van het Teatro La Fenice o.l.v. Stefano Ranzani. Met Rosa Feola (Violetta Valéry), Stefan Pop (Alfredo Germont), Roberto Frontali (Giorgio Germont), Carlotta Vichi (Flora Bervoix), Barbara Massaro (Annina) e.a. Regie: Robert Carsen. Gehoord: 15 februari 2026, Teatro La Fenice, Venetië
Door Peter Schlamilch
En weer een vrijwel all-Italian cast in het schitterende Teatro La Fenice in Venetië, net als in de geweldige Simon Boccanegra die ik een dag ervoor zag – wat maakt het uit, zult u zeggen, maar het is een wereld van verschil: Italiaanse zangers hoeven namelijk niet in een vreemde taal te zingen, geen lastige uitgangen te onthouden en hebben een veel directer contact met de betekenis van elk woord dan een niet-Italiaan per definitie kan hebben. Die laatste kan de uitspraak net zo goed (of beter) instuderen, net als de tekst en de betekenis, maar het blijft ingestudeerd, terwijl een Italiaan gewoon zijn eigen taal spreekt als hij zingt – voor de ware operaliefhebber een verschil van dag en nacht.

Positie van de vrouw
Net als de Boccanegra van de dag ervoor ging ook Traviata in La Fenice in première (1853), en was daarmee een van de beroemdste fiasco’s uit Verdi’s carrière, hoewel het werk daarna uitgroeide tot een van de populairste opera’s aller tijden. Verdi en librettist Piave wilden ‘een onderwerp uit onze tijd’ met ‘moderne kostuums en situering rond 1850 in Parijs’, om de hypocrisie rond de positie van de vrouw scherp te accentueren. Helaas dwongen de censuur én directie van La Fenice een verplaatsing van de handeling naar ca. 1700, wat de impact verzwakte. Daarnaast was Verdi ontevreden over de cast, waarin de sopraan Fanny Salvini-Donatelli (toen 38 en stevig gebouwd) de jonge, fragiele, aan tuberculose lijdende Violetta vertolkte, en bariton Felice Varesi veel te oud werd bevonden voor Giorgio Germont.
Afscheid van het verleden
Op 6 maart 1853 werd de opera dus uitgejouwd: het publiek lachte om Salvini-Donatelli’s verschijning als stervende courtisane, en Verdi schreef later: ‘La Traviata was gisteren een immens fiasco (…) Ze lachten. (…) Maar ik maak me geen zorgen. Of ík heb ongelijk, of zij. Ik denk niet dat het vonnis van gisteravond het laatste woord is.’ Hij bleek weer eens gelijk te hebben: slechts een jaar later werd een herziene versie en met een betere cast weer opgevoerd in Venetië – ditmaal in het Teatro San Benedetto – en werd een enorm succes. Vanaf dat moment verspreidde La Traviata zich razendsnel over Europa en de wereld, en werd een van Verdi’s populairste opera’s, met geliefde aria’s en duetten als ‘Libiamo ne’ lieti calici’, ‘Sempre libera’ en het onvergetelijke ‘Addio del passato’, over het afscheid van het verleden. Na de vele branden die het theater teisterden werd La Fenice in 2003 weer eens heropend, onder andere met een nieuwe productie van La Traviata in regie van Robert Carsen, die juist wél de hedendaagse setting gebruikte die Verdi oorspronkelijk wilde. Deze productie – die geldt als een mijlpaal in de geschiedenis van het theater – werd afgelopen maand hernomen.
Stoom uit de oren
Zelf had ik wisselende gevoelens bij regie en toneelbeeld: de feestscènes waren vrolijk, kleurrijk en effectief, hoewel het Zigeunerinnen- en Matadorenkoor niet alleen erg uit de toon vielen qua exuberantie, erotiek en locatie, maar ook acoustisch: de zangers van het koor zaten met de rug naar het publiek, de wél zichtbare dansers zongen (uiteraard) niet – het kán, maar het is eigenlijk een muzikale ingreep, die juist bij deze twee koren, die toch de pièces de résistance zijn, niet goed uitpakte. Het koor was wel indringend een meeslepend aanwezig in de grote finale, waarin Alfredo, witheet van woede en jaloezie, Violetta diep beledigt door haar de zojuist gewonnen bankbiljetten voor de voeten te smijten: het vol bezette koor explodeerde van verontwaardiging en leefde volledig mee – prachtig! Ook bij Roberto Frontali, die de verbijsterde vader Giorgio Germont vertolkte, kwam de stoom uit de oren, bij het zien van zo’n lage daad van zijn zoon. De regie houdt hem helaas steeds nét even te ingetogen, en zijn prachtige bariton had misschien nog iets vernietigender mogen klinken om de dramatiek van de situatie te benadrukken. Ook in de tweede akte was zijn dialoog met zijn diepongelukkige schoondochter wel erg afstandelijk, een kennelijke wens van de regisseur, maar door gebrek aan echt contact met Violetta overtuigde zijn innerlijke dilemma niet voldoende.
Oorstrelend en hartveroverend
Rosa Feola (Violetta Valéry) zong mooi, maar bleef vaak wat afstandelijk in haar spel en kleurgebruik: misschien dat ook hier de regie haar tegenhield, maar meer tinten waren zeker niet overbodig geweest – makkelijk gezegd, als recensent in de zaal, midden in het griepseizoen, maar toch: Feola zet de frasen vaak wat te zwaar aan voor de jonge Verdi, die toch zo verschrikkelijk veel articulatie in deze partituur schreef en nog half in het belcanto stond. Alfredo, gezongen door de Roemeense tenor Stefan Pop, deed het in dat opzicht beter: hij acteerde naar hartelust (maar veel te overmoedig en zelfverzekerd voor de timide aanbidder die al een jaar in stilte verliefd is), en probeerde wel iets met Verdi’s articulatie te doen, wat maar ten dele lukte: het Leitmotiv van de opera, zijn Misterioso, altero, werd door hem volledig staccato voorgedragen, terwijl Verdi er expliciet portato bedoelde (iets minder kort, dus), hetgeen ertoe leidde dat hij de noten compleet anders interpreteerde dan zijn vrouwelijke tegenspeler, die ze ook regelmatig zingt. Merkwaardig, net als dat hij zijn korte zinnetjes soms zo achteloos voordroeg dat ze bijna parlando klonken. Maar goed, alles werd goedgemaakt door zijn heerlijke legato en volumineus-heldere briljante schittering, die zonder overdrijving oorstrelend en hartveroverend waren.

Gouden keel
De handeling van de tweede akte speelde zich af in een bos, waar Violetta kennelijk net voornemens was te gaan picknicken op het moment dat ze werd gestoord door vader Giorgio: de uitgestrekte groene natuurbeelden stonden uiteraard symbool voor het zorgeloze leven waarin de beide geliefden zich – heel even – bevonden, maar was te groots en aangeharkt om het grote drama, en daarna haar grote liefdesoffer, geloofwaardig vorm te geven. De laatste akte deed dat wel: het kale appartement van weleer, gestript van elke luxe – niet eens een sterfbed was voorhanden. Rosa Feola zong het beroemde Addio del passato beeldschoon, aangrijpend en diep ontroerend, en was hier op haar best, net als het orkest dat gevoelig en genuanceerd begeleidde (hoewel niet altijd compleet vlekkeloos). De hobosolo sneed prachtig door merg en been, precies zoals Verdi dat had bedoeld (in de tweede akte was de hoornist al net zo op dreef geweest): dit orkest is bloedmuzikaal en weet precies wat er op het toneel gebeurt, en dirigent Stefano Ranzani, zelf ooit violist in de Scala, kent de partituur door en door. Heerlijke verrassing was het pure, gouden stemgeluid van Barbara Massaro, die het piepkleine rolletje van Annina zong: helder, fris en dragend, mooi van dictie en frasering: haar had ik nog wel een paar aria’s willen horen zingen.
Peter Schlamilch
Foto’s: Michele Crosera

Meer info: teatrolafenice.it